‘KNOWH2OW’, gecreëerd door Bojana Cvejić, Mette Ingvartsen, Jan Ritsema en Sandy Williams, productie Kaaitheater – foto: Herman Sorgeloos

Bojana Cvejić, Jan Ritsema

Leestijd 10 — 13 minuten

Over beloften en potentialiteit

KNOWH2OW van binnenuit bekeken

De voorstelling KNOWH2OW van Jan Ritsenia, Mette Ingvartsen, Sandy Williams en Bojana Cvejić nam als uitgangspunt de waterstofbelofte. Maar tijdens het collectieve werkproces kwamen heel wat meer pregnante vragen naar de oppervlakte. Bojana Cvejić en Jan Ritsema over beloftes en angst, over meerstemmig samenwerken en de kracht van een onstabiele positie.

Afhankelijk zijn van olie heeft een prijs, dat zien we nu duidelijker dan ooit. Wat lange tijd door iedereen gezien werd als een milieukwestie, is plotseling een dodelijk ernstig strategisch probleem geworden. Olie is een luxe die we ons niet langer kunnen veroorloven, niet alleen omdat de wereld in een sauna verandert of omdat de reserves uitgeput raken, maar omdat het onverbiddelijk leidt tot een mondiaal conflict. Genoeg. Wat we nodig hebben is een massale inspanning op grote schaal om het vermogen van waterstof, een virtueel oneindige bron van energie, aan te boren. De technologie bevindt zich op een scharniermoment. Terrorisme maakt het politiek urgent. Klanten zijn klaar voor een alternatief. Zelfs de oliebaronnen maken zich op voor verandering, van Detroit tot Dallas. We hebben een man op de maan gezet in een decennium; we kunnen even snel op onze eigen energie-benen gaan staan.

Tik het woord ‘waterstof’ in op Google en je komt hoogstwaarschijnlijk uit op een hele reeks sites die je – met boodschappen zoals die hierboven – doen geloven dat we ons in een noodtoestand bevinden en dat waterstof de ultieme oplossing is voor de oliecrisis van vandaag. Aan de andere kant behoor je misschien tot die groep van mensen die niet altijd meteen ‘mee’ zijn met de laatste ontwikkelingen op gebied van wereldeconomie en politiek, en gaat die hype rond waterstof helemaal aan jou voorbij. Het kan zelfs zijn datje er nooit iets over hoort, tot het je wordt voorgeschoteld als veilig, ingeburgerd, de onvermijdelijke vervanging van fossiele brandstoffen: in de batterij van jouw nieuwe computer of gsm, in je waterstofauto of water-stofverwarming. Wat betekent dit? Hoe kan iets doen alsof het ‘heet van de naald’ is en toch niet eens het nieuws halen?

De verdeelde aandacht voor waterstof in de publieke opinie vandaag wordt weerspiegeld in de ambivalente status van het thema in onze performance KNOWH2OW.

JR: Op het eerste zicht behandelt KNOWH2OW het verschijnsel van de ‘belofte’. Als een manier om te ontsnappen en als een manier om om te gaan met zijn tegengestelde: ‘angst’. De liberale economieën waar we deel van uitmaken, produceren bijvoorbeeld elke dag enorme hoeveelheden angst, door de sterke competitiedrang en de verplichting om te innoveren. Om te voorkomen dat deze ervaring van angst te sterk zou worden, zo sterk dat het de mensen zou verlammen of gewoon contraproductief zou worden als een potentiële revolutionaire kracht, heeft onze samenleving enorm veel beloften nodig. De hoop op een betere, schonere, slimmere en rechtvaardigere wereld verhult of compenseert de angst die wordt veroorzaakt door reëele of ingebeelde gevaren. Deze laatsten zijn die gevaren die dreigen omdat ze al eens eerder hebben toegeslagen: zoals de angst voor een tweede 9/11 omwille van de herinnering aan de eerste. Dat is wat Brian Massumi de ‘future-past’ noemt.

BC: Ja, we zijn enthousiast over de implicaties van een mogelijke gigantische paradigmaverschuiving in de wereldeconomie, wanneer olie en gas vervangen zouden worden door een energiesysteem op waterbrandstofcellen. De feiten leken wel gemaakt om ons een euforisch gevoel te geven:

• Waterstof is er in overvloed, je vindt het overal, het raakt nooit uitgeput. Bovendien is het schoon: het bevat geen roetdeeltjes en stoot geen kooldioxide uit.

• Een huwelijk tussen waterstof en hernieuwbare energiebronnen zou het concept groene’ energie meer kans op slagen geven, aangezien waterstof kan fungeren als een opslagmiddel (vloeibare brandstof) voor zonne-, wind- en waterenergie.

• Met hernieuwbare energie kan uit zuurstof waterstof worden gewonnen, zodat de waterbrandstofcellen meteen in elektriciteit omgezet worden. De enige uitstoot is water en een beetje hitte.

• Dankzij waterbrandstofcellen kan iedereen voorzien worden van een draagbaar micro-energiesysteem. Door de energie te produceren die je nodig hebt en wat over is terug te verkopen aan het elektriciteitsnet, word je zelf producent, verkoper en verbruiker. Deze overgang van passieve energieverbruiker naar zelfstandige energieproducent gaat hand in hand met ontwikkelingen op vlak van interactieve media, peer-to-peer file sharing en zelforganisatie. Door plaatselijke micro-energiecentrales bij de eindgebruikers te plaatsen, wordt het energie-net gedecentraliseerd in een wereldwijd waterstofenergienet. (HEW: Hydrogen Energy Web).

• De olieproductiepiek is in zicht, terwijl de nood aan energie in China en India heel snel stijgt: binnenkort worden we gedwongen om een alternatief energiesysteem te ontwikkelen. Waterstof belooft ons ‘eeuwige brandstof. Het enige wat ons lijkt te weerhouden zijn het prijskaartje en de angst om belangengroepen op de tenen te trappen.

Wat kan je besluiten uit het pleidooi voor waterstof? Dat als er geen economische noodzaak is, waterstof niet van belang is.

Of is er politieke wil nodig om de kans te grijpen zelfstandige energieproducenten te worden, zoals met de flexibele werkvoorwaarden waar we als freelance werknemers in het kapitalistische systeem voor vechten?

Moeten we er nu aan beginnen, vooraleer energiemaatschappijen het monopolie over waterstof in handen krijgen? Ofschoon het daar waarschijnlijk al te laat voor is.

Hoe dringend die vragen ook lijken, voor ons voldeden ze niet om Voor de goede zaak te pleiten’, (‘komaan iedereen, koop de belofte van waterstof!)

Het is interessant om vast te stellen dat macht in een samenleving zich niet meer overal en altijd van ideologie bedient, en ideologie ook niet meer altijd dwingt tot mobilisatie. We zien theater niet als een plek voor politiek activisme. We zouden dan aan politiek doen door eigenlijk helemaal niet aan politiek te doen: we zouden didactisch ons streefdoel verdedigen en theater jammerlijk reduceren tot een sociale in plaats van artistieke praktijk. Dat in geen geval. Weetjes over waterstof vind je overal beter dan op de scène. Bovendien moet je, jammer genoeg, al heel goed op de hoogte zijn – een medeplichtige – om het politiek utopische potentieel van waterstof te zien. Dus ‘mensen bewust maken van het probleem en een oplossing voorstellen’ is niet de noodzaak, de missie of zelfs gewoon het idee van waterstof als thema achter het project. Eigenlijk werkt het theater dat ons interesseert niet met teleologische categorieën, noodzaak en innerlijke dwang. We zouden dat te moeilijk vinden, onmogelijk om het eens te raken over een doel, niet alleen omdat we niet dezelfde ideologische visie delen, maar ook omdat we de voorstelling met tegenzin zouden vastleggen, zouden reduceren tot een reden, een betekenis die ze zou moeten hebben.

*N.B. Dat ik deze tekst in de ‘wij-vorm’ schrijf, is een beetje geforceerd, maar deze ‘wij’ weerspiegelt wel de manier waarop we werken aan KNOWH2OW. We identificeren ons niet met elkaar op basis van intentie of gelijkenissen, ‘we’ komt voort uit de relatie tot ‘het’ – de voorstelling. Het object dat handelt alsof het een subject is, een derde partij. En nu wil ik graag verdergaan met het eigenlijke onderwerp van deze tekst. Wat hierboven stond was niet meer dan een inleiding om komaf maken met de verwachting dat de voorstelling over waterstof gaat, terwijl waterstof voor ons enkel een stimulans is.

Wat overblijft van het thema waterstof is iets als een tekstueel dérive, een doelloze wandeling die zich ontplooit volgens het idee van het moment, maar die ons eigenlijk opnieuw doet kijken naar het alledaagse: naar de voorwaarden, vormen, noties van ons functioneren. Waterstof houdt de belofte in van economische onafhankelijkheid, en een belofte behelst de performatieve logica van de hedendaagse subjectiviteit. Waarom? Omdat een belofte een manier van zijn, denken, voelen en handelen is, die mijn mogelijkheden projecteert in de toekomst, en mij onmiddellijk bevrijdt van waarheidsaanspraken en de verantwoordelijkheid van een stabiele positie. Ik kan hier zijn maar tegelijkertijd ook ergens anders: voor de TV, aan de telefoon, aan het e-mailen, ergens tussen mijn projecten door aan het racen. En het is niet enkel de mediarealiteit die de beweging tussen hier en daar forceert, het gaat niet over heen en weer slingeren tussen plaats en verplaatsing. Het is een heel gamma aan emotionele tonaliteiten die de veelheid (multitude) van vandaag binnendringen in de vorm van beloftes, en wat ik bedoel met ‘multitude’ (veelheid) in plaats van ‘people’ (volk) is een heterogeen samengaan van singuliere elementen: onze nieuwsgierigheid, ons opportunisme, ons ‘we weten het beter’ cynisme, maar vooral, onze behoefte om onszelf eindeloos te laten verlangen, dat wil zeggen, niet gedwarsboomd door het onmiddellijke gebrek aan vervulling.

Zelfs al hou je niet van mij op dit moment, zeg toch iets liefs tegen me en ik zal de hoorn op de haak leggen met het gevoel dat ik verder kan.

Teken nu, betaal later.

Wees niet bang, er zal voor jou gezorgd worden.

We hebben geen tijd dus we moeten tijd kopen, we kopen tijd wanneer we weten wat we in de toekomst zullen doen, zelfs al doen we morgen niet wat we vandaag zeggen dat we zullen doen.

Het voelt een stuk lichter als je de verwerkelijking van de belofte kan uitstellen.

JR: KNOWH2OW spreekt over mobiliteit, potentialiteit, verschillen, breekbaarheid. Niet alleen op het niveau van de gesproken tekst, maar ook op acteervlak. We proberen op zo’n manier te performen dat alle elementen als ruimte, tijd, lichamen, personages, situaties, dynamiek, verbeelding in- en uitwisselbaar worden en aanwezig (of toch potentieel aanwezig) zijn op hetzelfde moment. Wanneer we spelen proberen we te vermijden één ding te zijn; één personage, of één situatie, of één bepaalde sfeer, of één abstractie. We proberen iedere representatie te vermijden. Een representatie is altijd een vastgelegd of een statisch beeld in relatie tot wat het probeert voor te stellen. We proberen twee of drie of meer van deze elementen op hetzelfde moment te zijn. We proberen onze aanwezigheid op het speelvlak in beweging te houden. We proberen het in zo’n toestand te houden waarin hel de mogelijkheid heeft te verschuiven naar een heleboel andere combinaties van die elementen hierboven. Waarom is deze instabiliteit zo belangrijk, dat eeuwige schuiven? Omdat we denken dat het een noodzakelijke voorwaarde is om verschil te aanvaarden, en anders-zijn, en je posities te herdenken.

BC: Mogelijkheden worden potentialiteiten, iets dat niet aanwezig is, niet echt, iets wat datgene wat je je als mogelijk voorstelt te boven gaat. Omdat we geloven dat datgene waar mensen toe in staat zijn verder gaat dan de middelen die ze structureel krijgen om zichzelf (en hun werk-zelf) te realiseren.

Door de positieve drive die achter belofte schuilgaat, ben ik wat afgeweken en heb ik belofte tot nu toe eerder opgehemeld. Maar die houding ga ik toch niet counteren met een kritisch oordeel. Kritisch denken zou de belofte objectiveren door er een moralistische ondertoon aan toe te voegen, waardoor de belofte alle contact zou verliezen met andere flexibele aspecten van het subject waarvan de actie de belofte (tot actie) is. Eén van deze aspecten is net dat ik niet kan ontsnappen aan de cultuur van beloften, ik ben zowel betrokken bij de beloften van anderen – waterstof is hier een opvallend voorbeeld van – als bij hoe ik probeer te handelen op eigen houtje, voor ik de keuze van iemand anders word. De hedendaagse conditie van mijn subjectiviteit is een vage, vrije, onbesliste affectiviteit: het onbeheerste vermogen om te beïnvloeden en beïnvloed te worden. Affectiviteit is geen psychologische categorie, maar de reële voorwaarde van onze informatie- en beeldgebaseerde kapitalistische cultuur. Het is de intensiteit die niet meer afhangt van de inhoud, maar wel van de presentatie die een toestand van spanning creëert. Of liever nog, het is de intensiteit die afhangt van het gebrek aan samenhang tussen inhoud en presentatie. Dit is het punt waarop het belang om deze voorstelling te maken aan substantie wint.

Teksten ontstonden terwijl we ze onderling opvoerden voor elkaar. We waren daarbij niet altijd zeker over wat we wilden communiceren en hoe het gebracht moest worden. We vertrouwden erop dat onze conversaties en discussies -alle informatie en alle schijnvertoningen die we elkaar toonden- een veelvoud aan ingangen en toegangswegen zouden genereren, een structuur op meerdere niveaus met verschillende logica’s en tijdelijke organisaties, die echter wel met elkaar resoneren en dezelfde noties op uiteenlopende manieren herhalen. Een voorbeeld. De logica van belofte komt vaak voort uit de notie van vrijheid, als een semantische wolk boven de verschillende manieren waarop verschillende genres en tekstvormen werken: een beschrijving van een filmscène waarin een filmregisseur probeert zijn ideeën te meten aan de vrijgevochten geniale geest van Einstein, met als enige resultaat een erectie; een spel van grenzen en drempels waarin een experimentele pornofilm activist zijn zondige principes opgeeft om helemaal iemand anders te worden; een losbandige droom over een liefdesvlucht naar een Perzisch Utopia; een christelijke New Age preek over de emanciperende kracht van suggestie, over zelfempowerment….

JR: Het is moeilijk om je ver te houden van één al te duidelijke betekenis of positie. We slagen daarin door ons voor te stellen dat we in vele verschillende, wat wij noemen, films zitten. Als we ervoor zouden kiezen om in één film te spelen, zou de mobiliteit, of beter de potentie van mobiliteit en verandering, van wat mogelijk zou kunnen zijn, maar waar we nooit geraken, erg klem blijven. Dus probeert ieder van ons aanwezig te zijn, tegelijkertijd, op drie niveaus van deze ‘films’: we erkennen dat we op een podium staan in een theater voor een publiek, maar tegelijkertijd kadreert ieder van ons de anderen in een persoonlijke film (waar die anderen niks van hoeven te weten), óf weten we dat we alle vier in dezelfde film zitten, een film die we ooit samen bekeken hebben. Deze films zijn constant, maar nagenoeg onmerkbaar, aan het verschuiven en het veranderen.

BC: Deze situaties bij naam noemen, laat niet echt zien hoe ze waargenomen of geïnterpreteerd worden, omdat de gewaarwording van de affectieve kracht die ze stuk voor stuk hebben, voortkomt uit hun innerlijke differentiatie: is het een lezing of een spel dat gespeeld of verteld wordt, of een waar verhaal doorspekt met fictie, een filmscène, een letterlijke monoloog of de uitvoering van een sociaal ritueel? Waar zijn de subjecten die spreken (de ik’ken en de wij’en) en tegen wie gesproken wordt (de jijen), terwijl de performers met elkaar en met het publiek in interactie gaan? Hier zijn op zijn minst twee bewegingen gaande die ambiguïteit veroorzaken: de actuele situatie van de voorstelling -de functionele begrenzing van de performers, toeschouwers, podiumruimte en tijd van de gebeurtenis- en alles wat virtueel ontstaat door fictie of door interferentie van het filmmedium. Nog voor het gedacht wordt, laat de potentie zich voelen doorheen het ontstaan van een of meerdere contexten die zichzelf nooit volledig verwezenlijken. Niet alleen omdat het juiste decor ontbreekt (achtergrond en rekwisieten of een filmkader), maar omdat een dialoog op zo’n manier geacteerd wordt dat die zou kunnen toebehoren aan twee verschillende films in een split screen montage en tegelijkertijd helemaal deel uitmaakt van de theatervoorstelling. Het blijft onduidelijk, onherkenbaar, maar dat is niet de basis voor potentialiteit. Een dergelijke dialoog bestaat immers niet echt in en voor zichzelf. Waar het wel om gaat is wat het wordt in verhouding tot wat eraan vooraf gaat en wat erop volgt.

Terwijl we onze taal in de voorstelling in een nieuwe vorm goten, ontmantelden we de blokstructuur in verschillende domeinen, gedifferentieerd op basis van een pakket aan mogelijke realiteiten. In elk domein krijgt een vorm of structuur gestalte, maar van zodra dit domein verschuift onder invloed van andere domeinen waarmee het in spanning staat, lost die vorm zich onmiddellijk weer op. Een virtuele impuls wordt doorgegeven van de ene actualisatie naar de andere en tussen hen in transformeren ook de effecten van de ene zintuiglijke modus in die van een andere. Door vlak en luid ideologische statements te verkondigen wordt de ervaring van een alledaagse discussie over waterstof beïnvloed. Ideologie lijkt eruit verdwenen te zijn, of is verborgen. Tekst en scène herbekijken vanuit het idee dat de huid sneller is dan het woord, de gewaarwording sneller dan de gedachte, bracht ons ertoe te experimenteren met de relatie tussen tekstualiteit en performativiteit, middelen en doeleinden. Tot voor kort leek het niet alleen noodzakelijk maar ook voldoende om op het theaterpodium de tekstvorm in zijn geheel te destabiliseren en theatraliteit af te wijzen als ‘de zonde van representatie’. Nu wordt de vraag of het theatermedium in staat is om een verbinding aan te gaan met onze dagelijkse realiteit – met hedendaagse levensvormen – belangrijker dan de deconstructieve teloorgang van ‘toeschouwerschap’ in de geest van: ‘we weten dat jullie weten dat wij naar jullie kijken.’ Deze verschuiving in focus en houding hebben we waarschijnlijk te danken aan het besef dat de inhoud van wat daar gebeurt in de wereld belangrijker is dan formele variaties op de matrix van menselijk drama en dat de conventionele wijsheid van theater hier niet mee om kan. Wanneer je ziet hoe andere media zoals film, geluidskunst, net art en open source hedendaagse levensvormen produceren en controleren, is theater ouderwets. Met KNOWH2OW wilden we de cynische aanvaarding van het onvermogen van theater achter ons laten. We proberen er een plek van te maken waar het gaat om de manieren waarop we nu denken, voelen en handelen – en tegelijkertijd ook NIET handelen, de manieren die niet aan bod komen – om zo vorm te geven aan een andere verdeling van wat waarneembaar is binnen theater.

Vertaling Stien Michiels en Elke Van Campenhout

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

#102

15.06.2006

14.09.2006

Bojana Cvejić, Jan Ritsema

Bojana Cvejić is performancekunstenares, dramaturge en theoretica. Ze is doctor in de filosofie en publiceerde verscheidene boeken, waaronder Choreographing Problems (Palgrave, 2015). Cvejić doceert aan P.A.R.T.S. sinds 2002 en is Associate Professor of Dance Theory aan de KHIO Oslo Academy of the Arts.