Lullabye – Anneleen Keppens
Wie zorgt er voor wie zorgt?
Tom Rummens
© Stef Lernous
Steeds meer theatermakers kijken over de generatiekloof heen en werken samen met collega’s die hun ouder of kind konden zijn. Waarin schuilt de aantrekking van die intergenerationele dialoog? Maja Westerveld (35) schrijft over hoe ze onder de vleugels van Abattoir Fermé vanuit een gedeelde ‘stronteigenwijze’ houding haar eigen signatuur vindt.
‘Kies ervoor om goed te worden in wat je graag doet. Zorg ervoor dat mensen je werk gaan herkennen als werk van Maja. Ontwikkel je eigen signatuur, bouw je eigen circuit, verzamel je eigen publiek. Alles wat van en over jou verschijnt vertrekt vanuit jou, niet vanuit ons. We gaan je opleiden, maar we gaan je niet hypen. Het is jouw taak om te groeien. Misschien als regisseur, misschien als schrijver, misschien als speler. En falen mag. Als je hard werkt, mag je falen.’
Dat is de afspraak met Abattoir Fermé.
Ik weet de ballen van het rollen van sushi, maar ik weet dit: als je in Japan bij de top van de sushichefs wil horen, dan ga je in de leer bij een meester. Een van die meesters is de stokoude Jiro. Hij heeft zijn minirestaurantje in een ondergronds metrostation, ergens in de krochten van het razend drukke Tokio. Terwijl buiten de wanorde in ijltempo voortdendert, heerst in zijn restaurant perfectie. Hij vraagt het uiterste van zichzelf en van zijn leerlingen, die al hun energie steken in het bereiden van een perfect stukje ei.
Ik heb dat gezien in een van de vele documentaires die ik bij Abattoir Fermé door mijn strot krijg geduwd. Films, series, boeken, goochelshows, revues, expo’s, schilderijen, foto’s, masterclasses en veel muziek. Onder het genot van sterke koffie absorbeer ik tot diep in de nacht de meest uiteenlopende universa.
Zolang ik me kan herinneren heb ik een flinke weerstand tegen autoriteit. Ik hou het nooit langer dan de proefperiode vol om voor een baas te werken. Ik leerde eerder banden plakken dan tafelmanieren want ik hou er niet van om aan een plek gebonden te zijn, en vanaf het eerste kleuterjaar leef ik in de stellige overtuiging dat ik beter weet hoe de wereld in elkaar steekt dan die mensen voor de klas. Het idee van de meester en de protegé ligt niet in de lijn der verwachting.
‘Je moet je bek houden’, zeg ik tijdens mijn stage bij Abattoir Fermé nadat ik commentaar krijg op de manier waarop ik tijdens een repetitie het licht heb gedraaid. Niet veel later komt de vraag of ik, na m’n afstuderen, in de praktijk als jonge maker opgeleid wil worden binnen het gezelschap. ‘Dit kennen we nu wel’, krijg ik als feedback op een eerste versie van een nieuwe tekst. En op de volgende versie: ‘Wat is er veranderd?’ En dan: ‘Wat wil je nou eigenlijk vertellen?’ En: ‘Je moet doorwerken, maak wat je te maken hebt.’ ‘Maak wat je te maken hebt’ is het belangrijkste advies dat ik bij Abattoir ooit kreeg. De lat ligt hoog, maar zachte heelmeesters maken stinkende wonden en dat devies wordt met veel liefde in praktijk gebracht. Stomend van ongerichte frustratie en zwelgend in existentiële twijfel stamp ik naar huis. Onderweg trap ik tegen vuilnisbakken. Als ludieke tegenreactie overweeg ik om te gaan blowen in het park, maar daar ben ik te oud voor en dus hijs ik me weer aan de schrijftafel. Het is juist dat stronteigenwijze waarin wij elkaar vinden en dat levert een hechte vriendschap en soms knallende ruzie op.
Dat, en Annie de Musical. Daarin vinden wij elkaar ook. Maar alleen in de echte, die uit 1982. We koesteren de wens om daar in te kunnen. In dat universum. Als kind willen we borden gooien met de weesmeisjes, als volwassene willen we virtuoze dansjes dansen op de trap met Miss Hannigan. Vervolgens krijg ik alle films van de regisseur van Annie, John Huston, van Wise Blood tot Under the Volcano, gevolgd door de boeken van O’Connor en Lowry waarop de films gebaseerd zijn. Dan via hoofdrolspeler Albert Finney de film The Dresser en Breakfast of Champions en het boek van Vonnegut waar dat dan weer op gebaseerd is. Ann Reinking, de gouvernante van Annie, is de erfgename van Bob Fosses dansstijl dus ik zie All That Jazz, Lenny en Pippin. Die dansstijl vindt zijn origine in acts van onder andere The Nicholas Brothers, en dan zit ik in Stormy Weather uit 1943 en dan in King of Jazz uit 1930 en daarna in de eerste Vitaphone-filmpjes uit de jaren 20.
Wij vinden elkaar in Annie M.G. Schmidt en Drs P. In Eartha Kitt, Atwood, Nabokov, Caryl Churchill en in Topor. In Wölfli, Basquiat en Junji Ito. In The Walking Dead, Better Call Saul en Atlanta. In Pynchon, Amy Racecar, Tangerine Dream en de biografie van de petomaan. ‘Als je iets goed vindt moet je je erin vastbijten. Niet één film zien of één boek lezen, maar het hele oeuvre. De genealogie begrijpen, verwijzingen opzoeken, de tijdgeest snappen. Je moet dat niet intellectueel analyseren, je moet je fascinatie uitdiepen. Als je alleen het effect kopieert, wordt het leeg. Er lopen al genoeg lege kopieën rond. Word geen lege kopie.’
“Met vuile vingers van de oude dvd-hoesjes
of aan plakkerige tafels luisteren we naar muziek
en praten we over films.”
Stef en ik zijn elkaars klankbord. We spreken ergens af, meestal op een ongezellige plek want de omgeving beïnvloedt het denken: Lunch Garden, McDonalds, een wegrestaurant of een kaalgeplukte dvd-winkel met schimmel aan het plafond en een restpartij in de uitverkoop. Met vuile vingers van de oude dvd-hoesjes of aan plakkerige tafels luisteren we naar muziek en praten we over films. Als opwarming, want de echte ideeën komen pas wanneer je autorijdt, of boodschappen doet of de planten water geeft.
Als je als pas afgestudeerde maker een gezelschap binnenstapt, stap je binnen in een geoliede, solide, perfect op elkaar ingespeelde ploeg. Iedereen is aan elkaar gewaagd, iedereen heeft hetzelfde doel voor ogen en iedereen heeft twintig jaar meer ervaring dan jezelf. De ernst en het gemak waarmee het gezelschap zich in het medium theater handhaaft is imposant. Elke verovering die ik al zwoegend in een repetitieproces maak, is voor hen allang alledaags, en terwijl ik vlak voor een première wild van emotie alle kanten op stuiter, zijn zij bezig met waar we morgen gaan eten. Soms ben ik dat zat. Dan vlucht ik naar Rotterdam en wentel ik me in kampeerweekenden en paasbrunches. Tot ik dat zat ben. Dan snak ik naar maken en wil ik terug. Tot ik dat zat ben en dan wil ik weer terug, tot ik dat zat ben en dan wil ik weer terug.
We zijn zeven jaar verder. Ik heb een kortingskaart voor de trein, een rijbewijs en een eigen auto, maar dat excessieve vluchtgedrag voor alles wat ik nog niet kan, steekt nog maar zelden de kop op. Het medium theater blijft imposant, gelukkig, maar veel van de dagelijkse praktijk gaat inmiddels vanzelf. Ik bijt me vast in alles wat nog niet vanzelf gaat en ik kijk uit naar de toekomst. Naar waar ik over tien jaar wil staan. Groeien tussen mensen met ervaring is een cadeau. Het gaat gepaard met gefoeter, maar dat is inherent aan de lat hoog leggen. Daarin vinden wij elkaar. In dingen maken die we mooi vinden. De motor is plezier, de essentie is theater en die toewijding overstijgt generaties.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.