Marianne Van Kerkhoven

Leestijd 7 — 10 minuten

Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan

Aantekeningen bij het oud worden in de kunst

‘Niet het belang van ervaring moet in vraag gesteld worden, maar de manier waarop men met ervaring omgaat.’ Marianne Van Kerkhoven over het (dovemans)gesprek tussen de generaties.

1.

‘Het masker van de volwassene heet “ervaring”. Het is uitdrukkingloos, ondoorgrondelijk, altijd hetzelfde. Alles heeft deze volwassene al achter de rug: jeugd, idealen, hoop, de vrouwen. Het is allemaal een illusie (…).’Walter Benjamin, Ervaring in: Over kinderen, jeugd en opvoeding.

2.

In het gesprek omtrent/tussen generaties is er steeds weer die pijn, dat besef dat ervaring niet overdraagbaar is, dat elke generatie opnieuw met de kop tegen de muur moet lopen, dat jongeren alles zélf moet ondervinden, niet geloven wat ouderen – ‘die het al meegemaakt hebben’ – hen daarover vertellen. Wolokolamsker Chaussee V van Heiner Müller, DDR, begin jaren ’70: een vader die de nazikampen heeft meegemaakt en daarna in het communisme heeft geloofd staat tegenover zijn zoon/dochter die o.a. pamfletten uitdeelde tegen de Sovjetinval in Praag en niks van doen heeft met die waardeloze socialistische ideologie die ‘binnenkort verzuipt in de coca-cola’. Hoe kunnen die twee ervaringen in godsnaam samenkomen? Wat kan een gemeenschappelijk noemer zijn voor een wederzijds gesprek? Ervaring als rijkdom én als obstakel.

3.

‘Le sens ou le non-sens que revêt la vieillesse au sein d’une société met celle-ci tout entière en question puisque à travers elle se dévoile le sens ou le non-sens de toute la vie antérieure.’ Simone de Beauvoir, La vieillesse

4.

Wat doen we met ‘ouderen’ in onze maatschappij? Geven we hen een plaats in ons midden of laten we ze alleen achter op de wilde berg van Narayama? Toen ik twintig was fulmineerden wij tegen die ‘oude zakken’ die alle belangrijke maatschappelijke plekken bezet hielden. Nu ik de vijftig voorbij ben word ik vooral geconfronteerd met leeftijdgenoten die werkloos worden, uitgerangeerd. Oud betekent ‘out’. Een oud-mecanicien, een ex-buschauffeur, is geen mecanicien of buschauffeur meer; hij is niets. Mijn perspectief is uiteraard veranderd met ouder worden; maar toch kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de actuele maatschappelijke tendens er een is van ‘jong en nieuw’ – en dus economisch voordeliger -dan wel van ‘oud en ervaren’. Moet een maatschappij dan altijd voor de keuze gesteld worden of ze (cf. de Beauvoir) haar jongeren opoffert of haar ouderen laat vegeteren, beiden in miserabele omstandigheden?

En nog: wat is de waarde die deze maatschappij nog hecht aan ‘geschiedenis’?

5.

De hele schijthoop van de politiek, zegt Heiner Müller, komt voort uit de doodsangst van de politici die zichzelf zo belangrijk vinden of door de buitenwereld zo belangrijk gevonden worden, dat ze vóór alles ààn willen blijven en dus alles afremmen. ‘Für dieses Problem gibt es wirklich keine andere Lösung als die von Lenin vorgeschlagene: dass Politiker sich mit 50 umbringen müssen, um für die nächtsten Platz zu machen.’ ‘Tuer le chef avant que le déclin commence’? Geldt dat voor alle politici? Geldt dat ook voor alle kunstenaars of voor al diegenen in de kunstwereld werkzaam? Ook hier, lijkt mij, moet weer alles ‘geval per geval’ bekeken worden. Niet het vasthouden aan maatschappelijke schijn maar alleen de wezenlijke inhoud van de eigen praktijk kan hier als waardemeter gelden. Monteverdi componeerde zijn L’Incoronazione di Poppea toen hij 75 was; Verdi creëerde Otello op zijn 72ste en Falstaff op zijn 76ste; de Japanse auteur Yasushi Inoue schreef zijn momumentale roman over Confucius op zijn 82ste, twee jaar voor zijn dood, enz. Er zijn ongetwijfeld kunstenaars die op het einde van hun leven precies het beste van zichzelf kunnen geven.

6.

Niet het belang van ervaring moet in vraag gesteld worden, maar de manier waarop men met ervaring omgaat. ‘In de loop der jaren veel uitgeprobeerd hebben’ leidt tot een rijkdom in werkwijze, woordenschat, aanvoelen… in omgang met medewerkers ook. Vanuit dit grotere ‘gemak’ dreigt het gevaar voor een routineuze aanpak, voor het rijden op automatische piloot. Wie echter vragen blijft stellen zal merken dat de ervaring het werken wel rijker maar daarom niet makkelijker maakt. De twijfel moet zijn recht blijven opeisen.

7.

Heiner Müller: ‘Aber der Kopf gehört nicht ins Theater, denn dann macht man keine Erfahrung. Erfahrung kann man nur blind machen.’ Betekent ouder worden dat je je niet meer durft/kunt overgeven aan dat soort blindheid die je toelaat ervaring op te doen? Dat je te veel heb leren zien? Te veel je kop gebruikt en te weinig je gevoel, of beter nog: je intuïtie?

8.

Welke waarde hecht onze maatschappij nog aan de gestage opbouw van een oeuvre? De dwang om steeds met iets ‘nieuws’ voor de dag te komen, om voortdurend te scoren (de snelheid) heeft de hele organisatie van de kunstwereld aangetast. De podiumkunstensector is een culturele industrie geworden. In de jaren ’80 ging de producent op zoek naar geld, wanneer de kunstenaar iets wilde maken; ze waren samen onderweg. Vandaag zitten we in een subsidiesysteem (cf. o.a. de kunstencentra) waarin de producent het geld krijgt en kan beslissen wat gecreëerd kan worden. Vandaag willen producenten, organisatoren voor alles hun huis doen ‘draaien’. En de kunstenaars? Liggen zij aan de basis van deze tendens of worden zij verplicht de economische wetmatigheden te volgen? De veelheid van wat getoond moet/wil worden doet ‘de noodzaak van de creatie’ (en dat moet toch de inzet zijn?) vervagen. Kijken, bijwonen wordt consumeren. Niets duurt nog lang genoeg opdat het een eigenheid zou kunnen verwerven, een identiteit zou kunnen krijgen. Heimwee naar een kalm, bedachtzaam ritme, naar verdiepen i.p.v. vernieuwen. Moeten ‘veel’, ‘nieuw’, ‘snel’ enz. niet vervangen worden door ‘minder’, ‘trager’, ‘kleiner’, ‘dieper’, ‘scherper’…?

9.

Misschien is dat wel de essentie van het (op een zinnige manier) ouder worden, nl. dat je een groter verlangen ontwikkelt (is dit een heimwee?) naar wezenlijke dingen. Je wil uitpuren, verdiepen. Precies daarom wil je ook uit vorige perioden sommige dingen meenemen: je wil die niet achterlaten omdat ze nog steeds waarde voor je hebben. Wat is daar verkeerd aan? Dat die dingen vaak botsen met de huidige tijd? Een voorbeeld: de periode van het politieke theater in de jaren ’70 werd sterk gevoed door het marxistische erfgoed, maar begrippen als arbeidersklasse, klassenstrijd of vakbonden hebben ondertussen heel wat aan belang ingeboet; toch blijven andere criteria uit die periode – voor mij althans – wel aan de orde: het primaat van de praktijk over de theorie, het feit dat productievoorwaarden het product bepalen, het zoeken naar een geheel dat méér is dan de samenstellende delen, het hanteren van het begrip vervreemding, het inzicht in de sociale onrechtvaardigheid, het belang van de utopie, enz. Dat wil ik ook vandaag allemaal meenemen.

10.

Wat doe je met kunstenaars die wel met de tijd meegaan maar ook tégen de stroom in willen? met hen die actueel niet-gehonoreerde manieren van werken toepassen? met hen die trouw willen blijven aan hun principes – ik denk aan De Tijd, aan Maatschappij Discordia, enz. Ook al zijn zij nu op dit moment/voorlopig niet het artistieke ijkpunt waaraan iedereen refereert, wat doet dit af aan hun intrinsieke artistieke waarde? Dit soort van nuanceringen moeten wij – zeker in de kunstwereld -toch kunnen blijven maken? Dit soort van ‘achterhoede’ kan precies door de trouw die ze aan haar principes betuigt tegelijkertijd ook uitgroeien tot een ‘voorhoede’ tegenover het commerciële gewriemel of het grote scoren.

11.

En wat met onze eerbied voor wat iemand in een heel leven heeft meegemaakt en opgestapeld? Ook al leer je vooral uit wat je zelf doet, toch speelt de kennis verworven door voorgangers een rol in de oordelen die je ontwikkelt t.o.v. je eigen praktijk. Ook al functioneert kunst volgens ‘het steeds opnieuw’ van de jaargetijden, toch kunnen inzichten gecompileerd en doorgegeven worden. Ik herinner me nog hoe Leo Apostel in de Raad voor de Cultuur (die Raad voor de Cultuur zaliger, opgericht door minister De Wael) met handgeschreven teksten toekwam. Sinds Apostel op pensioen was had hij geen secretariaat meer dat zijn teksten kon uittikken. Waarom gaf deze maatschappij hem geen faciliteiten op dat vlak? Je houdt – zeker als filosoof – toch niet op met denken en doen omdat je de 65 hebt bereikt! Moet iemand als Jeanne Brabants, omdat zij die snelle weg van pen en papier naar pc en e-mail niet is gevolgd, haar stem verliezen? Er zijn heel wat stemmen van vroeger die gehoord zouden moeten blijven worden. Ook dichterbij gaan wij slordig om met ons erfgoed: wat doet de theatersector b.v. met de enorme kijkervaring van iemand als Wim Van Gansbeke? Gelukkig zijn er ook andere voorbeelden: op dit ogenblik ontsluit men via een samenwerking tussen de vrt en het vti het rijke archief van Annie De Clerck. En dan zijn er ook die exemplarische uitzonderingen van Dora van der Groen(werkzaam in het Antwerpse Conservatorium en geïntegreerd in Het Zuidelijk Toneel via Ivo Van Hove) of van Mudra-ritmeleraar Fernand Schirren(geïntegreerd in P.A.R.T.S. via Anne Teresa De Keersmaeker). Toch zijn er veel uit het gezichtsveld verdwenen theatermensen die nu stemloos blijven en waarover de sector zich zou moeten ontfermen.

12.

Ligt datgene wat oudere generaties van dit ogenblik in botsing brengt met de jongere niet in een andere beleving (én haar omkering) van idealisme en realisme? En wat is dan wel de meest vruchtbare verankering in dit leven: het zweven in idealisme van de 70’er jaren of het met de twee voeten op de grond staan van de jaren ’90? Wat brengt het meeste baat: een dromend idealisme of een nuchter realisme? In de podiumsector gaat de omkering van die houding (‘normaal’ zijn het de jongeren die zweven en de ouderen die met hun voeten in het slijk staan) opnieuw gepaard met een verandering in de verhouding tussen centrum en periferie. Daar waar in de jaren ’70-‘8o de jongeren een bewuste breuk maakten met het centrum, is vandaag de verbinding tussen periferie en centrum, die eerst een kloof, was opnieuw in een doorstroming veranderd: Rosas resideert in de Munt; Het Toneelhuis integreert ‘jonge’ groepen/makers als b.v. De Roovers; het Kaaitheater is opgeschoven naar het centrum, enz. Jongeren hebben – en gelukkig maar (voor hen) – opnieuw kansen verworven binnen de bestaande structuren. Dit wil ook zeggen dat de behoefte aan het creëren van nieuwe, eigen structuren niet zo groot is. Is dit positief of negatief? Ik zou het niet weten.

Zeker is dat ietwat oudere kunstenaars oog hebben voor de noden van hen die pas beginnen. In Gent alleen al – als voorbeeld – zie je de inspanningen van Victoria, Nieuwpoorttheater, Les Ballets C de la B, enz. Voor deze structuren blijft wel de vraag hoelang zij met deze jonge kunstenaars moeten doorgroeien, alvorens hen ‘prijs te geven’ aan de realiteit van een eigen zelfstandig leven.

13.

Wie kan er leven zonder hoop? Moeten we niet blijven geloven – en de artistieke praktijk geeft ons daarin gelijk – dat kunstenaars vandaag nog steeds adequate beschrijvers zijn van wat er in de werkelijkheid aan de gang is? Ook al is de ‘kunstpositie’ een ‘luxepositie’ in onze maatschappij, ze blijft essentieel om duidelijk te maken dat er naast overleven ook een ‘leven’ bestaat, een zich vullen met inhoud, een genot, een geestelijke genoegdoening die de platte dagelijksheid overstijgt.

14.

Kunst, zegt Heiner Müller, is een communicatie met de doden. De mens is immers het enige dier dat weet dat het moet sterven. ‘Was man braucht ist Zukunft und nicht die Ewigkeit des Augenblicks. Man muss die Toten ausgraben, wieder und wieder, denn nur aus ihnen kann man Zukunft beziehen.’

 

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#67

15.03.1999

14.06.1999

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).

artikel