© Pieter Dumoulin

Leestijd 5 — 8 minuten

Operette – Toneelhuis & Timeau De Keyser/tibaldus

De kwetsbaarheid van de naakte mens zonder vormen

Met Operette rondt collectief tibaldus zijn trilogie af rond de Poolse schrijver Witold Gombrowicz, voor regisseur Timeau De Keyser is het de afronding van zijn P.U.L.S.-traject bij het Antwerpse Toneelhuis. Het duurt even voor de voorstelling haar geheimen blootgeeft, maar aan het eind doet tibaldus’ werk Gombrowicz’ uitdaging alle eer aan. Die uitdaging bestaat erin dat we, al was het maar voor de duur van een korte entr’acte, manmoedig standhouden in een wereld zonder vaste vormen of identiteiten. En dat we de existentiële chaos die dat impliceert heel even in de ogen kijken.

Het is even doorbijten, dat eerste bedrijf. De inhoud is een banaal plotje, een kapstok om Gombrowicz’ dragende metafoor goed te installeren: de gedachte dat menselijke verhoudingen bepaald worden door uiterlijke schijn, of platter gezegd: dat de kleren de man maken – letterlijk dan. Kleding, gekleed, aangekleed of bekleed worden (met waardigheid) staat centraal in deze ‘komedie’. In de hofhouding op slot Himalay tuimelen de oppervlakkige, inhoudsloze figuren door elkaar, enkel rechtgehouden door hun rol, te lezen als hun kledij: een vorstelijke aankleding maakt immers zelfs van een dwaas een vorst. Zou Gombrowicz de Franse socioloog Pierre Bourdieu hebben gekend? Diens idee van ‘habitus’ (het geheel van gedrag, voorkomen, gewoontes, …) als klasse-onderscheidende factor wordt door de toneelschrijver haast woordelijk ingezet. De hogere klasse wil zich distantiëren van de lagere door zijn kledij – ook al geeft de prinses (Hans Mortelmans) zelf later blijk van nogal aards inzicht over de anatomische gelijkheid van ieders kont. Misschien is zo’n rollensysteem oneerlijk, maar het schept wel maatschappelijke helderheid: “Een plaats voor iedereen en iedereen op zijn plaats.”

De mode is de tijd, de mode is de geschiedenis. Wat zal de toekomstige mode brengen? Evolutie, of… revolutie?

Graaf Agenor (Marjan De Schutter) wil een eenvoudig volksmeisje versieren, daarin bekampt door baron Firulet (Hendrik Van Doorn). Intussen krijgt het hof bezoek van meester Flor (Ferre Marnef), de ‘meester van de mode’. Flor is de bewaker van de gevestigde orde, want als modemeester schept hij niet alleen kleren, maar met die kleren symboliseert hij ook de bestaande of eventueel nieuwe sociale verhoudingen. Het opmerkelijke is dat de aristocratische klasse wel degelijk voelt dat er verandering op til is: er wordt een ‘teveel’ gesignaleerd, er lijkt een ‘indigestie’ in de lucht te hangen. Aan meester Flor om die nakende verandering vorm te geven, om een nieuwe mode te creëren, te lezen als een modernisering van de samenleving, liefst zonder al te veel van de oude verstandhoudingen af te doen. De mode is de tijd, de mode is de geschiedenis. Wat zal de toekomstige mode brengen? Evolutie, of… revolutie?

De reden dat dit eerste bedrijf zo lijkt te slepen (en bij momenten zelfs een beetje saai wordt) is dat tibaldus veel minder de kaart trekt van de extreem fysieke, muzikale en abstraherende speelhouding die voorgangers Yvonne, prinses van Bourgondië  (2016) en Het Huwelijk (2018) zo bepaalde. Niet dat Operette geen sporen meer vertoont van deze aanpak (de samenzang, het spel met klanken, sommige bewegingsvormen of vormen van gestiek) maar al bij al is het spel veel minder geritualiseerd. Hele passages zouden zelfs kunnen  doorgaan voor ‘gewoon’ teksttoneel  – en onder die vorm is het niet het meest gepassioneerd gespeelde teksttoneel. Achteraf gezien lijkt dat banale element inhoudelijk wel te sporen, enerzijds met de gekozen vorm van de operette (dat veel minder verheven thema’s tackelde dan grote broer de opera) maar ook bij de status quo die Gombrowicz in dit eerste bedrijf voorstelt: de dingen zijn wat ze zijn, omdat ze lijken wat ze zijn. De vormen houden stand en ze houden alles in stand. Maar toch. Een voorstelling mag niet samenvallen met wat ze voorstelt – ook een voorstelling over de saaiheid moet blijven boeien, en daar slaagt dit eerste bedrijf nauwelijks in.

Gelukkig wordt die status quo vanaf het tweede bedrijf grondig opgeschud. Daar waren achteraf gezien wel al voortekenen voor: de figuur van de chronisch brakende professor (Lieselotte De Keyzer) bijvoorbeeld, die een diepgewortelde weerzin tegen alles en iedereen belichaamt. En natuurlijk het volksmeisje Albertinette (Sophia Bauer), die van bij het begin een subversieve rol speelt. “Naakt” is het eerste en bijna ook het enige woord dat ze spreekt, voor de rest lijkt ze zich volstrekt aan het sociale spel te onttrekken. Meer nog: ze valt er geregeld van in slaap. Albertinette doet sterk denken aan Yvonne, die juist door haar totale passiviteit uiteindelijk een enorme macht uitoefende over het hof. Als leeg projectiescherm weerkaatste ze voortdurend de waarheid over de anderen, iets wat haar uiteindelijk haar leven kostte. Ook het verlangen naar naaktheid van Albertinette is een ondraaglijke aanval op het systeem. “Naaktheid heeft iets demagogisch”, zo stelt de prins in een helder moment. Het valt te lezen als een verlangen naar authenticiteit, naar een ‘echtheid’ van het eigen ik. Maar is die ooit te bereiken?

Intussen zet de intrigant graaf Hoefnagel (Dounia Mahammed), een revolutionair die de aristocratie ten val wil brengen ten voordele van het proletariaat, het geplande bal naar zijn hand. Hij doet dat samen met de professor, die eigenlijk blijkt te blaken en braken van bourgeois-zelfhaat. Hoefnagel overtuigt Flor ervan een modeshow te organiseren waarbij iedereen zijn zelf ontworpen kostuum draagt maar dat aanvankelijk verborgen laat onder een juten zak. Zo geschiedt, en dan gaat het plots snel: het bal wordt een kantelpunt in de tijd, de ineenstorting van het aristocratische systeem. Onder de zakken van de genodigden schuilen legerlaarzen en gevechtsuniformen. Nieuwe kostuums voor een nieuwe tijd van oorlog, fascisme en proletarische revolutie. De toekomstige mode, die de prins en prinses zo nieuwsgierig maakten, behelst hun eigen vernietiging. Gedaan ook nu met de wat gezapige bourgeois-grapjes en de aanminnige gezangen. Vanaf het tweede bedrijf slaat tibaldus’ luchtige operette om in een nogal expressionistisch canvas met een bloedrode kleur – zelfs de taal brokkelt af. De vormen vallen uiteen op een manier die iets blootlegt van de gapende, existentiële leegte eronder. Gedurende een aantal scènes kijken we in de afgrond: die van het individu (dat geen vaste kern heeft) maar ook van de geschiedenis (als opeenstapeling van blinde gebeurtenissen die geen richting kennen). Hier bereikt Operette zijn eigen kern: er wordt iets blootgelegd over de kwetsbaarheid van de naakte mens zonder vormen. En dat is spannend.

Het derde bedrijf brengt het herstel van, of minstens een hommage aan de vormen, omdat de mens niet (lang) in staat blijkt om zonder te leven. In de ruïnes van slot Himalay waren de beklagenswaardige restanten rond van de oude aristocratische glorie. Ze verkleden zichzelf als lampekap of tafel om aan de vervolging door de proletarische horden te ontsnappen. “De kleding is krankzinnig geworden”, stelt meester Flor vast, wanneer hij flarden van zijn oude gezelschap terugvindt. Gestript van de symbolen die hun identiteit bekrachtigden zijn ze niemand meer, voelen ze niets meer, zoals Flor het verwoordt. Terugkeren tot ‘zichzelf’ (de oude vormen) kan niet meer, zelfs de taal is nu onherroepelijk uiteengebarsten. En van de naaktheid, in de persoon van Albertinette, is geen spoor meer. Zij verdween tijdens het bewuste bal, en sindsdien zoeken Agenor en Firulet, rondrijdend met een doodskist, haar naakte lichaam. “Ik begrijp niets meer van deze dwaze komedie’, roept Flor uit.

Aan het theater is geen ontsnapping mogelijk.

Het is de cue voor een nieuw begin. Langzaam laat tibaldus de operette terug binnensluipen in de existentiële tragedie – alsof de gelederen worden gesloten, en  Gombrowicz’ personages maar ook regisseur Timeau De Keyser heeft besloten dat het welletjes is geweest met de ontmaskering van schone schijn, met de deconstructie van het ik. Aan het theater is geen ontsnapping mogelijk. De spelers ontkleden zich tot op hun ondergoed, maar zelfs quasi-naakt blijven ze bekleed met hun rol – ze hebben geen keuze dan te spelen. Een deus ex machina en een uptempo samenzang in majeur laten Operette eindigen met een heuse musicaltwist, waardoor tibaldus niet alleen de tekst, maar ook het genre van de operette naar zijn hedendaagse variant trekt. Het is duidelijk: we zullen nooit zonder vorm zijn: niet de mens, niet de geschiedenis, niet de kunst.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#166

01.12.2021

14.03.2022

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!