Robert Steijn

Leestijd 4 — 7 minuten

Op de top van de citadel

over Alex Van Royen

Voor de goede orde, mijn kennis over de Vlaamse toneelgeschiedenis is uitermate beperkt en ik heb Alex Van Royen nooit zien spelen. Eerlijk gezegd, ik had nog nooit van die man gehoord, ook al heeft hij enige tijd in Nederland gespeeld, bij o.a. Ensemble en de Nederlandse Comedie. Kortom, elk boek dat zo’n blinde vlek weet op te lossen is mij welkom, dus zeker de pas uitgegeven monografie rond de persoon Alex Van Royen.

Het leeuwenaandeel van diens portrettering neemt Carlos Tindemans voor zijn rekening, met veel details over de rollen die Van Royen in de loop der tijd heeft neergezet. Beginnend bij de jaarlijkse theaterprodukties op het Sint Jozefscollege te Herentals en de persoonlijke scholing in voordrachtkunst bij Ast Fonteyne aan het Koninklijk Conservatorium te Gent – hij bleef voor alles een talig acteur – volgen we van Royens grillige loopbaan in het theater. Eerst vooral bij het prestigieuze Nederlandse Kamer Toneel te Antwerpen, dan vooral in Nederland in produkties als My Fair Lady, waar hij de rol van Professor Higgins vertolkte en Vrijdag, waarin hij Fons Rademakers verving in de rol van Georges.

Voor Van Royen zelf is een duidelijke mijlpaal in zijn artistieke loopbaan de rol van de Geest van Tantalus in het door Hugo Claus geschreven en geregisseerde Thyestes (bij Toneel Vandaag in 1966). Tindemans : “In de lompenverpakking van een Michelindwerg was Lex (Alex Van Royen, r.s.) geen holderdebolder kobold. Hij was een nog-niet-voltooid, mensachtig verzinsel dat, schrijdend en wippend, cirkelend en schokkend, klanken martelde, syllabes rekte en inkromp, grammatikale afspraakjes als een pretentieuze samenzwering mishandelde.” Later zou hij zijn leerlingen op het HRITCS menigmaal het bodeverhaal uit Thyestes laten instuderen : “Op de top van de citadel – de titel die aan deze monografie is verleend – is er een gedeelte van het paleis dat naar het zuiden is gericht… Na deze produktie nam Van Royen het initiatief om samen met Hugo Claus en Carlos Tindemans een plan op te stellen ter verbetering van het Vlaamse theater, het zogeheten T68-manifest. Dat dit plan door alle politici en de meeste recensenten niet serieus is genomen, verklaart wellicht het abrupte afscheid van de theaterpraktijk en de even plotselinge ommezwaai naar de theaterwetenschap.

Echt duidelijk wordt dat niet, zoals de beweegredenen achter bijna alle belangrijke koerswijzigingen in zijn leven in de nevelen gehuld blijven. Tindemans is het meest adequaat in het analyseren van de verschillende vertolkingen; hij gaat nauwelijks in op de persoonlijke motivaties daarachter. Als we Van Royen toch enigszins leren kennen, dan is dat vooral door de beschrijvingen van de rollen die volgens Tindemans op zijn lijf geschreven zijn. Zo schetst Tindemans de basiscontouren van een mogelijk portret met een gedetailleerde beschrijving van zijn rol als Jimmy Porter in John Osbornes Wrok om gisteren (in 1962 bij het NKT) aan het begin van zijn loopbaan. “De rol leek wel voor Lex ontworpen. Osborne pakt erin uit met een nieuw heldentype, de intellectueel van sociaal lagere afkomst, met een boosaardige opvatting van humor, een rauwe voorkeur voor alcohol en sex en een opvallend gebrek aan respect voor de betere gemeente. Hij schopt alle vertrouwde normen aan de kant en mikt op een nieuw, ander soort waarheid; hij schreeuwt, hatelijk en ontevreden, zijn vergeefse pogingen tot zelfonderzoek uit, de dringende behoefte aan inzicht en houvast, de onmacht van de adolescente stem en het oprechte, gretige verlangen naar helderheid”. De wijze waarop Tindemans een rol weet te analyseren is vaak briljant in zijn complexiteit, en werkt uitermate meeslepend. Alles wordt bij hem inhoud, elke intonatie of stap binnen de mise en scène weet hij zo te beschrijven dat ze betekenis krijgt binnen een bepaalde ideologische context. Over de rol van Jimmy Porter schrijft hij bijvoorbeeld : ” Lex heeft aan opstandigheid als fundament van deze rol hard gewerkt. (..) Hij is geestdriftig zonder geestdrift, hij blijft een revolutionair zonder revolutie. Hij is in de kern een moralist terwijl hij toch niet beschikt over enige geloofwaardige moraal. (..) Altijd heeft hij getracht het instrument stem te rekken en te strekken naar een inhoudelijke identiteit van de personageopdracht. (..) Lex vulde Jimmy’s thematische huls met een veelvoud van explosieve varianten, liet dit personage nooit de kans monolitisch, eenzijdig, gelijkhebberig, vervelend te worden. Hij slingerde klanken in de geborneerde scène die evenzovele accenten van autopsie en diagnose aanreikten. Lex weigerde deze Jimmy te zien als een nieuwsoortige dandy die zelfpijniging inoefent voor een esthetische spiegel.”

Zo’n virtuositeit in het blootleggen van verschillende spelintenties gaat op den duur echter tegenstaan. Na een zoveelste gedetailleerde analyse van een rolopvatting lijkt het erop alsof Tindemans alleen nog maar wil bewijzen wat voor een groot acteur Van Royen eigenlijk is geweest. Onverhoeds begint er dan tussen de regels een polemiek door te sijpelen, die een buitenstaander van de Vlaamse theatersituatie niet op waarde kan schatten. Op zulke momenten begint het de blanco lezer te irriteren dat Tindemans niet dieper ingaat op conflicten uit de Vlaamse theatergeschiedenis en ze afwimpelt met stoplappen als: “Het vervolg is thans geschiedenis en die verdient het best te worden uitgeschreven, maar niet nu op deze plaats.” of “Wat Claus* drama werkelijk waard is, moeten de kenners maar uitmaken.” Over T68 informeert Tindemans voornamelijk over het onbegrip bij de bestuurders. Wat het manifest precies inhoudt moet de lezer maar zelf uitvinden, en dat is jammer want ook dat had binnen het kader van deze monografie een licht op de theateropvattingen van Van Royen kunnen werpen. Natuurlijk onderkent Tindemans de eenzijdigheid van zijn optiek en beklaagt hij zich in de inleiding dat zo weinig mensen uit de theaterpraktijk gereageerd hebben om hun ervaringen met Van Royen op papier te zetten. Dat lijkt me echter een hels karwei voor mensen die dat niet gewend zijn, zeker als de polemiek over een verstard theater-bestel waar Van Royen blijkbaar het slachtoffer van is geworden, nog lang niet is uitgewoed. De bijdragen die wel in het boekje zijn opgenomen, o.a. van Hugo Claus, Freddy de Vree, Marc Didden en Frans Redant, voegen het nodige aan informatie toe, maar het portret blijft onaf.

Alle teksten vormen tesamen een fiks beschadigde black box. Het is alsof er zich een ramp heeft voltrokken – een getalenteerd acteur die gedesillusioneerd gestorven is -maar waardoor blijft verborgen terwijl men in de beschrijving zo duidelijk naar erkenning van een groot talent streeft. Het wachten is op een biograaf, die niet alleen de mensen aanschrijft om een bijdrage te leveren, maar die daadwerkelijk met iedereen gaat praten, alle partijen overziet en vanuit Van Royen zelf vertrekt.

C. Tindemans e.a., Op de top van de citadel, Over Alex Van Royen. Dedalus i.s..m. VTI, Antwerpen, 1989,

boeken
Leestijd 4 — 7 minuten

Robert Steijn

boeken