Leestijd 3 — 6 minuten

Nora, een poppenhuis

Arca, Gent

Met Nora, een poppenhuis zet Pol Dehert in Arca een heldere en consequent gedachte voorstelling neer, met grote acteerprestaties, b.v. vanwege Herman Gilis. Hetzelfde Arca pakt uit met een brochure van de hand van dramaturg Ivo Kuyl ARCA en de (on)macht der theaterkritiek, waarin de receptie van vier voorbije Arca-produkties (Clavigo, De Idioot en de Dood, Leonce en Lena en Starkadd) onder de loep worden genomen. De voorstelling van Nora is een verderzetten van het werk van het duo Dehert-Gilis, zoals dit o.m. in de vier door Kuyl besproken produkties tot uiting kwam.

Deherts Nora-interpretatie en de brochure over kritiek hebben veel met mekaar te maken en wel in dat ene essentiële gegeven dat het werk van Gilis en Dehert tegelijkertijd boeiend en toch uitzichtloos maakt: Gilis en Dehert denken na over de maatschappelijke werkelijkheid én over theater, én over de band tussen beide; hun ensceneringen zijn een vorm van kritiek die zich echter aandient in een parodiërend en karikaturaal kader; voor het verwoorden van deze kritiek kozen zij telkens klassieke theaterteksten waaraan zij een ontwrichtende en vandaar verwarringstichtende interpretatie geven, maar waarbij men zich niet van de indruk kan ontdoen dat deze vorm van kritiek een leven op zich zelf gaat leiden, spel om het spel wordt en precies daardoor zich zelf als ‘theater’ loshaakt van een maatschappelijke werkelijkheid. Zoals men zich kan afvragen waarom een drama als Starkadd zo nodig opgegraven moest worden om het met een ongebreidelde energie de verdoemenis in te spelen, zo blijft men ook bij deze Nora, na een rijk gestoffeerd en homogeen spektakel toch met de vraag zitten: ‘waartoe dit alles?’ Om de zinloosheid van het bestaan te bewijzen? Om het plezier van het destructieve? Dit cynisme-nihilisme is alleszins een element van deze tijd, cf. de teksten van Heiner Müller, cf. Gerardjan Rijnders’ Wolfson-produktie. Maar in deze twee aangehaalde voorbeelden wordt precies het scheppende en herscheppende moment wél een waardig tegengewicht tegen de destructie. In dit licht komt Nora over als een consequent gevoerde maar eendimensionale en al te gemakkelijke lezing van Ibsens stuk, waarbij echter ook duidelijk wordt dat Ibsens tekst en vooral zijn dramaturgie tegen méér aanvallen bestand zijn dan b.v. Starkadd van Hegen-scheidt. De fabel van Ibsen ontrolt zich feilloos, onder volledige controle, met de spanning van een sluitend detective-verhaal. Zelfs de voorwerpen zijn opgenomen in een organische dramaturgische constructie (cf. de rol van de brievenbus, en hoe daar op het cruciale moment de doods kaartjes van Dr. Rank en de ‘ontknopings’brief van Krogstad samenkomen). Aan de tekst werd geen woord veranderd en toch houdt deze interpretatie een vervorming in. Ibsens fabel steunt op een essentieel gegeven waaraan Dehert, vanuit zijn negativistische visie, wel voorbij moét gaan: er bestaan voor Ibsen ook mensen met échte gevoelens, ook al kunnen deze zich wijzigen of achteraf zelfs verworpen worden. Door dit te negeren komt Deherts interpretatie op een aantal cruciale momenten als ‘gemaakt’ over. De vertolking van Herman Gilis steekt boven de andere uit, niet zozeer door de homogeniteit waarmee hij aan de fysieke aftakeling van Dr. Rank gestalte geeft, maar vooral omdat hij als enige op twee precieze momenten (bij zijn liefdesverklaring aan Nora, én bij zijn definitieve afscheid) heel even laat doorschemeren dat zwart slechts zijn betekenis kan krijgen, door het bestaan van wit en van alle andere kleuren van de regenboog en hiermee, in feite, Deherts negativistische visie opnieuw even relativeert en aan haar dwingende eentonigheid letterlijk meer kleur geeft. De sterkte én de ondergravende zwakte van Deherts enscenering liggen in de absurde consequentie waarmee hij aan de negativiteit gestalte geeft. Het decor, een enge kamer, een gang bijna met kartonnen wanden sluit volledig aan bij de uitzichtloosheid van deze visie.

Wellicht heeft niemand er vandaag behoefte aan om Ibsens verhaal te zien als een apologie van de vrouwenemancipatie, daarvoor zijn de teleurstellingen van de vrouwenstrijd, de hardnekkigheid van de mannelijke gedragspatronen en de zwakheid van de nieuwe vrouwelijke gedragingen te evident. Maar Deherts kijk op zowel de vrouwelijke als op de mannelijke personages is zo eenzijdig neurotisch dat elke botsing tussen hen getekend wordt als een onvermijdelijke fataliteit, die nog weinig uitstaans heeft met de maatschappelijke werkelijkheid. Ivo Kuyls bewering dat “Arca partij kiest voor de onderdrukte” (cf. zijn ‘puur-marxistische’, haast dogmatische interpretatie van de economische vervreemding van de mens) komt in Nora alleszins op losse schroeven te staan. Dehert kan op deze manier (via een behandeling van klassieke teksten) nog vele, zelfs zeer mooie, voorstellingen produceren, zonder hiermee in zijn denken over theater en maatschappij één stap verder te geraken.

Nora, een poppenhuis

groep: Arca;

auteur: Hendrik Ibsen;

regie: Pol Dehert;

decor: Luc D’Hooghe en Rose Werckx;

kostums: Mark Cnops;

spelers: Jappe Claes, Carmen Jonckheere, Herman Gilis, Netty Vangheel, Mark Verstraete.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#11

19850615

19850914

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!