Pascal Gielen

Leestijd 7 — 10 minuten

Off-Side

Heimwee naar het Café des Arts

Over de noodzaak van grensvervaging en hybriditeit in het artistieke bedrijf. Door Pascal Gielen.

Iedereen zoekt een aanleiding om niet te feesten.

(Jan Decorte, 1991:31-32)

Decorte had het toen al goed begrepen. Waar is het plezier, de leute van theater maken en kijken gebleven? Van het afgelopen Nederlands-Vlaams Theaterfestival herinner ik me alleen de kilte en het sérieux rond enkele voorstellingen en debatten. Waar is het feest? Zelfs bij de afloop van wat een fe(e)stival heet, kon er geen fuifje vanaf.

Iedereen lijkt wel de roots van zijn zo hooggehouden medium vergeten. Dionysos, zegt u dat nog iets? Terwijl mannen en vrouwen voor de wijn en mekaar bezweken werd er gespééld. In de geestdrift en de vervoering van de wijn-roes werd theater gebrouwen. Hier raakten realiteit, religie en fictie mekaar nog probleemloos. Dus geen serieuze debatten over de maatschappelijke relevantie van theater. De publieke ruimte – een andere bestond niet -was tegelijkertijd het toonbeeld van theater, dans en gewoon… leven. Elke alledaagse gebeurtenis kon in een roes omslaan in dansen en acteren.

Waar is het feest? Het café is binnen het kunstenhuis compleet gedevalueerd onder de ernstig gefronste wenkbrauwen van menig theaterdirecteur. De brasserie wordt uitgegeven aan derden of gaat op z’n minst een eigen bestaan leiden, los van de artistieke equipe. De informele cultuur ebt weg in vergaderzalen en repetitieruimtes, ver van de alledaagse anekdote. Vanaf nu wordt de artistieke bedrijvigheid besproken onder collega’s en niet meer onder vrienden. Eén van de belangrijkste bronnen van het kunstbedrijf lijkt daarmee uit te drogen: de roes van het vertier.

Nochtans is de brasserie de ideale vermenger van de artistieke bedrijvigheid met het schijnbaar triviale. Hier gaat de grens tussen hoog en laag, tussen kunst en ‘populair’ vervagen. De zaal van vertier vormt het niemandsland tussen binnen en buiten, tussen het artistieke en het alledaagse. De toeschouwer krijgt er terug zijn stem die verder reikt dan zijn applaus. Tussen pot en pint kan de criticus er zijn vragen kwijt. En in de late uurtjes wordt de toeschouwer eventjes kunstenaar en de criticus even programmator. Het carnavaleske van het feest schudt rollen en posities stevig door mekaar. Dan vallen er nog eens rake woorden. Maar dan komen we ook het dichtst bij de fictie van dans en theater.

De publieke plek heeft in het verleden nog meer (artistieke) diensten bewezen. Ooit vormden de Salons, Coffee Shops en Tischgesellschaften de alternatieve tegenpool voor de door de academie opgelegde artistieke codes. In de brasserie werden de eerste aantijgingen geformuleerd tegen het vastgelegde decorum van kerk of heerser. Voor wie het vergeten zou zijn: het was op deze plek dat de discussies stevig gingen afwijken van het opgelegde vocabularium; het was hier dat het artistieke bedrijf voor de eerste maal haar autonomie opeiste. Maar ook de publieke opinie vond haar onafhankelijke stem in kranten en tijdschriften: de kritiek werd op deze plaats geboren.

Door de tijden heen vormden de zalen van vertier het ideale decor voor ontmoetingen en debat. Ze waren voor menig kunstenaar een geliefkoosde inspiratiebron: de impressionisten bediscussieerden er hun geschilder, Wilde putte heel wat woorden uit de mooie mannen die hij er observeerde, Canetti ontmoette er Biecht, Dali sprak er Mick Jagger, Baudelaire ontwikkelde er zijn moderniteitsbegrip,… en onlangs zag ik Lieven De Cauter driftig krabbelen in taverne Le Coq. Zou hij hier zijn Archeologie van de kick hebben geschreven?

Tegenwoordig worden discussies echter op de verkeerde plaats gevoerd. Droge bureaus of steriele vergaderruimtes zorgen voor weinig animo. Hun formeel karakter legt daarenboven het dispuut aan banden. Het kritisch vertoog lijdt er aan een wansmakelijke institutionaliseringsepidemie. Niemand durft nog vrijuit spreken of even zweven boven zijn positie. Theaterdirecteuren, beleidsverantwoordelijken en andere belanghebbenden verdedigen verkrampt hun eigen zaak waardoor elke open discussie vastloopt. Elke uitspraak lijkt direct kwantificeerbaar in Belgische franken. De boekhouder gaat steeds meer doorwegen in het artistieke discours. Dus alles wordt vanaf nu goed afgewogen, elke stellingname wordt netjes op voorhand bepaald. Zo loopt het dispuut binnen correcte banen, maar het wordt daardoor onnoemelijk saai in zijn voorspelbaarheid. Het rational-choice-denken verbiedt elke creatieve uitspatting. Het kritische vertoog verdwijnt vanaf nu in een strategisch spreken. Ook dat bewees het laatste Theaterfestival.

Het café is echter nog één van de weinige plaatsen voor discussie of commentaar. Hier durft nog af en toe iemand echt iets zeggen; al spreekt men er tegenwoordig ook met enige voorzichtigheid. Maar het gesprek kan er nog ontsporen.

Veldbevuilers

Het café maakt de grens tussen het artistieke en het alledaagse flou, maar in de Kunsthuizen wordt het café gedevalueerd. Dat is een tragisch randverschijnsel van een uit de hand gelopen professionalisering. Alles moet tegenwoordig netjes binnen de grenzen blijven. Deze claim legt de sector niet alleen op het kritisch vertoog, maar op elke opwelling die het theatrocentrisch bestand zou doorbreken. Wanneer kunstencentra het routinematig programmeren willen opgeven worden ze algauw teruggefloten. Zo zorgde de ingeslagen koers van de Beursschouwburg voor heel wat ophef binnen het theaterwereldje. Enkele kunstenaars veroorzaakten ooit een gelijkaardige polemiek.

Misschien maakt de (verloren) positie van Jan Decorte het een en ander duidelijk. Wanneer we naar het Vlaamse theaterlandschap kijken zien we dat de meeste gezelschappen beantwoorden aan hun interne logica. Of het nu gaat om het Mechels Miniatuurtheater, de Blauwe Maandag Compagnie of Stan, alle spelen binnen de aangeboden theaterinfrastructuur zoals de kunstencentra, culturele centra en schouwburgen. Ze maken gebruik van het festivalaanbod en blijven de rol van theatercritici respecteren. Ook gezelschappen die ‘verouderde’ theaterconventies in vraag stellen, spelen het spel volgens de regels van de kunst. Wanneer Stan of de Roovers de traditionele rol van regisseur of speler bekritiseren, is dit maar een ‘rituele heiligschennis’. Uiteindelijk past de vernieuwing van deze gezelschappen binnen de logica van elk artistiek bedrijf waarin pretendenten en gesettelden mekaar voortdurend aflossen. Hun ontmaskering wordt uiteindelijk zelf een conventie. Ze brengen de vorm en inhoud van theater ter discussie, maar het theaterbedrijf zelf staat buiten kijf.

Het is echter anders gesteld met gezelschappen die niet alleen de manier van spelen becommentariëren, maar het spel zelf en het geloof erin in vraag stellen. Zo werd Decorte ooit erg geprezen als theatermaker en -schrijver. In Een theatergeschiedenis der Nederlanden wordt hij trouwens aangekondigd als ‘Vlaanderens eerste “hilarische” theatermaker’. Decorte deconstrueerde in het begin van de jaren ’80 de toen heersende acteerstijl tot een ogenschijnlijk nulpunt. De theatermaker trok zijn revolutie echter in extreme mate door. Decorte stelde niet alleen het theater in vraag, maaide regels van het artistieke bedrijf zelf. ‘…Ik heb altijd beseft, dat als ik ooit een theater wilde hebben dat van mij was, ik werkelijk alles, letterlijk alles moest herdenken. Regie, dramaturgie, tekst, acteren. Alles. En daar zijn gek genoeg een aantal logische conclusies uit gevolgd. Ook over de rest van het theaterwezen. (…) I did it my way met als voordeel dat ik ook niet begrepen ben door dat rare, zelfbewegende wereldje.’ Aldus Decorte in een interview met zichzelf. (Decorte, 1991:73)

Door naast de geïnstitutionaliseerde theaterinfrastructuur allerlei jeugdclubs en cafés te bespelen, door zijn frivole optreden in Sterrenwacht en een ‘bedenkelijke’ politieke carrière werd Decorte een amorfe all-round player. Hij werd daarmee nog moeilijk vatbaar voor de smaakspecialist. Op die manier stelt Decorte zich letterlijk buiten de legitieme orde van de artistieke scène. Zeker zijn openlijke roep om roem en geld schoot bij menig theatercriticus in het verkeerde keelgat. De ‘charlatan’ telefoneerde daarenboven zelf enkele critici met de boodschap ‘liever niet meer over hem te schrijven’. Decorte maakte zich daarmee schuldig aan de enige echte zonde van het kunstzinnige gebeuren: hij negeerde de spelregels ervan. De theaterbricoleur haalde echter voor eventjes de roessmaak van het café weer binnen het artistieke sérieux.

Iets gelijkaardigs zien we gebeuren in de Brusselse Beursschouwburg. Door de ene maand Eddy Wally te programmeren en de volgende keer Leporello op het podium te vragen, krijgen we – op zijn zachtst gezegd -nogal vreemde combinaties. De grens tussen kitsch en kunst gaat er vervagen. De priesterkaste van theaterexperts en beleidsmakers raakt volledig gedesoriënteerd. In de ogen van velen besmeurt de Beursploeg de artistieke etiquette met zijn vettige vingers. Als ‘in-be-tween’ neemt ze een loopje met iedere binairie tussen hoog en laag. Ze creëert een ongemodelleerde tussenvorm die voor het klassieke discours van de criticus onvatbaar blijft.

De Beursploeg heeft het klassieke referentiekader van de theatersector dan ook vaarwel gezegd. Artistieke relevantie wordt er juist gezocht in de grenszone of het ‘niemandsland’. Dit landschap wordt bewoond door bejaarden, zwervers, zigeuners, staatlozen, migranten, maar ook door kunstenaars. Al deze figuren hebben één ding gemeen: in hun hybriditeit zijn ze niet te claimen, ze zijn ondefinieerbaar voor de sector. Het is juist omdat de Beursschouwburg op dit braakliggende terrein op zoek gaat voor haar artistieke programmatie dat ze deelt in haar onvatbaarheid.

Zowel Decorte als de Beurs hybridiseren de geconventionaliseerde grens tussen het binnen en het buiten van de artistieke sector. Door hun dubieuze lidmaatschap (of moeten we juist spreken van een dubieus niet-lid-maatschap?) brengen ze alterniteit binnen het artistieke bedrijf. Ze brengen de onverwachte en voor velen ongewenste mogelijkheid tussen kunst en niet-kunst wat leidt tot intense controverses. Door die ambivalente positie stellen ze juist de culturele hegemonie in vraag. Zo stelt bijvoorbeeld Spoken Word (een programma waarbij vooral rockmuzikanten zoals Nick Cave, Henry Rollins, Blixa Bargeld een performance geven die los komt te staan van hun normale repertoire) de problematische afbakening van een categorie als ‘theater’ aan de kaak. Het zegbare, de begrenzing van het discours over podiumkunsten, wordt voortdurend in vraag gesteld.

Zoals de grensvervaging in de brasserie vervullen veldbevuilers als de Beursschouwburg of Decorte een cruciale rol voor het artistieke bedrijf. Louter door hun aanwezigheid, plaatsen ze op zijn minst een kritische kanttekening bij de routine-mechanismen die dit wereldje draaiende houden. Ze vragen voortdurende verantwoording van waar we mee bezig zijn. Het café in het kunstenhuis doet dit door het artistieke en het alledaagse binnen haar muren te confronteren en aan een (soms) kritisch vertoog te onderwerpen. Of het nu gaat om de kunstenaar, de ambtenaar, de buurvrouw of de vrouwenloper, ze feesten er binnen dezelfde muren. En soms hoor je er nog de – in ogen van sommigen – naïeve, maar daarom niet minder doortastende vraag: Waarom al dit ‘kunstgedoe’? De Beursschouwburg bewerkstelligt dezelfde kritische noot met haar voortdurende grensspelen tussen podiumkunsten en het leven in de Brusselse straten. Het Beurscafé is daarenboven nog één van de weinige dat door de artistieke leiding erkend wordt als een vitaal orgaan binnen haar werking. Misschien is het wel op deze plaats dat die ene Brusselse hofnar in zijn roes vergat of hij nu in Sterrenwacht, het parlement of het theater stond te prediken. Hem was het allemaal eender: ‘alles één groot toneel!’

(voor Tony)

Bibliografie:

J. Decorte, Portrait de théâtre, 1985-1990, Bert Bakker, Amsterdam, 1991.

P. Bourdieu, De regels van de kunst. Wording en structuur van het literaire veld, Van Gennep, Amsterdam, 1994.

D. De Geest, Literatuur als systeem, literatuur als vertoog, Peeters, Leuven, 1996.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

Pascal Gielen

Pascal Gielen, redacteur van Etcetera, is als hoogleraar verbonden aan het Antwerp Research Institute for the Arts (ARIA). Als cultuursocioloog doet hij onderzoek naar cultuurpolitiek en de institutionele context van de kunsten. Gielen is ook hoofdredacteur van de internationale boekenreeks Arts in Society.  

artikel