Leestijd 10 — 13 minuten

Omtrent Walter T.

Bert André

(werkte met Walter Tillemans o.m. in Man is Man, Purper Stof, Maria vecht met de Engelen, Moeder Courage, De Huisbewaarder, De Speler e.a.)

Vanaf het begin, reeds in mijn Studiotijd, was er een enorm wederzijds vertrouwen. Hij is geen gemakkelijk man; gelukkig maar. Ik maakte de sprong van Studio naar KNS met hem: de korte periode die ik daar doorbracht van 67 tot 69 (nét voor de Werkgemeenschap van de Beursschouwburg) werkte ik vooral met hem. Daarna verloren we mekaar uit het oog. Toen we mekaar in 1980 met De Huisbewaarder opnieuw ontmoetten, had ik niet het gevoel dat daar 11 jaar tussen zat. We namen de draad gewoon weer op.

Twintig jaar geleden stond men te springen om met hem te werken. Eigenlijk was er geen verschil in zijn werkwijze als leraar of als regisseur: ‘t was dezelfde bezetenheid. Hij geloofde in ons en gaf ons kansen. Dat hij b.v. de hoofdrol in Coriolanus door Jan (Decleir) liet spelen die net uit de Studio kwam, was wellicht een probleem in het gezelschap. Wat je van hem leert is ten eerste een enorm spelplezier en ten tweede krijg je als acteur een zeer grote vrijheid, ook al startte hij steeds met een sterk gedefinieerd opzet. Ik heb me ook nooit gefrustreerd gevoeld als we de bal eens missloegen. Met wie ik ook werkte — Decorte, Karge en Langhoff of Tillemans — ik had nooit het gevoel in een corset te zitten: ik heb me door Walter steeds democratisch behandeld gevoeld. Als je beslist met iemand te werken moet je loyaal zijn en openstaan voor zijn ideeën.

Een andere grote kwaliteit is het enthousiasme waarmee hij zijn concepten kon verdedigen en iedereen meetrok. De dag na een première was hij al met het volgende stuk bezig. Over zijn weggaan uit KNS zal hij wel lang nagedacht hebben. Hij laat er mensen achter met wie hij graag werkte. Ik wens niet mee te doen aan die kritiek op hem. België heeft al zo weinig consequente theatermensen. Laat het publiek maar uitmaken wat goed is en wat niet.

Leo Madder

De enigen waar je in de Studio toen je vak van kon leren, dat waren Lea Daan en Walter Tillemans. Wat we vooral van hem geleerd hebben was het inzicht dat elke tekst een spelontwerp is, en het belang van de methodiek in het theaterwerk. Door zijn leraarschap Ín de Studio groeide binnen het KNS-gezelschap een groep van mensen die zijn taal van jongsaf aan geleerd hebben. Er was echter nooit een optimale doorstroming van al zijn basismateriaal naar de acteurs. De verhouding leraar/ leerling bleef bestaan: ook al kreeg je het inzicht dat het om méér ging dan je eigen rolletje, toch wist de regisseur steeds méér. In de structuur van het produktieproces kon dat ook niet anders: er was geen tijd om 3-4 weken te lezen. In zijn werkwijze (het vertrekken van een duidelijk concept) is in het midden van de jaren 70 een evolutie gekomen onder invloed van processen die hij elders zag: de acteurs kregen meer kans tot inbreng. Toch verwachtte hij steeds de bereidheid zich in te schakelen in wat hij in zijn hoofd had. Hij werkte vaak met dezelfde mensen, die hij kon modelleren en die ook verkozen zo te werken. Breuken met de medewerkers lagen vaak op momenten dat deze hun eigen model naar voren schoven of bediscussieerbaar stelden. Zo gebeurde het o.m. met Dirk Decleir toen die zijn eigen inzichten formuleerde. Ook mijn breuk met Walter dateert van het moment waarop ik zelf begon te regisseren.

Toen Walter zijn carrière begon en na het vertrek van Fred Engelen, was hij eigenlijk de enige echte regisseur: dat bleek een voor- en een nadeel. Op de duur wordt het alléén zijn een conditio sine qua non. Het feit dat hij ook geen les meer gaf in de Studio, maakte dat er meer en meer acteurs binnen kwamen die niet door hem gevormd waren. De backing die hij vroeger had in het gezelschap is nu grotendeels weggevallen. De reactie op zijn weggaan in het gezelschap is enerzijds opluchting omdat heel wat spanningen zijn opgeheven en anderzijds spijt om het verlies van zo’n groot vakmanschap. Zijn monopoliepositie en zijn manier van werken zijn op termijn nefast gebleken: op de duur ga je niet meer (mee)denken.

Luc Philips

Ik heb ongeveer al mijn grote rollen met Walter gedaan en dat werk was altijd zeer positief. Tijdens dat werken heeft er zich bij mij een rijpingsproces voorgedaan: hij heeft bij mij dingen losgepeuterd die nog sluimerden en die er toen pas uitkwamen, nl. een veel dieper ingaan op de (tekst)materie en een groter bewustzijn omtrent de rol. Er was een groot vertrouwen tussen ons. Galilei betekende voor mij een keerpunt : daarvoor had ik ook belangrijk werk gedaan, o.m, onder zijn leermeester Fred Engelen — ook zo’n monstre sacré — maar Galilei was mijn eerste grote partij met Walter; vanaf dan kon ik tegen mezelf zeggen: ‘je bent een acteur’. Daarna heb ik nog vele meeslepende momenten met hem beleefd: King Lear, Puntilla, De Vrek, Soldaat Schweik, August, Godot en ook Krapp’s laatste band voor televisie. Hij is een moeilijk man en we hadden vaak harde discussies, maar met een positief resultaat. Zijn weggaan is een verlies voor KNS; daar heerst zo’n malaise dat ze er — brutaal gezegd — nog alleen maar geheel met een schone lei kunnen beginnen. Die toestand is niet te wijten aan gebrek aan talent, maar aan de mentaliteit van de mensen.

Denise Zimmerman

Het spijt me dat hij weggaat, want hij is een goed theaterman. Hij vraagt het uiterste van je, maar stimuleert je ook. Wat ik vooral van hem geleerd heb – ik was ook drie jaar zijn leerlinge in de Studio – is doorzettingsvermogen en observatie. Als hij je vertrouwt als speler, krijg je een grote vrijheid. Bij wie minder inbreng had, vulde hij zelf in wat nodig was. Heel boeiend vond ik het werk aan De schepping en andere zaakjes van Arthur Miller en ook aan De Drie Zusters en King Lear. Als hij voelt dat hij nu weg moet, zal dat wel een goede keuze zijn. Een deel van het gezelschap voelt dit aan als een verlies.

John Bogaerts

Ik wilde na mijn architectuurstudies iets meer leren over decor-en kostuumontwerp en vroeg aan Walter waar ik daarvoor terecht kon: “nergens,” zei hij, “maar kom meewerken,” Zo zijn we samen onze carrière begonnen. Mijn eerste werk met hem was De goede mens van Sezouan in 1961. Ik herinner me dat hij het modelboek van Brecht heel exact trachtte te volgen — voor zover dit budgettair mogelijk was. Dit betekende ook het introduceren van een nieuwe vorm van decor bij ons: iets met andere materialen, structuren en kleuren, iets wat lijnrecht inging tegen de salon- en fond-doekendecors van weleer. Yen Pernath werkte wat de kostuums betreft in dezelfde lijn. In het begin was werken met Walter zeer moeilijk. Hij was zo koppig en weigerde zijn ideeën los te laten. Later werd die samenwerking veel versoepeld, door het vertrouwen dat ontstond: het decorbudget werd geheel mijn verantwoordelijkheid. Reeds maanden voor de lezing begon, had hij zijn ontwerp op papier staan; zelfs de ruimtelijke indeling, m.n. waar de acteurs moesten staan en hoe ze zich moesten bewegen: alles stond vast op voorhand. Nu laat hij wel meer improvisatie toe en hoopt hij dat de acteurs zelf een inbreng hebben.

De produktie van De Vrede was de start van zijn weggaan. Die produktie is het kankergezwel van KNS waarin de verburgerlijking en de bediendenmentaliteit, die allang aan ‘t groeien zijn, een uitbarsting kregen: die mensen weigerden zelfs het avontuur met Tillemans. Hij werd een opgejaagde leeuw. Misschien wordt men zich nu stilaan van dit onvervangbare verlies bewust. Zijn inbreng in het repertoire was steeds zeer groot. Hij verwachtte indertijd veel van het leescomité dat doodliep in persoonlijke conflictjes over ‘het spelen van hoofdrollen’. Nu krijgen we in KNS het Anton Peterstheater. Spijtig bij Walter is dat zijn bezetenheid hem verhindert tot rust te komen. Hij kijkt nog steeds vooral naar het Russische en het Duitse theater. Ontwikkelingen in Amerika b.v. blijven hem vreemd. Little Murders heeft hij destijds m.i. ‘vermoord’ omdat hij die maatschappij niet kent, niet wil kennen. Nu hij verplicht zal zijn ‘armer’ theater te maken, zal hij ook verplicht zijn inventiever om te springen met z’n acteurs. Hij zal misschien eindelijk zijn eigen gezelschap hebben en dat is goed. Als hij mij nodig heeft, mag hij altijd bellen.

Jan Christiaens

(auteur van o.a. De parochie van miserie, De droom van zotte Rik, De Minerva)

Met Walter Tillemans werk ik sinds 1956 nauw samen. Uniek is, denk ik, zijn inzet en bezetenheid bij de voorbereiding van een produktie. Het thema wordt niet alleen tot op het been geanalyseerd, ook het tijdperk wordt grondig doorgelicht aan de hand van bergen geschreven documenten, fotomateriaal, fonoplaten en bandopnamen. Alle getuigenissen worden scrupuleus onderzocht Bij geen enkel regisseur — ik heb met een 10-tal gewerkt — heb ik ooit grondiger voorbereiding gekend. Ook bij de repetitie werkt die inzet door en verlangt hij van de acteur een even hoge inzet en rendement. Dat hierbij niet altijd tactisch of diplomatisch te werk wordt gegaan vind ik bijkomstig. Met een regisseur als Walter Tillemans verkent de acteur de uiterste grenzen van zijn mogelijkheden. Het resultaat kan alleen maar kwaliteitstheater zijn. De rest is flauwe kul!

Ann Nelissen

Het Raamtheater, waarvan Walter Tillemans de bezieler is, heeft altijd een grote aantrekkingskracht op mij gehad. De produk-ties die er geprogrammeerd worden, eisen van de acteurs niet alleen een verbaal-poëtische begaafdheid, maar zijn zeker ook een uitdaging op het terrein van de lichamelijke expressie. En dat zijn dan ook meteen de kwaliteiten die Walter van zijn acteurs verlangt.

De ervaringen bij het werk aan Arme Cyrano en Pak ‘m Stanzi zijn een revelatie voor mij; deze voortdurende recherche naar elke nuance in de taal, het woord als het woord in zijn volle betekenis, gekoppeld aan de waarde van de kleinste beweging van het lichaam. Kan men zich als actrice iets beters wensen dan begeleid te worden door een man met deze kwaliteiten, deze passie en twintig jaar ervaring met ontelbare acteurs ?

Jan Decleir

Toen ik hem als lesgever in de Studio ontmoette, waren wij volop in onze ‘Sturm-und-Drang’-periode en dat klikte heel goed met zijn ongelooflijke wil om dingen te doen. In die tijd had hij binnen de Studio nog geen tegenwerking: Teirlinck zweefde daar nog rond. Hij heeft mij een manier van analytisch denken bijgebracht, vooral in de tekstbehandeling; via heel klassieke dingen: Vondel b.v., maar wel boeiend. Dat heeft wel met zich meegebracht dat ik, tot lang daarna nog, telkens weigerde om emotioneel in iets te duiken. Maar achteraf bekeken was dat toch meer een voor- dan een nadeel. Hij is iemand die naar spelelementen zoekt en het spectaculaire niet schuwt. Hij stelt belang in die virtuositeit, die handigheden die het theater interessant maken. Ik deed Coriolanus met hem als eindexamen. Heel plezierig. We waren ook met de praktische kanten van het theater bezig, heel rudimentair. Zo van ‘hoe zit een projecteur in mekaar?’, ‘hoe knip je bandjes?’ en zo. Walter knutselt graag. En er was ploeggeest; er werd op geen uur gekeken en die rare trekjes van hem hinderden toen niet. Ik bedoel dat Spartaanse, dat overdreven gedrevene. Als student, al lerend volgde je dat gemakkelijk. Maar in de schouwburg sloeg dat niet aan bij de Goden van toen, de generatie van een Jos Gevers, een Robert Marcel, een Jan Cammans (alhoewel die laatste weinig problemen met Walter had). En omdat zijn aanpak daar niet vlotte, ging hij schipperen en speculeren. Wij van de Studio, werkten gewoon verder als voordien; zo fabriceerden we b.v. die botten met cothurnen uit Man is Man ‘s nachts in een galvanisatiefabriekje; dan moesten we Walter buitenzetten, die het anders wou en het allemaal beter wist.

Ik werkte met hem aan Koning Jan, Purper Stof, Little Murders, King Lear (de bastaard) en later Matti in Puntilla. Vanaf dat eerste seizoen ook was er die koppelvorming tussen mij en Luc Philips en tussen Walter en Luc. In die periode onder Bert Van Kerkhoven en Lode Verstraete had hij armslag, kon hij zich wat permitteren m.b.t. zijn honger (die honger waar een kunstenaar recht op heeft, die nooit groot genoeg kan zijn). Binnen de beperkingen had hij toen een serieuze stem in repertoire en casting. Daarna kreeg hij alsmaar meer moeilijkheden binnen het gezelschap door die drastische ommekeer toen Van Elewijck (schepen van cultuur) een partijpion in de schouwburg plaatste, maar ook omdat zijn vroegere compagnons zoals Dirk, mijn broer, en Rik Hancké en Mark Janssen een zekere zelfstandigheid kregen. Ze konden goed met hem werken, maar hadden hun eigen ideeën en ik vermoed dat Walter dit bijna als een soort ‘verraad’ aanvoelde, zeker toen die weg begonnen gaan, Walter leefde nog steeds met die erfenis van Teirlinck, de idee een groot en voorbeeldig Nationaal Toneel uit te bouwen; en dat glipte door zijn vingers. Toen hij zijn vertrouwelingen verloor, kreeg hij ook moeilijkheden aan de top. Hij ging zich bikkelhard verweren en dat leidde tot een soort verbittering; dat uitte zich in zijn omgang met mensen: hij werd solitair en tiranniek. Zachtzinnig is hij wel nooit geweest, maar hij was vroeger geen kwaaie kerel. Ik begrijp dat allemaal zeer goed, hoor. Tenslotte had hij dit gezelschap een serieuze duw gegeven; je kan niet zeggen dat al zijn voorstellingen 100% geslaagd waren, maar geen enkele was oninteressant. De neerslag van die verbittering begon je op de duur in zijn werk te voelen; hij kwam helemaal alleen te staan. Zijn beslissing nu om weg te gaan is prachtig, maar komt te laat. Hij heeft geprobeerd om dubbel te spelen, om te schipperen: de idee van Teirlinck, maar mét toegevingen en dat remde zijn creativiteit af. Hij kreeg het hele gezelschap tegen en een klote gezelschap (op een aantal mensen na die niet opkunnen tegen de mediocriteit) dat moét je niet tegen je krijgen. Hij heeft te lang gewacht; ofwel had hij nog meer stroop aan weet ik welke baarden moeten smeren en directeur worden; ofwel had hij veel vroeger moeten weggaan. Nu : voor hem is ‘t een goede zaak, voor de KNS een ramp.

Of ik nog opnieuw met hem zou willen werken? Door dat verbitterde doordrammen van hem, ben ik wantrouwig geworden. Ik hoor stemmen opgaan over een groot gezelschap in het Raamteater, maar ik zie dat niet, noch door zijn persoon, noch door de mogelijkheden die daar liggen. Door zijn doordrammen ziet hij niet wat er echt gebeurt met de jonge mensen die hij daar rond zich heeft. Hij denkt dat het allemaal hetzelfde is als vroeger, maar – het kan pretentieus klinken – er loopt daar geen Jan Decleir tussen, of een Bert André of een Charles Cornet-te. En zijn idee ‘ik stamp het er wel uit’, daar geloof ik niet in. Dat heeft geen zin.

Charles Cornette

(Regie-assistentes van Galilei, King Lear, Purper Stof, De Vrek...)

Hij en ook Rik Hancké hebben mij Brecht leren kennen. Nu ik zelf regisseer, ontdek ik wat ik van hem geleerd heb: een groot gevoel voor timing en een zeer secure methode om teksten te ontleden. Om te improviseren was er toen in het spel weinig plaats; iedere repliek had haar intentie in het kader van zijn concept, dat reeds aan het einde van de lezing – en het waren zeer lange periodes van lezen – vaststond. Nu zou ik daar problemen mee hebben, vooral na zo tegengestelde ervaringen als b.v. met Arturo Corso.

Karel Vingerhoets

Leonce in Leonce en Lena van G. Büchner was de eerste rol die ik met Walter speelde, op Studio H. Teirlinck. De enorme hoeveelheid materiaal, mij door hem aangereikt, woog me toen te zwaar: ik herinner me het gevoel steeds achter de rol aan te hollen. Vier jaar later vond ik hem voor een korte tijd terug in de KNS en het ging merkelijk beter. Vooral als Lancelot Gobo in De Koopman van Venetië, kon ik hem al minder struikelend volgen op het pad van de creatie. Weer vier jaar later werd onze samenwerking steviger, en mijn ondertussen wat zoekgeraakte zelfvertrouwen opgevijzeld in het Raamtheater. Eerst in August, August, August, daarna in de titelrol in Arme Cyrano. Vooral door de, bescheiden, assistentie bij het vertalen van Rostands meesterwerk begon ik klaarder te zien (en later op de repetities klaarder ‘mee te spelen’) in Walters werkwijze.

Geen hoogdravend, hypothetisch, wereldverbeterend ‘concept’, waarin geen acteur zich een plaats weet te vinden, maar de wonderlijke, wrede, ontroerende of komische realiteit van de paradox. Het poëtische raadsel van de auteur uitvergrotend, voor en met de toeschouwer. In het dagelijkse, soms banale, meestal concrete en technische gevecht van het theater maken, voel ik me als acteur gewapend met Walter als onfatsoenlijk speelse generaal.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

#6

15.03.1984

14.06.1984

Pol Arias, Johan Thielemans, Marianne Van Kerkhoven

Pol Arias studeerde af als dramaturg en was een jaar verbonden aan de KNS. Jarenlang was hij theaterrecensent voor de openbare omroep. In 2007 ging hij met pensioen.

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!