De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
In Onrust verzamelt Dirk Lauwaert een aantal essays die hij sinds het midden van de j aren negentig heeft geschreven. De titel is bijzonder goed gekozen. Lauwaerts schriftuur heeft iets gejaagds. Korte zinnen. Krachtige formuleringen. Duidelijke definities. Categorische onderscheidingen. Onoverbrugbare tegenstellingen. Drama. Lauwaert geeft je vanaf de eerste regel het gevoel dat hij iets heel belangrijks behandelt, niet alleen voor hemzelf maar ook voor de lezer. Dat gevoel wordt naarmate je verder leest alleen maar sterker. Hij schrijft niet subjectief. Eerder koel, afstandelijk. Gewild retorisch. Of misschien moet ik het zo formuleren: schrijven is voor Lauwaert altijd zoeken naar de juiste afstand, naar de juiste afstandelijkheid. Hij verliest zich niet in zijn onderwerpen. Toch zit hij er diep in. Hier is iemand aan het woord die zich al decennia lang intens met een aantal culturele fenomenen bezighoudt. Wie vertrouwd is met Lauwaerts denken, zal ongetwijfeld zijn obsessies herkennen. Naast een aantal maatschappelijke figuren als de ‘dandy’ en de ‘intellectueel’ en culturele modes als ‘het project’ en ‘de academisering’, gaat Lauwaert in op artistiek werk van Ana Torfs, Dirk Braeckman en Koen van den Broek en op het denken van Roland Barthes en Gilles Deleuze. In zijn beschrijving van deze twee Franse denkers zit ook iets van een zelfportret. ‘Mijn fascinatie heeft met zij n afstandelijkheid te maken’, zegt Lauwaert over Barthes en over Deleuze zegthij dat deze ‘zijn materiaal (opjaagt) als een stroper’. De afstandelijkheid en de onrust. Dat zijn de intellectuele wapens en de stilistische strategieën van Lauwaert.
Uitgeverij het balanseer heeft van Onrust bijna een zakboekje gemaakt. Iets dat je in de binnenzak van je jas kan steken. En misschien is dat niet eens zo’n slecht idee: Lauwaert lezen in de metro of op de trein. Zijn essays zij n oefeningen in het kijken en het observeren. Wanneer je van zijn tekst opkijkt, zie je anders, scherper, bewuster, gedetailleerder. Het zijn oefeningen in het maken van onderscheidingen, het aanbrengen van nuances. Het zijn essays om te herlezen. Bij een eerste lectuur ontgaan je veel onderscheidingen en nuances. Tussen bijvoorbeeld het enthousiasme, de nostalgie, de bewondering en de ontroering. Of tussen de intellectueel, de wetenschapper, de amateur en de moralist. Je bent als lezer verplicht om terug te bladeren. Je dreigt overdonderd te worden door zoveel scherpte. Lauwaerts schriftuur is zeer dens. De stilistische decoratie is er uit weggesneden. Lauwaert wil niet behagen of verleiden. Hij speelt het hard en duidelijk. En dan is het aan de lezer om zijn eigen positie te bepalen.
Via onderwerpen als de ‘passie’, het ‘project’, de ‘opinie’, de ‘intellectueel,’ de ‘academisering van het kunstonderwijs’, dringt Lauwaert diep door in de hedendaagse culturele en artistieke malaise. Hij analyseert de verschuivingen die zich voordoen tussen het modernistische en het moderne of tussen het aristocratische en het democratische zoals hij het elders noemt. Lauwaerts verhaal is een verhaal van verval, maar ook een verhaal van verzet. Hij schrijft, ondanks of misschien dankzij zijn afstandelijkheid, met grote felheid over het verlies van geheugen, over de teloorgang van het vakmanschap, over het disrespect voor de kunst, over de door informatie getraumatiseerde openbaarheid. Er zit in zijn analyses en zijn schriftuur een diep besef van verlies en treurnis. Meer nog, een existentiële angst iets belangrijks te zijn kwijtgespeeld: ‘Het bangelijke vermoeden dat de plek waar ik geraakt zou worden reeds verdwenen is.’ De essays zijn een poging om de oorzaken van dat verlies te achterhalen én een poging om iets van die plek terug te vinden, tegen beter weten in.
De plastische kunsten zijn de centrale focus in het denken van Lauwaert. En dat niet alleen omwille van een persoonlijke interesse: ‘Er is iets in de beeldende kunst dat haar tot lakmoes maakt voor de proef van onze tijdgeest.’ Nadenken over wat een beeld is, is een rode draad door de essaybundel. Of misschien meer nog: de volledige inzet ervan. Wat is een beeld? Wat is zijn kracht? Behoren beelden definitief tot het verleden? Volgens Lauwert schuiven de plastische kunsten steeds meer op in de richting van de performance, het uitvoerende, het vluchtige, het efemere. Daardoor verliezen ze de cruciale dialectiek tussen het blijvende en het vergankelijke. Ze geven zich over aan het nu. Er is in deze passages zeker een verre echo te horen van het beruchte opstel Art and Objecthood (1967) van de Amerikaanse kunstcriticus Michael Fried, waarin deze zich afzet tegen de ‘theatralisering’ van de beeldende kunsten: ‘Ik verwacht van de ruimtekun-sten dat ze mijn lot in de ruimte inschrijven, niet in tijd verkwanselen.’ Het is een hard oordeel waaronder ook Joseph Beuys’ fameuze Honingpomp valt.
In de ervaring van kunst staat afstand centraal: ‘Tussen het leven en de kunstwas de breuk cruciaal – bij het concert liet je het dagelijkse achter je, na het concert nam je van zijn unieke kwaliteiten iets mee.’ Dit gaat regelrecht in tegen het hedendaagse artistieke discours over democratisering, publieksparticipatie, toegankelijkheid en actualisering. Alleen door afstand te creëren kan kunst iets ‘voorstellen’, in de dubbele betekenis van het woord: iets betekenen en ‘een voorstel doen’: ‘Het was een cruciaal geschenk: die hypothese van kwaliteit. Dat het de moeite loonde het verschil te zien. Dat niet alles onverschillig gelijk (was), maar dat er een eindeloos palet van nuances bestond.’ Lauwaert verzet zich met klem tegen de idee van ku ns t als een vorm van produceren, tegen de commercialisering van de kunst, tegen het nihilisme dat de hedendaagse smaak is geworden: ‘Kunst is de manier waarop men ze verkoopt.’ Daartegenover verdedigt Lauwaert de kunst als voorstel, als geschenk, als generositeit: ‘Kunst als het meest genereuze voorstel dat ik ooit kreeg. (…) Er is vandaag niets meer vanzelfsprekend aan die generositeit; ze wordt integendeel gewantrouwd, gedeconstrueerd.’ Van object om je mee te identificeren is kunst geëvolueerd naar een object dat gewantrouwd wordt.
Kunst gaat gepaard met een slecht geweten: ‘Het slechte geweten uit zich in de manier waarop kunst de bezoeker de arbeid van de kunst wil laten verrichten. Niets lijkt vandaag vanzelfsprekender dan projecten waarin men de bezoeker uitdaagt, vragen toewerpt, tot bewustzijn dwingt! Die onverdraaglijke bemoeizucht, die driloefening van een jeugdkamp, die vulgariteit waarmee men mij wil uitdagen, aanraken en manipuleren. (…) De bezoeker als kunstenaar; sterker nog als bestaansreden voor het kunstwerk! Ik ben juist bezoeker om geen kunstenaar te moeten zijn! Ik zoek bij de kunst een reden van bestaan!’ Het zijn heftige pagina’s die Lauwaert schrijft, precies omdat hij zich in zijn existentie aangevallen voelt: ‘De vrees een watcher te worden op siderale afstand en geen enkel binnen meer ter beschikking te hebben.’
Je hoeft het als lezer niet altijd eens te zijn met de analyses van Lauwaert om te beseffen dat hier iemand aan het woord is voor wie kunst en intellectuele kwaliteit ertoe doen, en die niet bereid is hierover compromissen te sluiten.
Dirk Lauwaert, Onrust, het balanseer, 2011
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.