Patrick Allegaert

Leestijd 7 — 10 minuten

Ontevredenheid is wat ons bindt

Welke rol spelen kunsten en kunstenfestivals in de stedelijke problematiek? Deze vraag vormde het uitgangspunt voor een conferentie tijdens de eerste editie van het KunstenFESTIVALdesArts in 1994. Patrick Allegaert las de publikatie waarin het Vlaams Theater Instituut een aantal lezingen van City of Cultures bundelde.

Er wordt veel gesproken over de stad. Over haar toekomst, haar centrum, haar onschatbare betekenis, haar charme, haar allure, haar historie. Natuurlijk, wanneer ergens heel veel over wordt gesproken, dan kun je er vergif op nemen dat er een probleem is, zo weet de Nederlandse filosoof René Boomkens in zijn boek Ontwerpen voor de onmogelijke stad.

Toni Morrisson schreef met Jazz een ode aan leven in de stad. De stad is de plek waar je jezelf vindt, omdat je op jezelf aangewezen bent, waar individualiteit mogelijk is en waar je de kans krijgt om iets van je leven te maken. ‘De stad zit zo vol spanningen, mogelijkheden en … vreemdelingen. Want dat is de essentie van de komst naar de stad: dat je het bekende en het vertrouwde opgeeft,’ zo merkt Anil Ramdas in De beroepsherinneraar en andere verhalen op.

Vraag is of deze idyllische benadering hout snijdt: de stad bezorgt velen – bewoners, planologen, beleidsmakers, kunstenaars – hoofdbrekens. Nu hangt de soort kwaal die men de stad toemeet, wel wat af van welk soort dokter de diagnose stelt: er worden zo veel verschillende strategieën losgelaten op de stad. De complexiteit van de stad, samen met de verschillende verlangens die ze oproept, toont de weg naar zeer verschillende remedies. Voor wie bijvoorbeeld vanuit ‘beheersbaarheid’ denkt, is precies de onvoorspelbaarheid van de stad kwalijk. Men ijvert dan voor de ‘opgezette stad’. Op de Habitat-conferentie in juni van dit jaar werd hier nog een duidelijk voorbeeld van gegeven, zo meldde Filip Roegiers in De Morgen: ‘De hoofdstraat van Taksim is de voorbije week van avond tot avond van aanblik veranderd. Tegen het einde van de eerste conferentiedag brandt eindelijk de helft van de gloednieuwe straatlantaarns à la Parisienne. Zondagavond zaten ze nog in hun plastic verpakking. Op de avond van de tweede dag duiken plots ook netjes geklede straatmuzikanten en goochelaars op. Helemaal volgens het boekje van een autovrije winkelstraat in het Westen, ware het niet dat rond elke “artiest” drie of vier agenten minzaam staan toe te kijken.’ Een furieuze Instanbulse kunstenaar is duidelijk in zijn wiek geschoten over deze manier van doen: ‘Ze hebben de stad weggestoken voor de bezoeker. Ze hebben Habitat vermoord. Liever dan de werkelijkheid van kunst en cultuur in onze stad te laten zien, strooien ze de wereld zand in de ogen met nieuwe trottoirs.’

Wanneer we deze praktijk van de gefatsoeneerde stad toepassen op festivals komen we vlug bij – vrij akelige – termen als city marketing: de stad als een te verkopen produkt. De sociaal geografe Inez Boogaarts betrekt dit in haar tekst Food & fun. De opmars van het stedelijk festival op wat zij de ‘festivalisering’ van de stad noemt: ‘Wie een beetje om zich heen kijkt, kan nauwelijks aan de waarneming ontkomen dat er altijd wel, iedere week, ieder weekend en in iedere stad festivals plaatsvinden. (…) Sla de krant met de uitgaanspagina’s open, aan de krokus- en knoflookfestivals, meubel – en prijzenfestivals, Shakespeare en Beckettfestivals, de Mozart- en Bachfestivals valt niet te ontsnappen.’ Niet voor niets wordt er steeds vaker en veelal misprijzend over ‘festivalisering’ gesproken. De festivalisering staat hier voor de economisering en banalisering van het festival. In marketingtermen: het food & fun-aspect wordt steeds belangrijker. Veel festivals worden nu aan de hand van een min of meer succesvolle blauwdruk georganiseerd, maar hebben met het eigene of het wezen van festivals niet veel meer te maken. Boogaarts: ‘Weinig durf en veel vertrouwd werk, terwijl festivals zich juist kenmerkten als vrijplaatsen van het gedurfde, nieuwe, initiërende en onverwachte. Het gevaar van middelmatigheid dreigt als alle festivals allemaal hetzelfde brengen.’ Het omgaan met de stedelijke context in een festival verraadt veel van de bedoelingen van de organisatoren: op welke manier wil men een bepaalde stedelijke realiteit aan bod brengen?

Een conferentie, een publikatie

Ann Olaerts, directeur van het Vlaams Theater Instituut (VTI), formuleert het als een van de opdrachten van het VTI om te reflecteren over ‘de rol die de kunsten spelen in het maatschappelijke debat, ten aanzien van de multiculturele samenleving, ten aanzien van de internationale politiek en de onverdraagzaamheid.’ Naar aanleiding van het KunstenFESTIVALdesArts 1994 werd dan ook de conferentie City of Cultures georganiseerd. De centrale vraag op de conferentie was de rol van een stadsfestival in deze tijd. De diverse bijdragen zijn nu gebundeld in een boek: City of Cultures. De interculturele dimensie in de Podiumkunsten: Los Angeles, London, Brussel, Montreal. Opvallend uitgangspunt, zo schrijft Geert Opsomer, redacteur van de publikatie, was dat de culturele differentie en hybriditeit die deel uitmaken van de Brusselse straat, nauwelijks terug te vinden waren op de podiumplanken van het KunstenFESTIVALdesArts. Hoewel het festival zich duidelijk ‘internationaal’ en ‘intercultureel’ aankondigde, waren de relevante culturen niet de Marokkaanse of de Turkse, maar wel de Vlaamse en de francofone. Misschien is deze afwezigheid wel een illustratie van wat Geert Opsomer aanduidt als de stad die een dreiging vormt voor de ‘fatsoenlijke’ westerse stedeling.

Op de conferentie die het Vlaams Theater

Instituut samen met het Theater Instituut Nederlandorganiseerde, kregen diverse kunstenaars en organisatoren het woord. Ze kwamen van steden waar zich de laatste tijd een interculturele artistieke praktijk ontwikkeld had in de podiumkunsten, al dan niet in nauwe relatie met een stadsfestival: Los Angeles (L.A.Festival), Montreal (Festival des Amériques), London (London International Festival of Theatre), Brussel (de Beursschouwburg).

De eerste bijdrage van Peter Sellars heeft nu reeds het statuut van ‘klassieke’ tekst waarnaar bij herhaling verwezen wordt. Sellars schrijft vanuit zijn praktijk als intendant van het Los Angeles festival van 1990 tot 1995. Voor Sellars is de stad dé plek waar nieuwe onderzoeken, nieuwe verbanden, nieuwe kunst gecreëerd worden. Opvallend is de maatschappelijke betrokkenheid in zijn betoog: de kunstenaar is een culturele werker, die de opdracht heeft om zijn activiteit te concentreren precies op die mensen voor wie nog niet gesproken is, wier stemmen nog niet gehoord zijn.’ Deze opvatting heeft het voor Sellars niet gemakkelijk gemaakt om nog verder in de Verenigde Staten te werken. In een recent interview met Paul Goossens had de Palestijnse Amerikaan Edward W. Said nog veel lof voor het werk van Sellars: ‘Hij provoceert, stimuleert, shockeert. Peter Sellars is belangrijk voor de Verenigde Staten, onder meer omdat het establishment hem niet lust. Hij wil het spel niet spelen dat zij hem graag zouden zien spelen.’ De opdracht van de kunstenaar is voor Sellars expliciet politiek: ‘Je kunt niet langer in je eigen hoekje zitten. Oude paradigma’s hebr ben afgedaan.’ Hij weet dat deze houding niet evident is: ‘Het punt van dit alles is dat het een strijd is. En hoe meer we het tot onze strijd maken, hoe meer we onze posities als kunstenaars kunnen verdiepen. Onze taak als kunstenaar, voor nu en altijd, is een strijd te vinden en daar te leven.’

Sellars ziet in cultuur dé oplossing voor de impasse waarin we politiek, sociaal en economisch beland zijn. Cultuur kan een open, fluïde en creatieve ruimte scheppen. ‘Cultuur kan bijvoorbeeld het multiculturele dat elk van ons toebehoort, erkennen en plaatsen. Wij zijn allemaal multicultureel.’ Voor Sellars wordt deze houding pas waar door de manier waarop je werkt. Voor het Los Angeles Festival was het bijvoorbeeld erg belangrijk om het besluitvormingsproces te democratiseren. ‘Zo werd het uitgeven van geld door wie, hoe en waartoe het voorwerp van gesprek.’ De inhoud van het festival werd door een stuurgroep van 24 mensen – kunstenaars uit heel Los Angeles, met heel verschillende achtergronden en heel verschillende standpunten, bepaald. Opdracht bij deze discussie was: wat is er echt belangrijk voor de stad? Welke zijn de echte problemen die het hoofd moeten geboden worden? Kan daar een festival rond gebouwd worden? Norman Frisch, medewerker van Sellars specificeert de opdracht verder: Los Angeles heeft geen behoefte aan een kroniek van Europese of Newyorkse avant-garde, maar aan een festival waarin de stad zichzelf kan zien.

De analyse van Michael McMillan, medewerker aan het London Festival of Theatre (1991) en leider van Double Edge, een rondreizende groep uit de Black Arts Alliance, gaat verder op het spoor van Sellars: de taak van de kunstenaar is de matrix van de werkelijkheid open te breken. Taal is hierbij én pincet én koevoet. McMillan onderstreept hierbij het belang van de zwarte cultuur: de agenda voor de volgende eeuw zal opgemaakt worden door niet-blanken. Wat gebeurt in Zuid-Afrika is voor McMillan typerend: een zwarte kunst is geboren. Hij ziet voor zichzelf geen andere keus dan te strijden voor deze kunst.

Euforie of dysforie

Verschillende bijdragen in het boek hebben deze teneur, een van strijd, verbondenheid ook, doorheen nieuwe visies op kunst, festival en stad. Maggie Semple van de Britse Arts Council benoemt de kunsten tot archief van een volk, ze ‘structureren en verenigen de gevoelens en emoties ervan’. Wie met kunst omgaat, zorgt voor een erfenis en creëert een gevoel van hoop.

Opvallend is het optimisme van de bijdragen in de publikatie: de concrete werkelijkheid van (stedelijk) leven kan via een juist tot stand gekomen artistieke impuls verbeteren. Het cynisme lijkt opgeborgen. Men weet dat de paradigma’s, maar ook de werkmethoden van politiek, economie en planologie hebben uitgediend.

Op een congres over stad en planologie in april van dit jaar aan de Rijks Universiteit Gent beweerde de Newyorkse architect Richard Plunz dat alle grote steden kampen met ongeveer dezelfde problemen. Tegelijkertijd formuleerde hij, samen met andere deelnemers, de onmacht van de planologen om de zaken daadwerkelijk ten goede te veranderen. Het contrast tussen het bijna heldhaftig optimisme van de auteurs van City of Cultures en de gelaten relativering van de planologen is merkwaardig.

Josette Féral van de Université du Québec in Montreal stelt in haar bijdrage het gevaar voor optimisme scherp. Naast de euforische reactie die kunstenaars hebben ten aanzien van het ontstaan van een ontluikende wereldcultuur, maakt zij gewag van de ‘dysforische’ reactie: al die aandacht voor het interculturele houdt in zich een verborgen agenda van neerbuigendheid. Ze citeert Richard Schechner in dit verband: ‘In dit interculturalisme zijn sinistere vormen aanwezig: zij die reizen zijn rijke mensen.’ De waarschuwing is duidelijk: al te vlug kan deze nieuwe vorm van stedelijkheid, deze visie op stad en festival leiden tot een gemakkelijk alibi, tot een sluwe economische praktijk.

In de epiloog van het boek ziet Geert Opsomer de stad als opgave, de stad wordt deel van de artistieke structuur van de voorstelling. Hij tekent het engagement van de hedendaagse kunstenaar als een bescheiden articulatie van het sociale in het lokale. De praktijk van de Brusselse Beurschouwburg is in deze context ronduit toonaangevend. Paul Corthouts, directeur van de Beursschouwburg, beschrijft haar in het boek. Duidelijk wordt dat de Beursschouwburg niet vertrekt vanuit de praktijk van het consulteren welke artiest beschikbaar is en uitgenodigd kan worden om zijn nummer op te voeren. Wel worden vanuit een complexe stedelijke context, met zijn spanningen en ongenoegens, keuzes gemaakt voor programma’s, waarna gezocht wordt welke artiesten daarbinnen daadwerkelijk een bijdrage kunnen leveren. De Beursschouwburg wil geen cataloog brengen van de hedendaagse podium-of andere kunsten. Wat zij doen, start vanuit betrokkenheid op de stedelijke problematiek. Diverse groepen worden er keer op keer voor samengebracht; Het motto hierbij formuleert de acteur Willy Thomas in zijn bijdrage voor het boek: ‘Ontevredenheid is wat ons bindt.’

City of Cultures reveleert een actuele discussie, een zoektocht naar interessante culturele praktijken. Hoewel de teneur van sommige bijdragen overtrokken is – in het vuur van het betoog schat men zijn eigen mogelijkheden soms zéér hoog in en heeft men weinig oog voor cynische valkuilen -, is er een schat aan standpunten die de stedelijke problematiek en de plaats van kunst en festival daarbinnen op een uitdagende manier schetst.

Geert Opsomer (red.), City of Cultures. De interculturele dimensie in de podiumkunsten: Los Angeles, London, Brussel, Montreal, Brussel, Vlaams Theater Instituut, 1995, 104p. Van het boek bestaat eveneens een Engelse editie

 

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#56-57

15.08.1996

14.11.1996

Patrick Allegaert

Patrick Allegaert doceert o.a. hedendaagse culturele stromingen en cultuurfilosofie aan IPSOC (Kortrijk) en schrijft literatuurrecensies voor De Morgen.

artikel