Nienke Scholts

Leestijd 5 — 8 minuten

Of Wittgenstein

In Lob des hohen Verstandes, een Duits volksgedicht dat Gustav Mahler in 1896 op muziek zette als onderdeel van de liederencyclus Des Knaben Wunderhorn, wordt een zangwedstrijd tussen de nachtegaal en de koekoek beschreven, waarbij de ezel als scheidsrechter optreedt. Tegen alle verwachtingen in verkiest laatstgenoemde de koekoek boven de nachtegaal. De ezel, die immers enkel zijn eigen ia gewend is, herkent in het koekoek van de koekoek een ‘taal’ die hem veel begrijpelijker in de oren klinkt dan de versierde melodieën van de nachtegaal.

Net als de ezel in dit verhaal, begrijpen wij en delen wij de wereld in aan de hand van de taal die ons ter beschikking staat. Wat we niet in woorden beschrijven kunnen, bestaat zogezegd ook niet. De Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein schreef zijn beroemde Tractatus Logico-Philosophicus (1921/22) over dit gegeven. In dit traktaat zit een tekst waarin de filosoof de relatie tussen wereld en taal probeert te vatten. Taal was voor hem enkel zinvol als toegang tot de waarneembare werkelijkheid. In haar essay De wereld is een woord verheldert filosofe Patricia de Martelaere Wittgensteins ideeën als volgt: ‘“Beelden” zijn voor ons niet datgene wat woorden beschrijven, maar datgene wat woorden ons, voor het eerst, laten zien.’In zijn latere werk Philosophische Untersuchungen (1952) kwam Wittgenstein echter tot de radicale conclusie dat taal te complex is om de wereld in een een-op-een-verhouding te beschrijven.

Dat regisseur en acteur Lucas Vandervost, artistiek leider bij De Tijd, gefascineerd is door Wittgensteins traktaat hoeft geen verbazing te wekken. Het theatergezelschap verkent al sinds de jaren ’80 het theatrale potentieel van vaak niet-dramatische teksten en de Tractatus stond al twintig jaar op het verlanglijstje. Begin 2009 liet Vandervost zich dan eindelijk verleiden tot een solo die de naam van de filosoof draagt: Wittgenstein. Het traktaat diende als startpunt en leidraad, maar de voorstelling is geen inleiding in de filosofie, laat staan een poging ons de volledige theorie in een monoloog inzichtelijk te maken.

In een beeldinterview door Christophe van Eysendyck vertelt Vandervost: ‘De wereld om mij heen en mijn leven daarin zijn complexe gegevens, ik begrijp ze niet. Maar ik hoef de wereld en mijn leven niet te begrijpen; net als theater niet begrepen hoeft te worden. Het moet beleefd worden.’

Wittgenstein is ontstaan vanuit de verwondering van Vandervost voor de ideeën van de jonge Weense man. De aantekeningen die later als het traktaat zouden worden uitgegeven, schreef de toen pas 25-jarige Ludwig neer tijdens zijn vrijwillige dienstperiode bij het Duits-Oostenrijkse leger in de Eerste Wereldoorlog. De gedachten die de filosoof er ontwikkelde geven blijk van een onwaarschijnlijk complex proberen te begrijpen van de wereld. Vandervosts solo is ontstaan vanuit een gedeelde zoektocht naar het waarom van de taal. Het gaat hem er ook hier om de beleving van de tekst over te brengen. Het belang van het rationele begrip ervan verdwijnt daarbij naar de achtergrond.

Bij aanvang staat Vandervost ons op te wachten in een veld vol rode klaprozen, een zestal ventilatoren staan er stilzwijgend langs opgesteld. Het is een verwijzing naar In Flanders Fields, een gedicht dat John McCrae – een andere soldaat uit WO I – aan het Vlaamse front schreef.

Achter op het toneel kleurt de horizon ook rood. ‘Kan ik eraan twijfelen dat deze kleur rood heet?’ Het is slechts een van de vele citaten uit Wittgensteins traktaat, waarmee Vandervost op het toneel duidelijk maakt hoezeer de filosoof het gebruik en de (on)zin van het woord in vraag stelde. Hij vervolgt kort daarna: ‘De stilzwijgende afspraken die we hebben om te kunnen communiceren zijn zeer complex. Waarom bestaan er uitdrukkingen als “als het ware”?’ Vanuit zijn overtuiging dat het woord altijd vóór het beeld komt, sprak Wittgenstein nooit over een innerlijke leefwereld, want dat kan je immers niet zien. Omgekeerd probeert Vandervost in de voorstelling taal juist tot de verbeelding van de toeschouwer te laten spreken, het woord om het woord. Hij laat je taal als spel zien en nodigt je uit mee te spelen, zo kom je los van het begrip ervan en kan je – misschien juist omdat het zo een ‘onzinnig’ begrip is! – genieten van een taalconstructie als ‘als het ware’.

Vandervost is gekleed als de ezel – hij draagt zijn oren. Omdat niet het begrip van deze tekst, maar de ervaring uitgangspunt is, komt hij, al associërend op Wittgensteins filosofie, steeds bij andere teksten uit. Doorheen de wereldliteratuur houdt hij, in de rol van de ezel die de koekoek verkiest, halt bij ‘klanken’ die hij herkent. Deze fragmenten vormen stilaan de context van de losse citaten uit Wittgensteins traktaat die in deze monoloog versneden zijn.

Zoals koekoekseieren in verschillende nesten worden uitgebroed, broedt Vandervost steeds letterlijk op een andere plek (broekzak, oksel, jaszak) een koekoeksei uit. Geboren worden teksten van Paul van Ostaijen, Qian Qi (wiens gedicht puur klank wordt), Marcel Proust (de Madeleine), Virginia Woolf, T.S. Eliot, Franz Kafka (de Kever) en James Joyce. Hoewel de auteurs zich in woord onderling zeer verschillend uiten, vertellen deze werken ieder voor zich ook iets over de relatie tussen taal en wereld(beeld). Vandervost citeert hen, zonder hiërarchie, en biedt zo een veelheid aan perspectieven.

De dramaturgie getuigt van een eclectische collage, en toch is in die ‘willekeur’ evenzeer een heldere structuur zichtbaar. Het onderscheid tussen de verschillende citaten wordt namelijk steeds in- of uitgeleid als Vandervost het eitje schudt, de roep van de koekoek klinkt en hij de auteur noemt van wie hij net iets heeft geciteerd. Hoe eenvoudig ook deze code, hij is effectief. Hij biedt een kader waarbinnen het publiek vrij is om mee te gaan op een reis kriskras doorheen de wereldliteratuur.

De acteur brengt zijn tekst met een tikkeltje melancholie en humor. Het zijn emoties die we, zo citeert hij Wittgenstein, ‘pas als we ons aan de randen van onze (persoonlijke) ruimte bevinden, zullen tegenkomen’. Het zijn ook emoties die het onvermijdelijke verstrikt raken in de taal (als je de logica van taal in taal wilt uitdrukken) verlichten. Ons er zelfs om doen lachen. Zijn sporadische ‘gekheid’ past de ezel dus wel, wanneer hij in het begin rare sprongen – een dansje – maakt.

Aan het eind van zijn taalspel, wanneer er geen koekoek meer klinkt, houdt ook de ezel zijn ia stil. Het zwijgen voelt hier echter niet aan als de uiteindelijke overgave aan die bekende zin die Wittgensteins idee over taal kenmerkt: ‘Waarover men niet spreken kan, kan men beter zwijgen.’ Nee. Ezels laatste zin klinkt als een voldaan uithijgen na een goed gespeelde wedstrijd. Hij besluit: ‘… und auf unssinkt des Glückesstummes Schweigen.’

Zo maakt Vandervost zich Wittgenstein eigen; niet door het begrip van de tekst, maar door het spelen van een ingenieus taalspel. Hoewel de filosoof zegt: ‘Wat zich in de taal weerspiegelt, kan niet worden beschreven door de taal’, laat de ezel ons de taal ervaren zoals hij hem verstaat. Dat het begrip van de tekst soms onze pet te boven gaat, doet er daarom niet toe. Doordat zijn monoloog persoonlijk is, slaagt Vandervost erin de potentie van de taal voor het publiek voelbaar te maken; zijn wereldbeeld wordt erin weerspiegeld.

En omdat niet iedereen dezelfde taal spreekt: voor de toeschouwer die in dit taalspel geen klank herkent die hem aangenaam in de oren klinkt, u had waarschijnlijk de nachtegaal verkozen. Zo kan iedereen zijn ezelsoren opzetten en op basis van het ia dat hij het best kent, zijn eigen scheidsrechter spelen.

Gezien op 17 februari 2009 in de Bourlaschouwburg in Antwerpen (première). Of Wittgenstein speelt op 8 januari in de Stadsschouwburg Rotterdam, op 2 februari in de Stadsschouwburg Groningen en op 4 februari in de Toneelschuur in Haarlem. www.detijd.be

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#119

01.12.2009

30.06.2008

Nienke Scholts