Lieselot Siddiki & Jarne Van Loon – Nachtzwemmen © Michiel Devijver

Leestijd 11 — 14 minuten

Nee, ik dans niet zomaar mee

Hoe genereus bedoelde feestperformances vooral zichzelf showen

Ooit waren dj-sets iets voor ná de voorstelling. Nu zie je ze merkelijk vaak áls voorstelling. Wat is er mis met theater dat er tegenwoordig zo graag een feestje van wordt gemaakt? Wouter Hillaerts sympathie voor zoveel uitgelaten lijven, pompende beats en sexy en showy kostuums in schouwburgen is groot. Zijn vragen erbij nog net iets groter.

Ja, de happening lijkt helemaal terug in theater. Met de regelmaat van de klok beland je postcorona in voorstellingen die zich voordoen als events: aparte eenmalige belevingen in plaats van de herhaalde en uitgeschreven producties die ze werkelijk zijn. Jaouad Alloul leidt ons in Venus in Libra via de zijingang van de schouwburg binnen in een cabareteske nachtclub, waar schaarsgeklede queer figuren langs je schouder glijden. Voetvolk maakt van zijn dansvoorstelling Into the Open een bodyrockconcert dat ook muziekfestivals aandoet. Nog op Theater Aan Zee zorgde Nachtzwemmen voor een ware toeloop voor zijn opgewonden draaikolk van booze, beats en blote basten.

Gedaan met zitten pitten in het theater. Het stroomt, het pompt, het explodeert. Op de catwalk van het zwierige Categoreez van Yassin Mrabtifi bij KVS mag je aan het slot zelfs eigenbenig mee uit de bol. Voluit trakteert dit toneel de kijker op een ervaring die via je ruggengraat niet naar boven, maar naar beneden siddert. Midden op scène staat stee­vast de dj. Aan het einde wacht je een climax. Oordopjes krijg je er gratis bij.

“Het gemak ook waarmee de pandemie altijd maar ingeroepen wordt als verklaring voor dit triptoneel, en soms zelfs als vergoelijking.”

Op zich hou ik van dit soort ervaringen. Steeds zal ik die oordopjes afslaan: ik teken voor de full experience. Ook om zoveel andere redenen valt dit triptoneel te koesteren. Het breekt de vaste codes van theaterbezoek. Met zijn veelal brede bezettingen, tot wel vijftien spelers, herinnert het aan de tijd dat theater nog een groepskunst was. Het brengt de ondergeschoven underground – het nachtleven, de ball culture, het queer cabaret – voor het voetlicht op podia waar die minderheidsculturen zo lang van zijn uitgesloten. Zo trekt het ook volk aan dat anders nooit in de schouwburg komt. En uit al die sociologische verschillen schept het met zijn eenmakende roes een gemeenschap die zoveel eigentijdser voelt dan het zintuiglijke theater van weleer, dat een­-op­-een toch vooral het individualisme omarmde. Triptoneel realiseert de wensdroom waar zoveel flyers van vol staan: ‘theater, een feest’.

Tegelijk stoor ik me vaak aan het gemak waarmee de zaal na zo’n happening opspringt voor een ongeremde ovatie – als het al niet de hele tijd heeft rechtgestaan. Ik stoor me aan het gemak waarmee makers het goed vinden omdat het publiek het goed vindt. Aan het gemak waarmee allerlei fysieke belevingstradities zomaar het theater ingetrokken worden, alsof je op de bühne klakkeloos van alles kunt kopiëren. Het gemak ook waarmee de pandemie altijd maar ingeroepen wordt als verklaring voor dit triptoneel, en soms zelfs als vergoelijking. Ik heb het er zelf eerder moeilijk mee. Moeilijk om me ertoe te verhouden. In al die directe fysicaliteit lijkt zich een beweging aan te zetten waar het theater niet verrijkt, maar veeleer bekaaid dreigt uit te komen. Bovenal heb ik het moeilijk met de pure (zelf)presentatie van deze happenings, hoe die de eigenlijke mededeling wordt. Het gewoon dóén, ongewoon doen door uit de bol te gaan, lijkt in dit toneel vaak te volstaan. In de nachtclub of de concerthal kan dat kloppen, in theater volstaat dat niet. Hoe krijg ik dat uitgelegd?

Lieselot Siddiki & Jarne Van Loon – Nachtzwemmen © Michiel Devijver

Theater Aan Zee, zomer 2022. Tijdens Nachtzwemmen van ex­-KASK­-studenten Lieselot Siddiki en Jarne Van Loon beukt de NMBS­-loods een uur lang van de bassen, hoogstens even onderbroken door een breekbaar strijkje op viool. Aan je oog raast een trein voorbij van cabareteske soloacts van queer queens, pin­upclowns en zelfs een levensgroot roze knuffelkonijn, telkens afgewisseld door zo’n vijftien performers die kriskras door de ruimte snellen in spannende pakjes met hier en daar een bevrijde tiet, terwijl ook spots en techno steeds meer hardcore gaan. Nachtzwemmen blijft maar doorwieken. ‘Drink, drink, driiii­iink!’ Overdaad gulpt over de scène in een tempo dat van nadenken een proces maakt dat genadeloos achterloopt. Uit alles wordt duidelijk dat je er als kijker gewoon onbezonnen mee in moet opgaan. Waarom zit ik er dan naar te kijken als een koe?

Het ligt precies aan dat kijken, toch nog steeds het wezenskenmerk van theater – afgeleid van het Griekse theatron, ‘plek om te aanschouwen’. Ook al doet zintuiglijk theater er alles aan om de onderscheidende rationaliteit van dat kijken van de troon te stoten – vroeger tot de blinddoek toe – die (be)schouwende en betekenisgevende blik zal altijd het cruciale verschil blijven maken tussen theater en veel andere collectieve ervaringen. Als Nachtzwemmen zich aankondigt als ‘een voorstelling vemomd als feest, of omge­keerd’, dan is het precies die bijzondere spanning die Van Loon en Siddiki uitdagen: de moeilijk combineerbare bezigheden van toeschouwen en je samen fysiek uitleven. Voor hun emulsie is aanhoudende hardcore geen verrassende strategie. Zij fundeert zich op de populaire aanname dat een diep vibrerende sound de zaal en de scène bijna vanzelf onderdompelt in hetzelfde belevingsbad. Maar klopt die aanname wel?

Naar mijn gevoel – en ik bedoel: omdat ik het zo vóél – gaat het hier om een misverstand. Of toch als zo’n dikke soundscape onder de héle voorstelling wordt geschoven. Elke connectie met de natuurlijke score van de live­ervaring valt weg: de gedeelde adem van de zaal en de onmiddellijke sonoriteit van de lichamen op scène. Er ontvouwt zich in je beleving wel iets droomachtigs dat we dan ‘trip’ of ‘trance’ noemen, maar dat zet je als theaterkijker bijna als voor een scherm. Je zit het áán te kijken. Een identiek effect heeft het continue stroboeffect in Nachtzwemmen. Al die flitsen splitsen je schouwen uit, verdoven je bevattingsvermogen, geven de show zelf iets onaantastbaars. Het resultaat is eerder afstand dan nabijheid, eerder teruggeworpen worden op jezelf dan overvloeien in de ‘collectiviering’ van de voorstelling. Want al trekt door onze lijven dezelfde tremor, onze rollen verschillen. Spelers spelen, kijkers kijken. En kijken naar spelers die steeds meer uit hun dak gaan, is als niet meedrinken op café. Het zet je ergens buiten.

“Spelers spelen, kijkers kijken. En kijken naar spelers die steeds meer uit hun dak gaan, is als niet meedrinken op café. Het zet je ergens buiten.”

Zeker, je kunt je mee overgeven aan de beweging die door je vezels gaat. Maar dan hou je eigenlijk op toeschouwer te zijn. En dan muteert de schouwburg in een dancing of concer­ thal. Er zijn vergelijkbare concertvoorstellingen die die mogelijkheid om mee te dansen openlaten door hun publiek te laten rechtstaan, zoals Permanent Destruction van Naomi Velisariou of Into the Open van Voetvolk – die op Theater Aan Zee te zien waren in dezelfde loods. Maar dat is precies het punt waarop performance overgaat in een concert: waar het beschouwen zelf in beweging komt en ‘entertainment’ transformeert tot ‘intertain­ment’– een showbelevenis waar je niet naar kijkt, maar waar je lijfelijk middenin gaat zitten. Dat gevoel heb ik bij Nachtzwemmen nooit gehad. Daarvoor zit het feestje dat het ook voor ons zo graag wil worden, eigenlijk al te vol.

Lieselot Siddiki & Jarne Van Loon – Nachtzwemmen © Michiel Devijver

Leeg

Dat is naar mijn ervaring meteen een tweede misverstand: dat triptoneel per definitie gene­reus is naar zijn publiek. Het is inderdaad absoluut naar buiten gericht. Bewust zoekt het de blik en zelfs de actieve inbreng van de zaal. In Nachtzwemmen is het een vlotte entertainer die ons halfweg met grote armzwaai direct komt aanspreken en collectief doet opstaan voor een koordansje met vier simpele moves. In Venus in Libra zit bijna krak dezelfde scène: samen moven maar! Alleen blijkt echt contact niet de bedoeling. De entertainer in Nachtzwemmen houdt vooral van zijn eigen snedigheid. Het is niet ons, maar zijn feestje.

Mogelijk zien de makers daarin een kritiek op valse burgerparticipatie en de maakbaar­ heid van publiek door de politiek, maar veel triptoneel is zelf in dat bedje ziek. Neem de ietwat verwaten rockabillyhouding waarmee de zeven hippe dansers en muzikanten van Into the Open het blikveld naar zich toezuigen. Hun dionysische zelfbeeld heeft aan zich­ zelf genoeg, maar kan toch niet zonder onze spiegel. Het is de valkuil van elke show: dat de show vooral zichzelf showt. Hedonisme op het toneel presenteert zich graag als gul vermaak, als extravert zelfverlies–‘Voetvolk welcomes you for a wild, collective leap into limbo. Let’s trance!’ – maar tript uiteindelijk op het randje van ingekeerd narcisme.

“Wellicht zou ik het helemaal anders zien, mocht ik Into the Open beleefd hebben op Pukkelpop. Misschien vond ik Nachtzwemmen wel de fuif van het jaar, mocht het gewoon een fuif zijn geweest.”

Wellicht zou ik het helemaal anders zien, mocht ik Into the Open beleefd hebben in de Marquee op Pukkelpop. Misschien vond ik Nachtzwemmen wel de fuif van het jaar, mocht het gewoon een fuif zijn geweest. Maar als podiumkunst stellen deze creaties zich bloot aan mijn schouwende blik. En die staart uiteindelijk in een peilloze leegte. Waar draaien deze shows om? Zeker Nachtzwemmen wervelt van begin tot eind, maar rond welk punt? Tegenover de overdaad aan theatrale tekens staat een verrassende schaarste aan bete­kenis. Is dit een parodie op hedonisme? Een détournement van feestcultuur?

Zelfvervulling

Misschien moeten we daar niet zoveel spel rond maken. Happenings zijn gewoon wat ze zijn: directe belichamingen van een grote nood aan unieke belevenissen met elkaar. Blijkbaar hangt die vandaag weer in de lucht, zoals ze om de zoveel tijd de kop opstak doorheen de kunstgeschiedenis, van de dadaïstische feestjes in Cabaret Voltaire tot de transgressieve body performances in de eighties. Happenings maken hun publiek deel van een memorabel moment, door iets zots of aparts te laten gebeuren tegen de alle­daagse routine. Zoveel meer pretenderen ze ook niet. Ze maken het theater gewoon weer lekker concreet: even gedaan met concept en discours, met moeilijkdoenerij en andere verwijzerij. Het is zoals Naomi Velissariou programmatorisch de zaal in spuwt in haar theatrale technoconcert Pain Against Fear, als handreiking naar de toeschouwer als een noodzakelijk you: ‘Only the now exists here. Only the time that you experience in your body.’ Het gaat om eventjes gewoon samen zijn in het samen iets ongewoons doen. Wat kan daarop tegen zijn?

Wat mij daarin verontrust, is hoe die essentialisering van het momentane karakter van theater, van zijn pure belevingsaspect, bijna achteloos voorbijgaat aan een ander wezens­kenmerk van podiumkunst: haar meerduidigheid en meerlagigheid, haar verbeelding van een werkelijkheid buiten zichzelf. Uiteindelijk is dat toch het verschil tussen show en theater: dat er een andere betekenis of mededeling opgeroepen wil worden dan wat je direct ervaart? Dat er achter alle flashy spots, muziek, bewegingstaal en kostumering een overweging zit die verder gaat dan het doen bewegen van de zaal van vanavond? Dat zintuiglijke vervoering maar een middel is om een andere lading te transporteren? Kortom, dat theater een medium is?

Veel triptoneel wisselt die basale bemiddeling in voor de onmiddellijke, onbemiddelde ervaring van onbegrensd ‘jezelf zijn’. Het wisselt het aloude ideaal van representatie in voor pure presentatie: het demonstreren van de demonstratie van je eigen volle zijn. En blijkbaar is dat genoeg, zo suggereren bijvoorbeeld Nachtzwemmen en Into the Open. ‘Voorkomen’ vervangt ‘voorstellen’. Uiterlijke expressie wordt de eigenlijke betekenis. Glamour en glitter, strobo en beats zijn daar de perfecte vormvertaling van: ze communi­ceren hun oppervlakte, vallen samen met hun effect. Het is wat het is.

Lieselot Siddiki & Jarne Van Loon – Nachtzwemmen © Michiel Devijver

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat net die presentatieve modus ook buiten het triptoneel opgeld maakt. Je ziet het van eenvoudige autobiografische solovertellingen tot drukbevolkte performances als One Song van Miet Warlop: what you see is what you get, en zoveel meer wil het niet vertellen. Het is de moeite want het is eigen. En het is bijzonder want het wordt gedeeld. Alsof het theater is verworden tot een lege en neutrale doos zonder codes of verwachtingen, een open podium met cultureel kapitaal waar iedereen zichzelf en zijn specialiteit zomaar kan komen presenteren. En dat die zelfpresentatie op zich al een statement is. Niet toevallig is zelfs het woord ‘representatie’ onherroepe­lijk van betekenis veranderd: het gaat nu om genoeg diverse presentaties plek bieden. Hun verschijning op zich is meteen ook hun hele verhaal. Triptoneel lijkt daar gewoon maar de ultieme kristallisatie van.

Dat het wel degelijk anders kan, toont choreograaf Yassin Mrabtifi in Categoreez. Ook hij kruist met dj Stef Heeren en drie genderfluïde performers meerdere stijltradities en minoritaire expressies in de BOL van de KVS: de naar buiten gerichte praalzucht van de catwalk, de elegante polsslag van vogueing, de pontificale visuals van het elektroconcert en uiteindelijk ook het spontane communitygevoel van de hiphopbattle. Visuele en audi­tieve bezwering is ook hier de primaire betrachting, maar bovenal wil deze voorstelling toch iets mediëren: ‘Categoreez is een ode aan de vrijheid: niet als een abstract toekom­stideaal, maar als een viering van het hier en nu, de kunst van het moment.’

“Het is de terugkerende trek van wel meer feestelijke voorstellingen: ze bouwen op een losse playlist van nummertjes. Aaneenrijging is de nieuwe boog. Opeenstapeling de nieuwe architectuur.”

Deze happening gebruikt haar momentane karakter om een daad te stellen tegen polari­ sering en hokjesdenken, als refuge én vrijzone voor de ‘survivors’ van die verdeelde buiten­wereld. Ze geeft ook iets terug. Ze blaast onze toeschouwende blik niet omver, maar gebruikt haar beats met menselijke maat als genereuze gelijkmaker van alle verschil in de zaal. Sensitief laat ze openingen voor een reële ‘unity’ in de ‘community’. Zo vertelt ze iets wat aan zichzelf voorbijgaat: iets over de kracht van meervoudige identiteit, van fusie en emulsie. Kortom: ze is zich simpelweg bewust van het feit dat ze in een theater staat, met alle codes en verwachtingen die daarbij horen. En net daardoor kan dit theater aan het einde spontaan een feestje worden met de hele zaal. Bijna begon ik mee te dansen.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 11 — 14 minuten

#171

15.03.2023

31.05.2023

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is freelance cultuurjournalist. Hij schrijft over theater voor De Standaard, coördineert recensiewebsite Pzazz en doceert het vak ‘Artist in Society’ aan het Conservatorium Antwerpen. Van 2003 tot 2019 was hij kernredacteur van cultuurtijdschrift rekto:verso. Bij Etcetera maakt hij deel uit van de Grote Redactie. 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!

Wat is de toekomst van cultuurspreiding in Vlaanderen? De nieuwe Strategische Visienota Kunsten van minister Caroline Gennez wil expliciet meer inzetten op spreiding in landelijke gebieden en een breed bereik.

 

Ga mee in debat met Kunstenpunt en Etcetera op dinsdag 26 mei in de Beursschouwburg. Reserveer hier je gratis ticket.

Moderator: Ciska Hoet. Panel: wordt binnenkort bekend gemaakt.