Hugo Van den Berghe

Daan Bauwens, Hugo Van den Berghe

Leestijd 6 — 9 minuten

NTG tussen laboratorium en repertoire

Hugo Van den Berghe

De aflossing van de wacht aan de top van de A-gezelschappen roept steeds verwachtingen op bij veel theatermensen. Als dan blijkt dat door de wol gewassen en ervaren theatermakers de uitdaging aangaan en de nieuwe benoemingen eigenlijk nogal voorspelbaar zijn, is de teleurstelling groot. Maar hoeft dat? Is het wantrouwen van de theaterliefhebber gerechtvaardigd op grond van voorbije ervaringen alleen? Wat drijft die mensen die alle kanten van het hun toevertrouwde gezelschap al jaren kennen? Hugo Van den Berghe en Walter Tillemans, de respectieve opvolgers van Jef Demedts in het NTG en Yvonne Lex in de KNS, praten over hun motieven om een grote machinerie over te nemen.

Na vijfentwintig jaar acteren bij het NTG-gezelschap word je nu de kersverse directeur van dit gezelschap. Met welk gevoel heb je door de jaren heen het functioneren van het NTG aangevoeld?

H.V.D.B.: “Je formuleert het misschien anders maar eigenlijk bedoel je: Hoe komt het datje zolang blijft? Daar zijn twee redenen voor. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik opgesloten zat omdat ik buiten het NTG altijd de kans heb gehad om diverse dingen te doen zoals televisiewerk, radio, regisseren enz. Mijn leven is nooit verbonden geweest aan het NTG. Daarnaast heeft het NTG het geluk gehad meerdere directeurs te kennen. Dat klinkt misschien ironisch maar door die differentiëring had je bijna de tijd niet om je ongelukkig te gaan voelen.”

Zijn er opvallende cesuren in het artistiek beleid geweest?

H.V.D.B.: “Ik vond het aantreden van Jaak Van Schoor een bijzonder hoopvolle periode, eerst en vooral door de repertoirekeuze. Dat bleek dan niet realiseerbaar. Het werd meteen de periode van de grootste desillusie. Met Jef Demedts kreeg het NTG een nieuw élan. Ik was er sterk bij betrokken via de beleidsgroep. Als ik op de eerste tien jaar van Jef terugkijk denk ik dat we daar iets mee gedaan hebben. Dat het NTG in die periode beschouwd werd als het beste van de drie A-gezelschappen is, denk ik, niet onterecht geweest.”

Een dure jongensdroom?

Toch wou je twee jaar geleden nog weg?

H.V.D.B.: “Ja, daar was sterk sprake van. We hadden plannen om iets op te starten en in het NTG werd de beleidsgroep opgedoekt. Ik blijf erbij dat dat geen verstandige beslissing was. Met Fabula wilden we – Roobjee, Hugo Claus, Jan Decleir en ikzelf – het juk van het decreet ontvluchten. We vonden de produktiedrang en het geïnstitutionaliseerde een te grote druk op het theater.

We dachten eraan een stadsgezel-schap te vormen. Er is trouwens veel goodwill getoond. Als we van de bestaande ruif wilden eten, wisten we dat we het nooit gingen krijgen en terecht. Maar toch hadden we de pretentie om te zeggen: dat komt deze heren, die al wat ouder en wijzer zijn, toe. Natuurlijk werden onze plannen realistischer naarmate we met beleidsmensen gingen praten. Onze eisen waren namelijk vrij groot en daar stond niet direct veel tegenover. We spraken van twee of drie stukken. Maar we hadden niet de moed om zeg maar zoals Luc Perceval met een kartonnen decor Don Quichotte te gaan spelen. Voor ons moest er wat meer bij.”

Dus één van onze beste acteurs besluit directeur te worden. Wat trok je daar in aan? Hoe schat je de consequenties in ?

H.V.D.B.: “Ik ben niet over ijs van een nacht gegaan. Deelname aan de beleidsgroep en de ambitie om impact te hebben op hoe een gezelschap er moet uitzien, wijzen ook al in die richting. Ik heb geen enkel probleem om in die andere stoel te gaan zitten en een aantal jaren niet meer te spelen. Ik ben niet beschaamd als je mij een van de beste acteurs in Vlaanderen noemt, maar ik ben er niet aan verslaafd. De schoonste periodes zijn voor mij altijd de repetities geweest. Het spelen heb ik nooit ervaren als in de huid van iemand anders kruipen.”

Welke beleidslijnen wil je uitzetten?

H.V.D.B.: ‘Ik heb aan het gezelschap gezegd dat als ik directeur werd, ik het gezelschap volledig zou overnemen met de bedenking dat we dat na een of twee jaar evalueren en conclusies trekken. Een directeur legt een belangrijke claim op het gezelschap door de manier waarop hij de mensen motiveert. Ik ben uitgegaan van carte blanche voor iedereen. Los van het repertoire wil ik in de buik van zo een gezelschap aan een soort totale revisie doen, laboratoriumwerk dat niet direct hoeft naar buiten te komen zodat we op alle niveaus kunnen herbronnen. Ik denk dat het NTG daaraan toe is. Daaruit moeten we kunnen concluderen wie zich daar lekker bij voelt en wie niet. Het gaat niet zozeer om het klassieke talent maar om het creëren van een soort homogeniteit onder de mensen die daar deel van uit maken. Het NTG is natuurlijk een gezelschap dat heterogeen is samengesteld. Daar zit je nog altijd mee. Jef Demedts heeft daar al hard aan gewerkt. Dat was één van de pijlers van zijn beleid. Door de produktiedwang van het decreet is daar nooit echt tijd voor gecreëerd.”

(Her)scholing

Is jouw opzet te vergelijken met de NTG-workshop van jaren terug met Brulin en Marijnen?

H.V.D.B.: “Neen. Dat was een tweede plateau. Ik bedoel eerder dat er gewerkt moet worden, lessen gevolgd. En dat die dingen dan repercussies hebben op wat er op de scène gebeurt. Er zijn een aantal goede regisseurs langsgekomen die in de andere A-gezelschappen niet welkom waren. Ik denk dat er nu andere moeten komen. Nu wil iedereen Perceval en ik hoop dat hij ook hier komt. Maar je moet dat ook verdienen als gezelschap. Ik merk het als ik met mensen praat. “Leuk dat je mij vraagt, maar wat kan ik daar komen doen?” Buitenlandse regisseurs kunnen we maar uitnodigen als we over een heel goede infrastructuur beschikken waarin we die mensen optimaal kunnen opvangen. Met een toevallige goede voorstelling van een groot regisseur zijn we ook geen stap vooruit.”

Met welke werkinstrumenten wil je dat realiseren ?

H.V.D.B.: “De première is achter de rug en er is nooit een evaluatie. Dat vind ik verkeerd. Men moet de moed hebben daarover te praten. Tweede middel is, los van de produktie, praten over het theaterlandschap in Vlaanderen en de plaats van het NTG daarin. Het derde middel is scholing en herscholing. Theaterwetenschap is hier een vrij recent fenomeen maar ik geloof dat we ook die mensen erbij moeten betrekken. Ik ben bijvoorbeeld niet bang mensen op repetities toe te laten. We moeten stilaan volwassen genoeg zijn om dat te doen.”

Hoe buig je de terugloop van de toeschouwers bij de A-gezelschappen om ?

H.V.D.B.: “Daarvoor verwijs ik je naar KNS en KVS. Ik wil niet over dezelfde traditionele kam geschoren worden. Het NTG heeft hoge cijfers. Er is altijd een duidelijke profilering geweest en daar heeft het NTG van geprofiteerd.

Ik heb iets tegen de term ‘repertoire’. Maar als men dat vertaald heeft in gevestigdheid en conservatisme klopt het. Die naam moet dus weg. Ik steun daarom het decreet Dewael: profileer je en we zien wel. Maak dat je bestaansrecht hebt en niet omdat je het toevallig gekregen hebt.”

Kan je het proces van theatermaken beïnvloeden of is de structuur dusdanig dwingend?

H.V.D.B.: “Als dat laatste moet dienen om een falend beleid goed te praten, ben ik niet akkoord. Dan moet je een topmanager of zo aan het werk zetten.”

Eigen dramaturgie

De A ‘s toonden weinig dynamiek op het vlak van eigen dramaturgie.

H.V.D.B.: “Daar ben ik het volkomen mee eens. Men heeft te gemakkelijk gezegd: dit is geen goed stuk. En dan spreek ik nog niet over de manier waarop men het al die jaren gedaan heeft. Er moet absoluut in risico geïnvesteerd worden. Ik geloof 100 % in de eigen dramaturgie in zijn breedste zin: de inhoudelijke lezing, de vormgeving in acteren, kostuums, decors. Het is de startbasis. Het dramaturgenbureau ga ik uitbreiden. Dat wordt een bureau en niet één man met een begeleidende funktie naar het spektakel toe. Het schrijven van programmabrochures en publikaties zal tot een minimum beperkt worden.”

Er volgen dus ook schrijfopdrachten?

H.V.D .B.: “Ja, maar ik heb behoefte aan mensen die buiten lopen en een zender-funktie vervullen. Leyers-Peeters is zo een duo of Tom Lanoye. We gaan Misdaad en straf in bewerking van Johan De Boose doen. We konden ook de Wajda- versie nemen. Kamagurka is een uniek fenomeen. Zijn humor, alertheid voor de gebeurtenissen: het zou jammer zijn als dat niet voor theater bruikbaar zou zijn. Hij behoort niet tot de voor de hand liggende auteurs maar ik geloof niet in het gemakkelijke theater. Vandaag kan je niet zomaar programmeren naar een groot publiek toe en het ook bereiken.”

Het NTG heeft zich altijd nogal afgesloten voor de collega’s. Komt daar verandering in ?

H.V.D.B.: “We doen wat met de jeugdtheaters en Arca samen. Er zijn in Gent ook twee goede receptieve schouwburgen, Nieuwpoorttheater en Vooruit. Het zou jammer zijn mocht daarmee niet meer dialoog komen. Ik wil daar zelf het initiatief toe nemen.”

Mag ik besluiten dat je niet aan je fin-de-carrière toe bent?

H.V.D.B.: “Ja. Ik geloof dat hier een wil aanwezig is die ik bij de andere niet in dezelfde mate gezien heb. Ik zeg systematisch alles af wat acteren betreft, want ik kan geen vier weken naar de plateau toe. Enkel presentatiewerk op televisie blijf ik doen als een hobby. Ik wil me niet tussen vier muren begraven. Een artistiek directeur moet praten met mensen en het is goed dat die mensen weten met wie ze praten!”

gesprek
Leestijd 6 — 9 minuten

Daan Bauwens, Hugo Van den Berghe

gesprek