© Sofie Knijff

Leestijd 8 — 11 minuten

Not Quichot – Sarah Moeremans/Het Zuidelijk Toneel

Van dolende ridder tot trucker-zonder-tachograaf

De meest radicale versie van Miguel de Cervantes’ Don Quichot is die van Pierre Menard, de onbestaande schrijver en rationalistische filosoof die Jorge Luis Borges opvoert in een kortverhaal. Pierre Menard herschreef enkele hoofdstukken en benaderde de perfectie: elk letter, elk woord, elk zin en elk leesteken waren identiek aan Cervantes’ origineel, en toch was het beter dan de oerversie, in de ogen van de beschouwers. 

Niets van deze teksttrouw bij Joachim Robbrecht, geen rationalistisch credo. Hij herschreef, samen met Artun Alaska Arasli en Sarah Moeremans Don Quichot, zoals Salman Rushdie, Kathy Acker en anderen dat ooit deden.  Het lijstje staat afgedrukt in het programmaboekje van HZT, naast andere referenties voor Robbrechts bewerking, zoals Jack Kerouacs On The Road en Zen and the Art of Motorcycle Maintenance van Robert Pirsig, klassiekers uit de hippiejaren. De invloed van deze road novels op Robbrechts Not Quichot is onmiskenbaar. Al deze verhalen, ook de Quichot-bewerkingen, spelen zich af in de USA, dat tegelijk een paradijs van ruwe vrijheid als een dystopie van agressieve bekrompenheid is – kort door de bocht samengevat. Zij kopiëren zeker niet Cervantes’ schildering van waanbeelden, ontleend aan een overdosis ridderromans, waarmee de eerste Don Quichot zijn reputatie vestigde. De versie van Robbrecht c.s. speelt zich af in Europa en Afrika, maar situeert zich toch in deze traditie, zonder zich af te zetten tegen de barokke schelmenroman van Cervantes. Die is trouwens ook een radicale kritiek op de intellectuele en moralistische beperkingen van zijn tijd, op de hypocriete trots van een aristocratie die schijnbaar de deugden van de ridderlijkheid omarmt, maar tegelijk de halve wereld wil veroveren, met minachting voor alles wat niet ‘katholiek’ is. Cervantes’ Don Quichot was ook een gefrustreerde figuur met een beetje blauw bloed, die in romantische nostalgieën wegkwijnt – amper een edelman, en met een onbereikbare want onbestaande geliefde. Eigenlijk een reactionair type, dat door zijn extravagantie iets revolutionairs krijgt, maar nooit op Tijl Uilenspiegel zal lijken. Is de Q van Robbrecht fundamenteel anders? Lange tijd lijkt dit wel het geval te zijn. Tot hij ontploft in een uitbarsting van mensenhaat, die niet meer als waanbeeld verontschuldigd kan worden.

Het publiek wordt verwelkomd door een bende clowns, sommige vrolijk, sommige iets meer terughoudend. Tegen de achtergrond van een asfaltfabriek op een fabrieksterrein buiten Den Bosch, stellen ze zich voor: hun naam heeft telkens maar één letter, bovendien bekvechten er twee om de letter S. De rol van Q (Quichot) is niet toegewezen aan één acteur, ze zijn allemaal een beetje Q, wanneer hen dat uitkomt. We bevinden ons op een herdenkingsmoment voor Q, die al langere tijd verdwenen is, dood waarschijnlijk, ergens in de woestijn van West-Afrika. Hij was, zo zegt men, onderweg naar Dakar, hoofdstad van Senegal en eindpunt van de gelijknamige rally – een behoorlijk profane bestemming, misschien een laatste toegeving aan de macho in hemzelf. Voordien heeft hij een lange tocht gemaakt met zijn truck, maar de getuigenissen van zijn reisgezellen en kennissen onderweg zijn, op zijn zachtst gezegd, onbetrouwbaar. Eén figuur, de journaliste A, claimt objectiviteit, want zij ontving regelmatig audioboodschappen van Q, ergens onderweg. Maar hij kon natuurlijk beweren wat hij wilde, waarheid was voor hem zeer relatief. En anders dan bij Cervantes heeft Q geen doel dat ogenblikkelijk duidelijk wordt, geen ondubbelzinnige love interest. Er is dus ook geen richtsnoer om alle alternatieve waarheden enigszins te duiden, om verdedigbare keuzes te maken. 

“Achter de theatrale beelden zit een politieke werkelijkheid.”

Deze vijf spelers weten eigenlijk niet goed wie ze herdenken, ze begrijpen ook niet helemaal waarom wij, toeschouwers, zo graag getuige willen zijn van hun queeste. Maar dat is een gekende toneeltruc, zodat we onze aandacht spitsen. Met handen en voeten proberen ze uit te leggen hoe het leven van de vermiste Q eruit heeft gezien, of beter: hoe het eruit zou kunnen gezien hebben. De rivaliserende S’en zorgen alvast voor onduidelijkheid. De mannelijke S (Louis van der Waal) lijkt nog het meest op de Sancho Panza van Cervantes, met zijn roze toreadorskostuum, terwijl de vrouwelijke S (Alicia Boedhoe, in strak grijs broekpak) een jonge studente is die zo goedkoop mogelijk naar Bologna wil, om daar te studeren aan de oudste universiteit van Europa. Nog ingewikkelder is het personage van de ‘vrouw zonder naam’ (Keja Klaasje Kwestro), die alle seksueel geladen vrouwenrollen op zich neemt, met grote gretigheid: de volkse uitbaatster van een wegrestaurant (met een teveel aan mensenkennis), het gefrustreerde, racistische trophy wife in een hotelbar, en in de eerste plaats La Cicciolina. De Italiaanse porno-actrice, kortstondige echtgenote van Jeff Koons en later parlementslid voor de ‘partij van de liefde’, zij is de Dulcinea in dit Quichot-verhaal: een vrouw van vlees en bloed, maar haar persona is helemaal bij elkaar verzonnen, meer plat-populaire mythe dan belichaming van romantisch verlangen. Dus toch een love interest, maar wel van de dubieuze soort. De reis door Europa van Q, die door dit gezelschap gereconstrueerd wordt, eindigt wel in Italië, maar met een heel andere missie dan de vervulling van een amoureus verlangen. En dan is er P (Gillis Biesheuvel), die nog het dichtst bij afwezige Q aanleunt. Hij is ook een trucker, kent alle hallucinaties die ontstaan door slaaptekort en frauduleuze tachografen, hij heeft ook ongevallen meegemaakt – Q kon als een lazarus opstaan uit het gruwelijkste accident, slechts licht beschadigd. 

Omdat alle acteurs ook Q spelen, als ze een verhaal over hem vertellen, gaan ze er, zoals de spelers van Abattoir Fermé in ongeveer elke voorstelling, steeds smeriger uitzien: bloed, wit poeder, gescheurde kleren, vies ondergoed. Steeds meer gaat de roadtrip op een helletocht lijken, wij krijgen, op theatrale wijze weliswaar, te zien wat Don Quichot, en zijn opvolger Q, in hun zinsbegoocheling voor werkelijkheid aanzagen. Geen kudde schapen die een agressieve roversbende leken, zoals in de verbeelding van Cervantes’ droevige ridder, maar een heuse betoging van woedende boeren, ergens in Noord-Europa. Achter de theatrale beelden zit een politieke werkelijkheid. En die wordt steeds actueler en pertinenter naarmate ze, in hun vertelling, Italië naderen. De meest clowneske S, Louis van der Waal, verliest steeds meer aan relevantie, de andere S heeft Q quasi gedwongen om halt te houden bij een universiteit, niet die van Bologna, maar die van Bolzano – foutje van Q’s navigatiesysteem.

Maar haar teleurstelling lokt wel een reactie uit, die komt uit onverwachte hoek. De voorbije uren heeft A (Julia Ghysels), de journaliste die elke dag van Q een audiobericht kreeg, geprobeerd de andere fantasten met hun aangedikte (of ronduit leugenachtige) herinneringen enigszins bij de les te houden. Nu klimt zij hoog op de tribune, een hoogtewerker tilt haar boven het publiek – verblindend witte volgspot – en zijn belichaamt  Q’s laatste, vlammende speech tegen de nutteloze kennis van de professoren, tegen de academische wereldvreemdheid. Het volk zou Q weggehoond hebben na deze tirade, die Trumpiaanse retoriek met het venijn van Mark Elchardus combineert: ‘Wat denken jullie hier in godsnaam te kunnen leren? Wat denken jullie dat boeken jullie kunnen leren? Neem het aan van een boekverbrander.’ Bij Cervantes verbranden de dorpsgenoten van Don Quichot zijn bibliotheek, in de hoop hem te ‘genezen’, maar bij Robbrecht is het Don Quichot zélf die zijn bibliotheek destijds in brand heeft gestoken, tot ontzetting van de studax S. Q kon de satire niet verdragen, zoals Cervantes de opgeklopte romantiek niet verdroeg en fantaseerde dat enkel zijn grote voorbeeld Tirant lo Blanc van de ridder Joanot Martorell, die, zeer uitzonderlijk, geen bucolische taferelen schilderde, dat enkel deze satire de ‘libricide’ overleefde. Merkwaardig natuurlijk, omdat deze Q, net als Don Quichot, zelf een satire van het ridderschap, of van een Jan Cremer-achtig libertinisme in de werkelijkheid probeert na te bootsen. En hij is zich daar zelf toch enigszins van bewust, gezien de mythe die hij over zichzelf probeert te creëren. Na zijn gênante speech, die hij afsloot met het tonen van een gescheurde foto van La Cicciolina, werd Q weggejaagd, richting woestijn.

“Not Quichot legt een ziekte bloot, een ziekte van de tijd. In die demonstratie kan hilariteit ontstaan, veroorzaakt door gigantisch veel spelplezier, maar onvermijdelijk eindigend bij fatalisme – of een variant daarvan, doofheid.”

In een slotscène verschijnt een deus ex machina, het personage X (Joep van der Geest) in een overall van de asfaltfabriek. Misschien een reïncarnatie, maar ik wil niet teveel spoilen. De verrassing (die ik niet navertel) werkt niet meer in de storytelling van vandaag, dergelijke figuren kunnen geen beslissende draai meer aan de werkelijkheid geven. De anderen, de overlevenden, zij verzinnen hun eigen einde, vervuld van horror. Het is de kater die schrijnt in ieders maag en hoofd, na een psychedelische trip. Want het duurde een tijd, na het nuttigen van paddo’s op een Noord-Europese ferryboat (of gewoon ter plekke, tijdens deze herdenkingsdienst), voor deze komedianten weer tot enige helderheid in staat waren, ze hebben het ‘feest’ zelfs even stilgelegd, zodat wij een slok water konden drinken en zij de rook in en rond hun hoofd konden wegjagen. Maar de figuurlijke rook is blijven hangen, zoals vandaag ook de meest mensonterende werkelijkheid, grondig gedocumenteerd, door zogenaamd verantwoordelijke mensen als fake kan worden weggezet. In die zin legt Not Quichot, met de vragen over waarheid en werkelijkheid die het suggereert, een ziekte bloot, een ziekte van de tijd. In die demonstratie kan hilariteit ontstaan, veroorzaakt door gigantisch veel spelplezier, maar onvermijdelijk eindigend bij fatalisme – of een variant daarvan, doofheid. Cervantes heeft de illusies van de vroege Moderniteit blootgelegd, door de ziekelijke nostalgie naar (illusoire) ridderidealen als hefboom, als eye opener te gebruiken. Bij HZT proberen ze een fatale klap uit te delen aan de psychedelica als trigger voor wereldverbetering, als genereuze portier bij de doors of perception. Hun anti-intellectueel discours komt echter altijd weer terug, dit keer niet als een klucht, maar als een treurspel, een zwarte tragedie zelfs. Ondertussen is het helemaal donker geworden op het plein naast de asfaltfabriek.

In seizoen ’25-’26 op tournee in Nederland en België.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 8 — 11 minuten

#179

01.03.2025

14.09.2025

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans (1959) is Doctor in de Rechten. Hij werkt als docent en onderzoeker aan het RITCS. Hij is actief als dramaturg en regisseerde twee toneelstukken: Bulger (2006) en Sleutelveld (2009). In 2022 verscheen The Dramatic Society. Essays on Contemporary Performance and Political Theory, bij Routledge.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!

Wat is de toekomst van cultuurspreiding in Vlaanderen? De nieuwe Strategische Visienota Kunsten van minister Caroline Gennez wil expliciet meer inzetten op spreiding in landelijke gebieden en een breed bereik.

 

Ga mee in debat met Kunstenpunt en Etcetera op dinsdag 26 mei in de Beursschouwburg. Reserveer hier je gratis ticket.

Moderator: Ciska Hoet. Panel: onder andere Wouter Hillaert (cultuurjournalist) en Rolf Quaghebeur (kabinetsadviseur bij Minister van Cultuur Gennez). Volledige panel wordt snel bekendgemaakt.