‘De Wespenfabriek’ – ro theater / Herman Sorgeloos

Marleen Baeten

Leestijd 8 — 11 minuten

De ondraaglijke lichtheid van het bestaan

Werk van Maria Clara Villa-Lobos, Ines Sauer, Peter Missotten & Bram Smeyers, en Peter Missotten & Guy Cassiers. Marleen Baeten kronikeert.

XL

een creatie van Maria Clara Villa-Lobos in het kader van de X-Group (P.A.R.T.S. & Brussel 2000)

‘Two Trish & Chips and a Double De Keybus!’, ‘Four De Maeker De Luxe!’, ‘One Double Mac Frankfurt and two Pina Mac Nuggets!’, ‘Two Bel Sundae and two Big Mac Stuart!’,… De fastfoodketen van de dans draait op volle toeren. Hoe verover je als jonge danser een plek tussen al deze grote namen? En wil je wel meedraaien in deze carrousel? Op dolkomische maar pertinente wijze werpt Maria Clara Villa-Lobos de vragen die haar bezighouden voor de voeten van de toeschouwers. Gekleed als werkneemster van een hamburgertent, duwt ze het op de gang bijeengepakte publiek een plastic menukaart in de handen en schreeuwt de bestellingen door naar de vier dansers. In nog geen kwartier tijd schotelen die je een uiterst herkenbare potpourri hedendaagse dans voor. Daarna mag je de zaal betreden. Daar word je getrakteerd op een revue met een hoog Holiday on Ice & Jaques Tati-gehalte. Gekleed in witte schort en witte sportschoenen met rood Nike-embleem, zetten Mioko Yoshihara, Violeta Todo Gonzalez, Alberto Sanchez Diezma, Jyrki Haapala en Maria Clara Villa-Lobos (bij de creatie was dat nog Sonya Biernath, maar die keerde inmiddels terug naar Canada) onze consumptiemaatschappij te kijk: arbeid, voeding, vrije tijd vormen één grote industriële eenheidsworst.

Opgewarmde kost uit de jaren ’50 en ’70? Ja, in de keuze en ironische inzet van rekwisieten (winkelkarren, melkkartons, fastfoodpakketten, levensgrote bordkartonnen fotosilhouetten van de dansers), danstaal (Disney-achtige choreografieën, tot show versneden klassiek ballet en jazzdans) en liedjes uit de entertainmentindustrie. Neen, door de manier waarop deze clichématige satire verbonden wordt met de hedendaagse dans. Het ontwikkelen van een nieuwe danstaal, het deconstrueren of reduceren van dans kunnen de dans altijd slechts gedurende een korte tijd vrijwaren van de consumptieindustrie, zo blijkt. Maria Clara Villa-Lobos is deze ontnuchterende vaststelling met humor te lijf gegaan. Het goed volgehouden strakke tempo van de voorstelling, de haarscherpe choreografiekeuzes en de uiterst precieze uitvoering door technisch hoogstaande dansers maken dat de satire zijn werk doet. Terwijl je geamuseerd toekijkt, word je deelgenoot van haar kritische kijk. De wanhoop van de jonge dansers sluipt pas na de ‘show’ met je mee buiten.

Ik zag de voorstelling in het Cultureel Centrum van Berchem tijdens De Opkomst Antwerpen, een nieuw initiatief van Villanella naar Nederlands voorbeeld (Utrecht), maar dan wel voor een iets jonger publiek (tieners). Tijdens dit festival werd de tweede editie van de Kunstbende gelanceerd. Deze wedstrijd in alle mogelijke kunstvormen, voor jongeren tussen 13 en 19 jaar, is een gemeenschappelijk initiatief van de Vlaamse provincies en de Vlaamse Gemeenschapscommissie, ook al naar Nederlands voorbeeld en eveneens georganiseerd door Villanella. De winnaars uit de voorrondes en de finalisten ontvangen geen traditionele prijzen maar krijgen kansen om hun artistiek werk verder te ontwikkelen: deelname aan workshops, coaching door kunstenaars en de mogelijkheid om hun creatie in Vlaanderen en in het buitenland te tonen. De finalisten van de eerste Vlaamse Kunstbende waren vier dagen lang te gast op De Opkomst, waar ze gretig deelnamen aan de workshops, hun werk toonden aan een publiek van leeftijdsgenoten en toegang hadden tot de professionele voorstellingen, XL stond hier goed op zijn plaats als eye-opener voor jongeren met artistieke ambities. Goede kunst is meer dan een creatieve inval op een blauwe maandag of een goede uitvoering van de op de dansacademie geleerde jazzdans- of hiphoppasjes. Maar hoe lang kan goede kunst overleven buiten de systemen van onze geïndustrialiseerde consumptiemaatschappij? De vrolijke wanhoop van XL sloeg duidelijk niet alleen bij mij aan.

creditcard called life: 16

regiedebuut van Inés Sauer (BRONKS & Brussel 2000)

Inés Sauer moet ongeveer een leeftijdgenote zijn van Maria Clara Villa-Lobos en ook hun loopbaan vertoont een gelijkaardige opeenvolging van studies, praktijkervaring, voortgezette studies en een creatiekans via een Brusselse kunstenorganisatie in samenwerking met Brussel 2000. Villa Lobos was één van de 25 beloftevolle jonge dansers en choreografen die uit het 200-tal internationale kandidaten voor de X-Groupgeselecteerd werden. Zes maanden (januari-juni 2000) brachten deze mensen door onder de vleugels van P.A.R.T.S. (financieel gesteund door Brussel 2000), waar ze danstechnische lessen en workshops in allerlei kunstdisciplines volgden en waar ze aan een persoonlijke creatie werkten. Inés Sauer was één van de twee winnaars van Het bal der debutanten, een initiatief van bronks en Brussel 2000 om via een informatieronde en een projectvoor-stellenwedstrijd (waarvoor 30 dossiers binnenkwamen) het jeugdtheater meer bekendheid te geven in de diverse kunstopleidingen. Leuk om weten: drie jaar geleden maakte Maria Clara Villa-Lobos haar eerste choreografie, Home sweet home, voor het Bronksfestival.

Om haar project te realiseren selecteerde Inés Sauer vier Vlaamse meisjes van 16 en 17 jaar: Ruth Bastiaensen, Ellen Mariman, Maren Merckx en Maaike Neuville. Ze confronteerde hen met teksten die ze zelf had geschreven op basis van haar herinneringen aan toen ze zelf 16 was. Lange gesprekken, videogetuigenissen en de resultaten van allerlei opdrachten vormden de rest van het materiaal waaruit de vijf makers een soort dagboek van twijfels en verlangens distilleerden. Al die korte dagboekfragmenten zijn – hoe kan het anders – erg herkenbaar, maar gelukkig weert de tekstcompositie elke voorspelbare opbouw. De voorstelling zapt heen en weer tussen vrolijke uitsmijters, suikerzoete dromen, bijtende verlangens, heftige verontwaardiging, stil verdriet, nuchtere vaststellingen, knagende pijn,… en vat in al zijn tegenstrijdigheden heel goed het scharniermoment tussen kind-zijn en volwassenheid samen. Hier wordt niet gekoketteerd met jongeren door slechts één eigenschap dik in de verf te zetten: alleen hun kwetsbaarheid, of hun overmoed, hun dromen en verlangens, hun sex-appeal. Ondanks de lichtheid in vertolking is creditcard called life: 16 evenmin een impressie van de ondraaglijke lichtheid van het bestaan als zestienjarige. Daarvoor zijn de actrices veel te sterk zichzelf, waarmee ik bedoel dat ze niet beantwoorden aan één of andere mythe (over zestienjarigen, over persoonlijkheid,…). De meisjes zijn wie ze zijn, op dit ogenblik. De manier waarop ze de woorden in de mond nemen heeft iets van proeven: soms is er herkenning, soms is het wennen aan een vreemde smaak. Het ‘nu’ bestaat niet. Er is alleen een ontmoetingsplek tussen verleden en toekomst.

Inés Sauer heeft respect voor de eigenheid van de jonge actrices weten te combineren met een sterke regiehand, die vooral voelbaar is in de tekstzegging en het gebruik van de ruimte. Ruth, Ellen, Maren en Maaike doen de rest: hun geconcentreerde aanwezigheid op de scène, hun onnadrukkelijk spel, hun open blik richting zaal en hun ontwapenende nuchterheid scheppen een tintelende ontvankelijkheid bij de toeschouwers. Vanzelfsprekend is dat niet: met de gegeven uitgangspositie (een voorstelling op basis van eigen teksten over de levensfase waarin je je bevindt) is de kans op déja-vu nooit ver weg. Maar van creditcard called life: 16 wordt er volop genoten, nog wel het meest door de meisjes op de scène. En dat maakt hen heel mooi.

‘k Heb moete botse

een multimediale theaterproductie van De Filmfabriek

In het kader van ARTEF@CT (een multimediafestival op initiatief van de provincie Vlaams-Brabant, in een organisatie van Jeugd en Stad en in samenwerking met de Vlaams-Brabantse jeugddiensten, jeugdhuizen, culturele centra en kunstencentrum Stuc) vertaalden en bewerkten Peter Missotten en Bram Smeyers het toneelstuk Aglavaine en Sélisette van Maurice Maeterlinck (1862-1949) tot een soort luisterspel in een kinderlijk aandoende spreektaal. In combinatie met deze taal krijgen de voor Maeterlinck kenmerkende ‘volwassen’ thema’s – liefde en verlangen, dood, zin van het leven,-een perverse ondertoon. De enscenering maakt de perversiteit minder dwingend dan ze zou kunnen zijn, maar biedt in eerste instantie een valabel alternatief.

De jonge acteur Joost Wijnant (gekend van de film Rosie van Patrice Toye) zit met zijn rug naar het publiek in een constructie die een tweetal meter boven de grond hangt, op de scheidslijn tussen publiek en scène. Zijn gezicht zien we vijf keer in close-up, in vijf verschillende opnames (dat zie je aan kledij en achtergrond), op vijf televisieschermen die enkele meters boven de scènevloer hangen. Elk televisiescherm staat voor een vast personage. Vier van de vijf schermen tonen vooraf opgenomen beeldprojecties. Alleen de figuur van Sélisette speelt Joost Wynant live, maar we zien en horen hem dus via de close-up op het middelste televisiescherm. Ondanks de afstand tussen toeschouwers en televisieschermen bereiken de close-ups een zekere mate van intimiteit. Het geluid heeft een zelfde ambivalentie: de klankkwaliteit is eerder slecht, maar creëert een geheimzinnige sfeer die nog versterkt wordt door de donkere scène. Voeg daar de vijf tamelijk statische beelden en de onnadrukkelijke tekstzegging aan toe en je krijgt het effect dat je ongewild getuige bent van een nachtelijk gesprek tijdens een logeerpartij of op kamp. Je weet niet altijd meteen wie aan het woord is en geregeld dommelen één of meerdere praters een tijdje in slaap.

Maar zoals dat gaat bij een nachtelijk gesprek waaraan je niet echt deelneemt, kreeg ik na drie kwartier moeite om niet ook zelf in slaap te vallen, en dat is spijtig: de tekstbewerking en de acteur hadden alles in zich om de ondraaglijke lichtheid van het bestaan op scène te zetten, maar ze werden gekooid door de vormgeving (Peter Missotten) die te weinig weerwerk kreeg van de regie (Bram Smeyers).

De Wespenfabriek

een productie van het ro theater (Rotterdam) voor het Holland Festival (juni 2000)

In De Wespenfabriek krijgt het werk van videokunstenaar Peter Missotten wel degelijk weerwerk van regisseur Guy Cassiers, hoewel ‘weerwerk’ misschien niet het juiste woord is voor het hechte kluwen van beeld, muziek, tekst en spel. De Wespenfabriek is een toneelbewerking van de spraakmakende debuutroman The Wasp Factory (1984) van de Schotse auteur Iain Banks (°1954). Gerardjan Rijnders en Guy Cassiers bouwden de theatertekst op volgens de strakke zevendelige structuur van het eerste scheppingsverhaal in het boek Genesis. De verschillende draden van de onsamenhangende bijna-monoloog van de zestienjarige Tom (Steven Van Watermeulen) komen pas in de laatste minuten samen. Dergelijke spanningsopbouw heeft het theater eigenlijk niet nodig – het gebeuren op de scène heeft een grotere impact op de concentratie van de toeschouwer dan het verhaal an sich – maar verder is Rijnders’ tekst niet stuk te krijgen.

Het scènebeeld wordt gedomineerd door een witte keukenkastwand met de afmetingen van een vestingmuur. Aan de keukentafel (normaal formaat) neemt Steven Van Watermeulen alleen plaats om de papjes uit te lepelen die Joop Keesmaat (een kleine rol als Toms vader) hem op geregelde tijdstippen voorzet. Zo gauw de vader uit beeld verdwijnt, komt de quasi-wetenschappelijke opstelling van camera’s, projectoren, lenzen, kleurfilters en videobeams tot leven. Het witte keukenlicht maakt dan plaats voor psychedelische beeldprojecties op de kastenwand, begeleid door o.a. de scheurende gitaarklanken van Jimi Hendrix. Gedurende ruim anderhalf uur maakt Steven Van Watermeulen je deelgenoot van Toms bizarre en wrede universum. Hij doet dat zo geraffineerd dat je de korte interventies van de vader, die het ‘normale’ leven vertegenwoordigt, al gauw als extraterrestrial gaat ervaren.

Steven Van Watermeulen was de voorbije zes jaar vast verbonden aan Het Zuidelijk Toneel en ook de vier jaar daarvoor – toen hij deel uitmaakte van Compagnie De Koe – speelde hij er in minstens één productie per seizoen. Het is geweten dat Ivo Van Hove (gedurende de voorbije tien jaar artistiek leider van Het Zuidelijk Toneel) elk stuk grondig bestudeert en de voorstelling ongeveer voor ogen heeft bij het begin van het repetitieproces. Zijn gave bestaat erin om de acteurs dan telkens te krijgen waar hij het wil. Guy Cassiers werkt veel intuïtiever en zoekender, waardoor er ook meer inbreng van de acteurs gevraagd wordt. Blijkbaar heeft Steven Van Watermeulen gedurende de jaren bij Het Zuidelijk Toneel niet alleen een grote acteertechnische beheersing maar ook veel spelinzicht verworven. Bovendien heeft hij de vurigheid die hij vanaf zijn eerste echte rol (het Koor in Thyestes, het regiedebuut van Dora Van der Groen bij Het Zuidelijk Toneel, dec. 1991) tentoonspreidde behouden, zij het hoe langer hoe meer getransformeerd tot een inwendige energiebron, een adem waarmee hij een personage tot leven wekt.

In De Wespenfabriek doet hij meer dan een personage tot leven wekken; in zijn eentje schept hij een volledige wereld en het is goed dat hij zich niet meer als acteur moet bewijzen. Met volledige overgave en grote precisie stelt hij zich als schepper ten dienste van zijn schepping. Toms manisch geconstrueerde, morbide wereld wekt hij tot leven via zijn verhaal, maar ook via zijn stem en bewegingen. Letterlijk, want de beelden zijn geluids- en bewegingsgestuurd. De geluidstechnici van Het Paleis van Boem vervolledigen deze verwarrend mooie verdichting van een leven buiten de maatschappij.

In zijn zoektocht om de inwendige wereld van de mens te verbeelden slaagt Guy Cassiers er als geen ander in om de theatrale mogelijkheden te versterken met nieuwe media. Hij keek en zag dat het goed was.

 

agenda
Leestijd 8 — 11 minuten

#74

15.12.2000

14.03.2001

Marleen Baeten

Marleen Baeten is lesgever in Open School Leuven en freelancer in de kunstensector.

agenda