Leestijd 7 — 10 minuten

Nogmaals en encore: vragen naar een toneelbeleid

En nu wordt de crisis dus zichtbaar als de mist in september. De kou is reeds voelbaar en het vriesweer is op komst. Het geharrewar rond het krimpende geld van de overheid voor toneel heeft weliswaar nog niet geleid tot een diepgaande discussie over het toneelbeleid, maar het embryo van het debat spookt wel al rond in vakbondslokalen, magazines, studiedagen, ministeriële kabinetten, Vlaamse Raden en televisie-omroepen. Als opstart van het gesprek volgen hier de vragen die her en der te beluisteren zijn, vergezeld van een paar kritische kanttekeningen. Het echte debat volgt wel als de nood nog hoger is, de eerste ontslagen voorbij en de zinkende gezelschappen nabij.

Meer of minder?

Voorlopig beperkt het debat omtrent het toneel zich hoofdzakelijk tot de kreet ‘meer of minder geld’. De economen en ministers van financies beslissen: ‘minder geld’ Het verenigde toneelleven roept solidair: ‘meer’. Natuurlijk moet het Vlaams toneel meer geld krijgen. De meest simpele economische reflex leert dat het debiel moet zijn arbeidsintensieve KMO’s als de toneelgezelschappen af te bouwen. En een evidente sociale reflex eist dat alle werknemers tweede klas die nu in toneelland ronddwalen (BTK-ers, tewerkgestelde werklozen en crisis-companen) eindelijk dezelfde rechten krijgen als hun collega’s die hetzelfde werk doen. Maar geen van die twee reflexen haalt het voorlopig.

Dit jaar levert het toneel minstens vijftien miljoen frank in. En van de belofte van Poma, in Panorama, de BTK-ers te ‘regulariseren’ komt niets in huis. Poma fluistert zelf in de coulissen dat er te veel CVP-ers zitten in die tijdelijke kaders. Meer zelfs, op 5 april heeft Hansenne het volgende aan Poma beloofd: Ik heb het genoegen u mede te delen dat Derde Arbeidscircuit-projecten zullen kunnen ingediend worden door o.m, theaters… volgens een vereenvoudigde procedure.’ Tegen de blote afbouw van het toneel door ministers, bezeten van de God DIRV, kunnen de acties niet scherp en solidair genoeg zijn.

En nog ter attentie van hen die cultuur tegenover economie stellen, en de cultuur willen opofferen, het volgende citaat, van Aurelio Peccei, de voorzitter van de Club van Rome: “Alleen cultuur kan de wereld redden, We zijn barbaren, we hebben een enorme macht ontwikkeld maar we zijn niet in staat, door een gebrek aan culturele capaciteiten, met die macht om te gaan.” Of dichter bij huis, Rika De Backer: “Het enige wat een volk overeind houdt en ontwikkelingskansen biedt is een permanente, algemene verbeeldings- en gevoelsvorming. De kunsten dragen daartoe bij.”

De Barbaren aan de macht?

Een tweede discussiepunt in de huidige golf gesprekken rondom het toneel wordt vaak lacherig aangebracht. Zo Theo Stokking in Omnibus en Johan Depoortere in Panorama aan hun respectieve ministers van cultuur, Brinkman en Poma: “Bent u een cultuurbarbaar?” Zowel de jonge als de kalende eminentie mochten, hand op het hart, ontkennend antwoorden. Zij doen hun best om van kunst te houden. Laten we wel wezen, de vraag is smeuïg en naast de kwestie. Het is natuurlijk niet onaardig als een minister van de kunsten er ook belangstelling voor heeft. Net zoals het prettig zou zijn indien de ambtenaren die zich met kunst bemoeien, echt betrokken waren bij het werkveld (En God weet…). Maar hoe dan ook, persoonlijke voorkeuren veranderen niet de feitelijke machtsverhoudingen tussen de ministers. De vraag is dus slecht en af te voeren.

Geld van de Staat of van Bedrijven?

Naarmate de overheid steeds harder roept geen geld meer te ontwaren in de put onder de staatskas, gaan de toneelmakers meer en meer op zoek naar sponsoring buiten de staatskanalen om. Bij financiële instellingen, privé-bedrijven en privé-personen. De resultaten van die zoektocht zijn vooralsnog matig. En het is de vraag of er überhaupt veel te verwachten is uit die hoek. Alhoewel de weg zeker moet bewandeld worden. Maar de filmmakers van het VAK berichten alvast: “We moeten vaststellen dat de meeste sponsors slechts oog hebben voor de sport enerzijds en voor dure en sjieke aangelegenheden anderzijds: Opera, Europalia, het Festival van Vlaanderen en andere. Verder haalt de sponsoring onmiddellijk haar neus op voor het minste engagement (ook een vorm van censuur?)…” Tot zover de blik in toekomst reikt, zal de overheid de hoofdsponsor van de toneelkunst moeten blijven.

Eigen inkomsten, een subsidiefactor?

Gaat de liefde van het toneel door de maag? In elk geval hebben de restaurants verbonden aan sommige gezelschappen een betere faam dan de groep zelf. Via de kunst van de kok slagen sommige slimme toneelbedrijfsleiders erin hun zalen vol te krijgen voor de kunst van de acteur. Sommige critici doen daar nogal neerbuigend over. Zeker, de kwaliteit van een diner heeft weinig van doen met de kwaliteit van een voorstelling. Maar dat argument werkt naar de twee kanten. Klantenbinding via de tafel doet ook niets af van het artistieke niveau van een produktie. Het probleem dat zich hier verschuilt is dat van de publiekswerving. Ik denk dat men rustig mag stellen dat de verloedering van een paar van onze grote gezelschappen te maken heeft met het feit dat ze zo goed als onafhankelijk functioneren van het aantal toeschouwers. Volle zalen, lege zalen, het maakt weinig uit in de totale turnover van het bedrijf.

In veel gevallen zou de hoogte van de eigen inkomsten van een groep inderdaad een factor kunnen zijn voor het vaststellen van de subsidies. Ik weet niet of ik erg gecharmeerd ben door de toekomstbeelden van de Amsterdamse econoom Van Puffelen (Marketing in de culturele sector) maar zijn roep om een betere publiekswerving verdient aandacht. De econoom meent dat een veel groter publiek voor toneel te werven is omdat onderzoeken uitwijzen dat er massa’s geïnteresseerden zijn voor het toneel, die nooit een voorstelling zien. Volgens Van Puffelen verdienen zakelijke leiders met een oog en een hart voor publiekswerving extra steun. “Deel van de subsidie zou kunnen zijn. een toeslag van 100 tot 150% op de eigen inkomsten.” En bovendien moet het toneelaanbod veel beter bekend worden. “In kunstkringen wordt over deze zaak heel primitief gedacht. Omdat er wekelijks ladderadvertenties verschijnen, affiches worden verspreid, omdat dagbladpers en radio veel aandacht aan kunstevenementen besteden, gaat men ervan uit dat iedereen weet wat er gaande is. In feite geldt dat slechts voor een kleine schare echte kunstminnaars die actief informatie verzamelt, maar niet voor de groept participanten die slechts een paar keer per jaar een evenement bezoekt, laat staan voor de groep die kunst weliswaar welgezind is maar nooit ergens heen gaat… Het produkt is bovendien moeilijk via publiciteit over te dragen. Je gaat niet naar Borkman van het Publiekstheater als je alleen weet dat Ibsen een Noors schrijver is. Maar misschien ga je eerder naar een ‘adembenemend drama van een bankroete bankier en zijn vrouw, meeslepend gespeeld door de van de TV bekende acteur Huppeldepup; kaartjes te verkrijgen bij alle krantenwinkels.’ En misschien ga je nog eerder als je in een ticketshop in het winkelcentrum op je gemak recensies hebt gelezen, een fragment van het stuk op video hebt gezien en ter plaatse een biljet kan kopen, na op het beeldscherm een overzicht van de vrije plaatsen te hebben opgeroepen.” De overheid zou via de hefboom van de subsidies een beter publieksbeleid bij de gezelschappen kunnen bevorderen.

Een toneelbeleid, mag dat?

Wanneer de Vlaamse beleidsmensen nog maar eens te horen krijgen dat het theaterdecreet een kunstenaarsbeleid toelaat maar geen toneelbeleid, beweren ze allen dat het niet anders mag. “Mijnheer, de staat mag toch geen inhoudelijke keuze maken in de kunstensector! Het beleid moet toch neutraal zijn!” En halvelings denken ze dat de criticus tegen de vrijheid van mening is, en tegen de autonomie van de kunst tegenover de overheid. Toch moet het toneelmakersdecreet op de helling, omdat het meer en meer als een slecht toneeldecreet begint te werken. De onderverdeling in vier soorten gezelschappen (repertoire-, reis-, kamer-, experimentele en vormingsgroepen) gedefinieerd in louter administratieve termen, bevriest de verhoudingen uit 1975 toen het ding in werking ging. De gevolgen zijn dat de eerstgeborenen bijzonder veel rechten hebben, en gezelschappen beperkt worden in de veranderingen die ze willen doorvoeren, en nieuwe groepen buiten de prijzen vallen. Wel moet nog eventjes aangestipt dat het decreet ook nu nog goed werk doet. Tenslotte vertoeft een flink deel van de vernieuwing van de jaren tachtig binnen het decretenland. Maar nu de toegangskanalen dichtslibben is het hoog tijd nieuwe criteria in het beleid in te voeren.

Maar de vraag van Poma en co blijft: “Mag de overheid wel inhoudelijk richten?” In alvast twee van de buurlanden gebeurt het, Brinkman propageert openlijk ‘de topkunsten’ en Proloog is met een artistieke veroordeling door de wc gespoeld. En Lang, in Frankrijk, komt zowat persoonlijk tussen om de avant-gardesterren uit de jaren zeventig eindelijk uit de financiële puree te helpen. De overheid in andere landen komt dus op inhoudelijk vlak tussen. Hoewel de voorbeelden geen van beide zomaar overgeplant horen te worden. De ‘persoonlijke’ tussenkomsten van Poma (Interact, Van Melle) waren niet bijzonder hoopgevend. En ’toptoneel in Vlaanderen’? De weg is lang. Een gericht toneelbeleid, mag dat? Jazeker, het wordt zelfs nodig nu het decreet alleen nog conservatief werkt op de toneeltoestand.

Deskundigheid of het politieke prioritair?

In Vlaanderen is nooit een toneelbeleid in de strikte zin van het woord gevoerd omdat de notie ‘kwaliteit’ niet in het subsidiesysteem betrokken wordt. Hier botsen we op één van de grondproblemen van ons toneelsysteem.

De overheid heeft in het cultuurpact de dominantie vastgelegd van het politieke boven het onafhankelijk culturele. Alle Raden van Advies dienen vanuit de politieke bastions ingevuld te worden. Deskundigheid van mensen in de raden komt na hun politieke kleur. Het is normaal dat bij dergelijke prioriteiten de norm ‘kwaliteit’ geen rol heeft gespeeld bij het beleid tot nu toe. En zelfs binnen het toneelmilieu twijfelt men soms aan de hanteerbaarheid van de norm ‘kwaliteit’ of, wat hetzelfde is, aan de deskundigheid en onpartijdigheid van gelijk wie in een ‘kwaliteitsraad’ zou zitten. “Wie kan er één persoon noemen over wiens deskundigheid men in het Vlaamse theaterwereldje een consensus kan bereiken?” zucht Toon Brouwers.

Het probleem wordt echter op zijn kop gezet. Het cultuurpact verhindert dat onafhankelijke deskundigen zich profileren omdat iedereen die zich op beleidsniveau in wil schakelen in de toneeldiscussie eerst partijpolitieke kleur moet bekennen.

Toch is het sanctioneren van de ‘kwaliteit’ in het subsidiebeleid een van de weinige manieren om het toneel echt te helpen. Belangrijk lijkt me dat het begrip ‘kwaliteit’ niet te eng wordt bekeken. Het gaat zeker om vernieuwing of grote beheersing van de theatertaal. Maar het gaat ook om de produktiewijze en om de verhouding met de toeschouwers en het publiek. Het zou vanzelf horen te spreken dat niet elke groep vernieuwend moet zijn. Net zoals het voor de hand zou moeten liggen dat groepen die grenzen willen verleggen via hun subsidie onafhankelijk horen te zijn van publieksbijval.

De doelstellingen van het toneelbeleid aanhouden?

Het toneel in ons land heeft nood aan een nieuwe definiëring van de subsidiecriteria uiteindelijk, omdat op de oude manier de doelstellingen van het beleid niet verwezenlijkt zijn. Sinds het puinruimen in 1945 begon, zijn de kerndoelstellingen van het hele culturele beleid participatie en spreiding geweest. Ook voor het toneel: ‘participeer en spreidt, dat is de kern van het toneelbeleid’. Precies omdat die doelstellingen nog overeind staan, moet het toneelbeleid veranderen. Want het professionele toneel is vooralsnog niet bijzonder populair geworden. Het toeschouwersaantal stagneert dik onder het miljoen per jaar. Het toneel blijft geconcentreerd in enkele centra. Van een grotere diversiteit in de publiekssamenstelling is weinig gekomen. Ondanks de serieuze inspanning met het decreet, ondanks de spectaculaire stijging van het aantal beroepsgezelschappen de laatste tien jaar. De twee manieren om dichter bij de verwezenlijking van de basisdoelstellingen te komen zijn de kwaliteit van ons toneel verbeteren en de publiekswerving beter organiseren. Daarom moeten die criteria in het decreet komen.

Een subsidieregeling uitwerken waarin zowel recht wordt gedaan aan kwaliteit, eigen inkomsten, toneelsoort en decentralisatie is onderdeel van de echte discussie voor een toneelbeleid. Hier is slechts nogmaals en encore gezegd – door het lijnen van de vragen die hoorbaar zijn in theaterland – dat het debat nodig is.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#3

15.06.1983

14.09.1983

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!