Lex Prinzen

Leestijd 26 — 29 minuten

Het mooiste en het vreselijkste theatermoment van…

Lex Prinzen, educatief medewerker Het Nationale Toneel, Den Haag

Mijn mooiste theatermoment van het afgelopen seizoen blijkt na lang nadenken eigenlijk een onopvallende gebeurtenis. Op een doordeweekse avond besluit ik nogmaals onze voorstelling Troilus en Cressida te bezoeken, in de Stadsschouwburg van Groningen. Omdat ik een inleiding geef, bevind ik mij reeds vroeg in de zaal. Vijf minuten voor aanvang rommelt het publiek naar binnen, echtparen, een eenling, kleine groepjes, en her en der een docent met zijn leerlingen, want Shakespeare skoort hoog op de menukaart van het literatuuronderwijs. Een man legt zijn vrouw nog snel uit wat hij zich weet te herinneren van de Trojaanse oorlog, hij bladert vervolgens in het programmaboekje om te zien of het klopt wat hij zegt.

Als het licht in de zaal dooft en op het gordijnloze podium enkele acteurs verschijnen, verstomt langzaam het gemompel in de zaal. Een in leren jas geklede man stapt op het publiek af en kijkt de zaal rond. ‘Goedenavond’, zegt Han Kerkhoffs, acteur. ‘Goedenavond’, antwoordt de zaal onmiddellijk. ‘Zo, we zijn binnen’, denk ik. Het publiek reageert als één man, laat al het andere voor gezien, kijkt en luistert alleen nog maar naar die man daar op het – de zaal ingebouwde – toneel. ‘We zijn in Troje’, vervolgt onze inleider. En vanaf dat moment zijn we in Troje.

In de eenvoud van dit moment, waarop de vierde wand volledig wordt opgeheven, het publiek direct aangekeken en aangesproken wordt (en reageert), ligt voor mij een belangrijke kracht van het toneel. Een kracht die verloren dreigt te raken. Soms herwint een voorstelling die directheid, maar vaker worden prologen als deze, of terzijdes, uit de tekst geschrapt of weg-geregisseerd, bijvoorbeeld als een monologue intérieur. Toch heeft dit live aspect van het theater, het hier-en-nu, de meeste kans van overleven. We zijn er allemaal bij, en het doet er toe dat we er zijn. Het is goed voor onze vorming, onze opvattingen, onze onrust. Het is goed voor het theater. Zonder publiek, geen theater. En omgekeerd.

De ‘pas-op-achter-je’ voorstellingen in de poppenkast (met Jan Klaassen & Katrijn) lijken ver achter ons te liggen. In feite waren dat voorstudies voor de moderne, inter-actieve media. Toneel lijkt in haar artistieke trots een andere kant uit te kijken, wat bij de huidige ontwikkeling op mediagebied een gemiste kans is. Want wat zou inter-actiever kunnen zijn dan het theater? Laat de schouwburgen investeren in gratis koffie. En laat de regisseurs niet alleen met elkaar debatteren op een Theaterfestival. Dat moeten ze ook doen met hun publiek, tijdens de voorstelling. Een goede avond!

Pierre Van Diest, administratief directeur van deSingel, Antwerpen

Een tegenvaller voor mij was Die Letzten van Stan (in de Monty). Ik ging eigenlijk altijd heel graag kijken naar voorstellingen van Stan. Maar ineens had ik er genoeg van. Bij Die Letzten kreeg ik plotseling zoiets van ‘alweer’. Het plezierde me niet meer: het roepen van Damiaan, het wisselen van de rollen, de enscenering. Ik kreeg de indruk dat ze eigenlijk iedere keer weer gewoon zichzelf speelden en plotseling leken alle stukken op elkaar.

Dat gevoel van ontgoocheling heeft waarschijnlijk niet zoveel met het stuk zelf te maken, maar eerder met een verzadiging van de typische Stan-formule. Had ik de stukken in een andere volgorde gezien, bijvoorbeeld Ernst als laatste en Die Letzten vroeger, dan zou ik misschien Die Letzten nog wel goed gevonden hebben en afgehaakt hebben bij Ernst.

Mooi, of beter: goed, vond ik twee voorstellingen bij het Kaaitheater: De pijl van de tijd en Kopnaad. Wat me aansprak in De pijl van de tijd was de enscenering, de inbreng van de video, het spel en de opbouw van het verhaal. Je radertjes moesten continu achteruit draaien omdat het verhaal andersom verloopt. Toch wel een speciale ervaring.

Bij Kopnaad heb ik de woordenstroom, de tekst op zich dus, gewoon over me heen laten komen. Ik genoot van de muzikaliteit, de stemmen van de dames. Het spel was weer eens fantastisch. Schitterend vond ik de manier waarop ze de teksten debiteerden, onverstoorbaar ondanks de voortdurende tussenkomsten van de andere figuren. Ook de humor die erdoorheen geweven zat, was perfect gedoseerd.

Als ik zo eens terugblik op mijn theaterverleden, dan stel ik vast dat het Kaaitheater voor mij het meest verfrissende en aangenaamste theaterwerk levert. Het opzet is altijd anders, ook al duiken sommige mensen regelmatig weer op. En ik vind het ook het meest Vlaams. Daarmee bedoel ik geen Ijzertoren-Vlaams, maar Nederlands van het Zuiden. Zo is Het kind van de smid mij enorm bijgebleven. Een ongelofelijk schone tekst, een knap verhaal zonder ingewikkeld te doen. En dat Nederlands van Josse De Pauw. Dan zeg je: Vlaams is de schoonste taal die er is.

Adel Salem, acteur/artistiek leider toneelgroep De Sphinx

Eigenlijk ben ik geen danser, maar beweging heeft me altijd gefascineerd, vooral van mensen die mooi kunnen bewegen en dansen. Als ik op een feest ben, of in de disco, kan ik soms uren blijven kijken. Steeds dezelfde vraag duikt dan op: wat bezielt de mensen om zo te bewegen zodra ze muziek horen? Ik geloof sterk in de wetenschap dat mensen van dieren afstammen – paarden kunnen ook zo mooi dansen op muziek. In een dansvoorstelling is het toch anders. Wanneer je als danser de bewegingen van een choreograaf overneemt en instudeert, vervalt immers de spontaniteit.

Maar wat doe je als je blind bent, en geen bewegingen van een choreograaf kunt overnemen? Dan werk je alleen via het gehoor, en dat is een wonder. Dat is wat mij overkwam, toen ik in de Amsterdamse schouwburg een dansvoorstelling zag, waarin een blinde danser de hoofdrol had (waarschijnlijk Mountains made of barking van Wim Vandekeybus & Ultima Vez, MB). Tot de laatste minuut bleef ik mezelf afvragen of hij nu écht blind was, of dat speelde. Ik dacht: hij communiceert toch met zijn collega-dansers, hij beweegt, hij springt, hij rent. Pas na afloop, toen hij wilde buigen, pakte een collega zijn hand om hem de weg te wijzen. En toen geloofde ik het: een blinde danser! Applaus, een ontroerend moment, ik bijna in tranen. Dat moment beschouw ik als de mooiste ervaring in het theater van het afgelopen seizoen.

Daar staan momenten tegenover waar ik als acteur liever niet aan terugdenk. Zoals die dag in april, toen ik met mijn produktie De Elfstedentocht optrad in de schouwburg van Roozendaal. Het was een Open Dag, dus iedereen mocht naar binnen. Behalve moeders met babies en kinderen. Dat was afgesproken. We speelden immers ook geen jeugdvoorstelling. De eerste tien minuten verliepen vlekkeloos. Iedereen luisterde aandachtig, iedereen lachte. Opeens hoorde ik een jengelend kind. Er is er eentje tussendoor geglipt, dacht ik. Wat nu: stoppen of doorgaan? Niks stoppen, gewoon doorgaan! De moeder deed haar best het kind rustig te krijgen. De vader zat ernaast of er niks aan de hand was. Ik kookte van woede. Ik moest me ook heel goed concentreren, het is niet voor niks een solo. Aangeland op pagina vijf (er waren nog twintig pagina’s te gaan) begon ik harder te praten, teneinde over het gejengel heen te komen. Gelukkig, het kind werd even rustig. Maar de ellende herhaalde zich, wel zo’n vier of vijf keer. Toen viel het doek. Na afloop was ik doodmoe.

Een paar weken later zag ik op de televisie een optreden van Freek de Jonge. Hij speelde in een tent. En kijk aan: ook hij had last van een jengelend kind. Hij vroeg meteen aan de moeder of ze met het kind wilde weggaan. Even later bleek er ook een hond in de tent te zitten. Hij jengelde niet, hij liep heen en weer. Freek de Jonge zette opnieuw zijn voorstelling stop: ‘Jongens, er zijn twee dingen die echt niet kunnen in het theater: kinderen en honden.’ Ik heb er erg om moeten lachen.

Paul Sochacki, beeldend kunstenaar, en Mieke Dus, permanent verantwoordelijke van Jeugdhuis ‘t Lont, Maasmechelen, ook free-lance tolk in de gesprekken van de Poolse componisten waarmee Jan Fabre samenwerkt

Regen (Studio Hinderik)

We lieten ons (ver)leiden door recensies en de fascinatie voor de enscenering: zoveel (100 liter) water wordt gebruikt tijdens de voorstelling. Dit was op zich al een uitdaging om het evenement te zien: pure elementen als water en lichamelijkheid (een hoop naakten op elkaar).

In eerste instantie was het decor ook wel fascinerend, maar al gauw bleek dat dit een heel stuk niet kan dragen. Er schortte duidelijk iets aan de inhoud van het stuk, waardoor het niet overkwam. Onbegrijpelijk, we raakten al snel uitgekeken op het ‘gespeel’. Een zeer irriterend aspect van het geheel was de rol van de zanger, die nota bene begeleid werd door muziek op band en telkens opkwam om liedjes te zingen over ‘kontjes’ en ‘kutjes’. Van de rest verstonden we niet al te veel. Zijn optreden stond volledig los van het gebeuren, hij speelde op zich. Technisch werden steeds opnieuw enkele hoogstandjes getoond die elke dramatiek, poëzie of theater uitsloten.

Goed, we zijn blijven zitten, maar dan uit respect voor de acteurs. Het heeft echter veel moeite gekost. We waren zeer ontgoocheld: een leeg gevoel heeft ons naar huis begeleid.

Rijkemanshuis (Zuidelijk Toneel) Vier uur durend gesproken theater! Iets om schoorvoetend naartoe te gaan. Alras wisten alle acteurs ons te betoveren, te overtuigen, ook al vereiste het stuk concentratie (lange monologen) en ging het helemaal niet om een ‘luchtig’ thema (familiedrama).

Een indrukwekkende wisselwerking tussen taalvaardigheid van de acteurs, gebruik van de scène, enscenering en decor (sober, zuiver) zorgde ervoor dat we ons geen seconde verveelden. De harmonie tussen al deze componenten liet een overheersende dialogenregen toe. Een geënsceneerde vrijpartij tussen man en vrouw – kunstig, ludiek en toch herkenbaar – leek uit het leven gegrepen. De opgebouwde spanning was zo bijzonder, dat we (en vele andere toeschouwers) in onze stoel gekneld bleven, ook na de voorstelling.

Hilde Van Caudenberg, opvoedster, echtgenote van theaterrecensent Tuur Devens

Mijn mooiste ervaring van dit seizoen was de doorloop van Nievelt, een choreografie van Alexander Baervoets. Die ging door in de stoffige, kale dansstudio van het Klapstuc in Leuven. Dit was voor mij heel nieuw, heel magisch. Een vol uur lang bleef ik als genageld op de rand van mijn stoel zitten. Indringende, repetitieve geluiden. En die dansbewegingen, zo verrassend, zo puur en poëtisch. Er sprong een energie op me over, die me in de ban hield. Het was het mooie an sich, zoals in de abstracte plastische kunsten, of in poëzie, waar je aan de tekens geen betekenis moet koppelen, maar die je gewoon op je af moet laten komen. Ik denk nog vaak aan die bewegingen terug als ik overdag met iets bezig ben, en heel sterk als ik bijvoorbeeld een wandeling door het bos maak.

De vreselijkste ervaring had ik in Theater aan het Vrijthof in Maastricht, met de voorstelling Mijnheer Bach door het Speelteater van Eva Bal. Het was op een zondagmiddag, en bij het binnenkomen voelde je al dat dit mis zou gaan. Er was geen sfeer, overal ritselende zakjes chips, een op en neer geloop, en niemand die verantwoordelijk was om voor wat rust te zorgen. Je kan natuurlijk zeggen dat het stuk zelf genoeg moet hebben om de kinderen en het publiek in de ban te krijgen, maar in zo’n rommelige toestand beginnen, maakt het wel heel moeilijk. De kinderen bleven luidop praten, bleven snoepjes vragen, bleven chips eten.

Tot overmaat van ramp viel bij het simuleren van een storm een deel van het decor om. Het Speelteater ving dat wel op door de voorstelling even stil te leggen, maar dat was de zoveelste onderbreking. Verder liepen er kinderen doodleuk over het podium, – het was toneel op toneel – van de ene kant naar de andere kant, om naar de wc te gaan. En ja, als er eentje begint, dan volgen er meer. Geen zaalverantwoordelijke die ingreep, ook de ouders lieten maar begaan.

Noem het voor mijn part theaterdiscipline, maar als je ergens van wil genieten, kan je niet met andere dingen bezig zijn. In Hasselt heb je vaak een inleidend woordje bij een voorstelling, en daarmee vermijd je al heel gemakkelijk een kermissfeertje. Ik snap zo’n theaterbeleid in Maastricht niet, dat voor kinderen alles maar moet kunnen. Voor mensen die wel wilden kijken, was het ergerlijk. Onze dochter was ook behoorlijk boos op die kinderen.

Kees Blijleven, directeur van het Ostadetheater, Amsterdam

Ik heb het afgelopen seizoen het meest gelachen bij Brandweermannen van Wederzijds, minstens even leuk voor volwassenen als voor kinderen. Het meest opgewonden, in de negatieve zin van het woord, heb ik me bij Enter van de Mug met de Gouden Tand. Wat een gemakzucht! De Troje Trilogie van Theater van het Oosten heeft me het meest aan het denken gezet. In de bewerking van Koos Terpstra werden de menselijke dilemma’s die in dit klassieke verhaal beschreven worden, bijzonder actueel. Actrice Oda Spelbos wist mij bovendien viereneenhalf uur verliefd op Andromache te laten zijn. Het spannendste moment van het seizoen veroorzaakte een alcoholicus, aanwezig bij Sterke drank in Oud-Zuid, een voorstelling van De Wijze Kater (een amateurgroep). Al in de bar had hij zich luidruchtig aangemeld als liefhebber van sterke drank, met als pikant detail dat hij – na een leveroperatie -net ontslagen was uit het ziekenhuis. Met een flinke wodka achter de kiezen ging hij zich rechtstreeks bemoeien met wat zich op het podium afspeelde. Levensecht toneel!

Maar dé voorstelling van het jaar was toch De vertellingen van 1001 Nacht van de Firma Rieks Swarte. Al voor aanvang had ik het gevoel deel uit te maken van iets bijzonders. De sfeer in de zaal was verwachtingsvoller dan anders, het geroezemoes luider dan normaal. Het gemak en de techniek waarmee vervolgens werd gespeeld deed ons, het publiek, op het puntje van onze stoelen belanden. Bewonderenswaardig die minimale middelen waarmee men de sfeer van de vertellingen van Sjaharazaad wist neer te zetten. Maar het meest indrukwekkend was het spelplezier dat aan alle kanten van deze voorstelling afspatte, dat het publiek als het ware de vertelling binnentrok. Zo bleken twaalfhonderd jaar oude fantastische vertellingen nog altijd tot de verbeelding te kunnen spreken. Ik herinner me dat ik tijdens de voorstelling dacht: ‘Wat is dit genieten!’ Ik kon meegaan, de beslommeringen van alledag vergeten, tegelijk werd me meer verteld dan een sprookje. Ik citeer Rieks Swarte: ‘Een voorstelling als deze brengt de islamitische wereld misschien iets dichterbij. Als het iets oplevert dat te maken heeft met hoe de wereld nu in elkaar zit, dan is dat mooi meegenomen.

Stefaan Quix, Internet-specialist (‘CyberGeek’) Stuc, Leuven

Het is zover, een vrijkaart van de Leuvense cultuurtempel Stuc heeft mijn twee jaar durende boycot van het Belgischtheaterwereldje doorbroken. De laatste jaren gingen de Wooster Group of Hollandia er nog wel in, maar om naar….euh ik wijk af.

Mijn liefde voor klassieke teksten (die mij vroeger al verrassingen en teleurstellingen heeft bezorgd) en mijn genoemde vrijkaart leiden mij naar Bloet.

Aankomst 20U15, de techniekers zien er bijzonder nerveus uit (Jan is gestopt met roken, Sigrid ziet er ook niet al te rustig uit (heeft Jan wel goed gegeten?). Alleen Lisa heeft (nog) geen last van stress (‘ik hep een nieuwe ballon!!!’).

Half negen (waar is Jan?). Fantastisch. Kwart voor negen (Jan???). We mogen binnen. Negen uur (Jaaaaaaaan). De mensen op de eerste rij (de oudere cultuurelite uit het Leuvense) worden nerveus. Kwart na negen (we kunnen beginnen!!!).

Het decor is sober: bruin krantenpapier, een bureau, een stoel en ‘the king’s corner’. Twee geraamten, Sigrid en Lisa, beginnen aan een verbale dans, zoeken mekaar, starten een partijtje menselijke schaak. Een meeslepende opbouw die aan een film van Jarmusch doet denken.

De mensen op de eerste rij begrijpen er nu reeds niets van (‘plus ça devient vieux plus ça devient con…’). ‘Waar blijft dienen Decorte?’ Enter JanDc: vermomd, een masker dragend als een man verbrand door zijn eigen menselijkheid, vloekend brullend tierend, een man bezeten door demonen, aangetast door teveel macht, een man die te veel gruwelijke beslissingen heeft moeten treffen en weet dat het nog niet voorbij is. Colonel Kurtz meets MacBeth. (eerste rij: ‘Is da nu dienen Decorte?)

Vanaf dit moment zijn alle ogen op DeCortez gericht, Sigrid en Lisa bestaan enkel nog om zijn uur durende extreem harde acteerprestatie te ondersteunen. Na een half uur waanzin stort Decorte neer, Nirvana (met geluid op Motörheadniveau) scheldt uit de boxen, de zaal trilt, de dames en heren van de eerste rij houden angstvallig hun kapsel vast, Kurt Cobain zingt ‘and I swear that I don’t have e gun’, halverwege het nummer scheuren de boxen, wat de muziek net die extra vervorming geeft die Dc nu wel door zijn hoofd spookt.

Gedane zaken nemen echter geen keer en wraak moet genomen worden; de bittere conclusie dringt zich op: tuez les tous, Dieu reconnaîtra les siens.

Welkom op het Ministerie der Waanzin, afdeling verstempelen van ongewensten en dit dan nog onder het motto ‘wie niet voor mij is, is tegen mij’. (‘Den diene, En diene en den diene en den diene…’) Na de laatste stempel zien we dat van het hoofdpersonage alleen nog een hoopje mens overblijft, een rat die in de val van zijn eigen gevoelens is getrapt. Als dan (zoals Kurdt Cobain) de tijd gekomen is om tot de ultieme daad over te gaan, komt de engel Lisa onze man in het Kasteel redden: only love can beat the demon.

Theatergroep Hahallandia in ex-werkplaatsen van de nmbs te Kessel-lo brengt u De laars en zijn sok van Herbert Achternbusch. Mét soep, patatten en boerenworst (achteraf gezien toch het hoogtepunt van de avond, die boerenworst).

Het valt mij heel zwaar dit allemaal neer te schrijven wegens het vreselijke hersenletsel dat ik eraan heb overgehouden. Daarom zal ik dan ook direct tot de kern van de zaak overgaan: een man (André van Duin) en een vrouw (André Hazes), op hun erf gezeten vertellen, vertellen en vertellen nog iets meer. Doen hun ding en vertellen nog wat meer… op hun volkomen unieke manier (alleen Van Duin speelt als Van Duin, idem dito Hazes). Dit zal de hele avond niet meer veranderen: het monotone ‘grappiger dan uw buurman’ en ‘boertiger dan uw kolenboer’ kan qua unieke interpretatie van het stuk wel tellen. Maar het hoogtepunt moet nog komen: de fantastische (NOT!!!) imitatie van een kip die de heer Van Kooten gaf tijdens De laars. Twee miljard jaar evolutie en we staan weer waar we begonnen zijn dankzij Theatergroep Hahallandia… Dames, heren, er wacht u nog een briljante toekomst tijdens de piekuren van VTM of NOS. Meer ga ik hier niet over schrijven: ik word gewoon mottig van eraan terug te denken.

Kenneth Herdigein, acteur, Amsterdam

Voor een ‘normaal’ acteur, die minstens de helft van het jaar ‘s avonds speelt, heb ik, vind ik zelf, het afgelopen seizoen veel gezien: ruim veertig voorstellingen. Ik had nog veel meer willen zien. Angels in America in Rotterdam, Goldberg Variaties van Art & Pro bijvoorbeeld. Gelukkig kan ik deze voorstellingen nog tijdens het Theaterfestival zien.

De vraag naar wat voor mij het hoogtepunt of dieptepunt van het afgelopen seizoen was, heeft me behoorlijk aan het denken gezet, over wat in het theater nu eigenlijk een hoogtepunt betekent, en wat een dieptepunt. Mijn zogenaamde dieptepunt noemen vind ik te doemdenkerig. Ik ga ervan uit dat mensen die op het toneel gaan staan, dat doen vanuit een sterke behoefte, dat ze weten waaróm ze daar gaan staan, dat ze iets te zeggen hebben. Ik kan eigenlijk alleen beoordelen of iets goed gelukt is, minder gelukt, of mislukt. En eerlijk gezegd zie ik nooit iets wat helemaal niet gelukt is. Ik vond het bijvoorbeeld een voorrecht om in Timon van Athene van Toneelgroep Amsterdam te mogen staan. Het was wat mij betreft een niet geheel gelukte produktie, maar ik heb er wel toneelspel gezien van de allermooiste soort, met name van Pierre Bokma. Er waren in die voorstelling momenten waarop hij niet toneelspeelde, maar toverde; zoals Jessye Norman kan zingen alsof ze door God is aangeraakt.

Toch over hoogtepunten gesproken: de Ilias, of Klaagliederen, Tevengebroed, de Troje Trilogie, Written on the Wind of Cambodja Mon Amour. Als U die ook heeft gezien moet U het met me eens zijn: stuk voor stuk hoogtepunten. En wat te denken van de nieuwe lichting acteurs en actrices, van wie ik zeker 80% van hun produkties heb gezien. Die nieuwe lichting – ja, dat vind ik echt een hoogtepunt!

Willy Westermann-Klep, dramaturge bij Theater Cosmic

Een tafel met klapstoelen in een kale ruimte. Spiegels tegen de wand. Zwarte gordijnen langs de muren. Thee en koffie. Taart. Beleefd glimlachend leuteren schrijver, regisseur en spelers met elkaar. Het spel, vóór het spel is begonnen. Ik sla de eerste bladzijde op. Woorden, waar ik maandenlang mee heb geworsteld, liggen voor me. Stampij, scène 1. Een vrouw zit in een stoel, een andere vrouw komt binnen. Ze draagt iets exotisch en heeft een cadeautje bij zich. Ik kijk naar de twee actrices die deze twee vrouwen gaan spelen. Actrices waarmee ik de komende tijd, dag in dag uit, in de repetitie-ruimte zal knokken over woorden, zinnen, gedachten. Naar de regisseur in wiens huid ik zal moeten kruipen, wil ik hem tenminste kunnen volgen. Naar de schrijver, die erop rekent dat ik zijn tekst zal verdedigen. Naar mezelf.

Er hangt iets in de lucht. Alsof ik opnieuw mijn ja-woord ga geven. En opeens gebeurt het. De personages krijgen een gezicht, een stem, ogen, een lichaam, handen en voeten. Voor de zoveelste keer beleef ik de seconde waarin de grens van mijn eigen verbeelding overschreden wordt. Waarin ik mijn onschuld verlies. Voor de eerste keer naar bed ga. Me voor het eerst verraden voel. Het niveau van mijn adrenaline stijgt. Mijn handen worden vochtig. Het prikt in mijn oksels. Ik hoor dat de dialoog, die ik op een andere plek in het stuk zette, beter werkt. De structuur is spannender. Ik maak een aantekening. Deze zin bevalt me niet. Het kan beter. Of ligt het aan de manier waarop de zin wordt gesproken? Liefde, haat, verraad, verdriet – het is allemaal al duizend keer gezegd – mooi, lelijk, stuitend, ontroerend. Maar die ene seconde waarin het lezen overgaat in het levend horen en zien, daar zit ik iedere keer op te wachten. De seconden waarin woorden een nieuw leven krijgen.

Griet Van Laer, tot voor kort Vlaams Theater Instituut, nu Meg Stuart Company

Agatha van De Tijd was voor mij de vreselijkste theaterervaring van het voorbije seizoen. Het was een lauwe, statische voorstelling. Ik was er met grote verwachtingen naartoe gegaan, want tijdens het Kunstenfestival vorig jaar voelde ik me erg aangesproken door A. da Agatha, waarvoor Thierry Salmonzich op dezelfde tekst van Marguerite Duras baseerde. In de produktie van De Tijd gebeurde er niets met die mooie, suggestieve tekst van Duras. De acteurs haalden er niet uit wat er in zat. Blijkbaar voelden ze niet aan waarover het gaat. Daardoor kwamen ze ook als acteur ongeloofwaardig over.

Angels in America (Ro Theater) was dan weer een zeer aangename verrassing. Eigenlijk zag ik er wat tegen op om zo lang in het theater te gaan zitten, maar na een tijdje begon ik de pauzes vervelend te vinden! Ik wou verder kijken. De prettigste bezigheid tijdens de pauzes was speculeren hoe het verhaal zich verder zou ontwikkelen. Angels in America had ook zijn schoonheidsfoutjes, maar ik vind het een fantastisch dat je mensen een hele dag in de zaal kan houden zonder dat ze zich gegijzeld voelen… een gevoel dat je soms al hebt bij een voorstelling van een uur.

Martien Langman, publiciteitsmedewerkster Polanentheater, Amsterdam

Zondag 25 juni organiseerde het Polanentheater (een klein theater in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt) voor de derde maal de Interculturele Koren-dag. Op zo’n dag treden tien koren op, in twee zalen en op een buitenpodium. Het is een evenement dat veel improvisatietalent vereist, maar het is ieder jaar weer prachtig. Het weer zorgde voor subtropische temperaturen en een overvol terras. De ijscoman deed zijn handel door het hek heen, buren hingen over balkons of dansten in bikini in hun achtertuin.

Op dezelfde dag werd boven het dichtbij gelegen terrein van de Westergasfabriek (in het kader van het Holland Festival) gerepeteerd voor een concert met vijf helicopters (muziek: Stockhausen). We wisten ervan, maar niemand kon ons vertellen óf en hoe laat de repetities zouden plaatsvinden. Dus waagden we de gok. Zolang die helicopters boven het Westergasterreinzouden blijven hangen, konden ze ons niet al te grote problemen bezorgen. Dachten wij. Helaas bleven de helicopters helemaal niet boven het Westergasterrein hangen, maar kwamen ze pal boven de binnenplaats van het Polanentheater aangevlogen. Grote pech voor het Koor op Zolder, een klassiek koor. Gedisciplineerd zongen ze dwars door het luchtgeweld heen, al hoorden ze zichzelf niet meer. Het publiek hoorde al helemaal niks. Teleurgesteld verliet het koor het podium: een jaar repeteren, en dan leg je het af tegen een stel helicopters!

De koren die daarna optraden speelden het slimmer: ze onderbraken hun zang als de helicopters overkwamen, en begonnen na het lawaai gewoon opnieuw. Na afloop zei een vrouw – die klaarblijkelijk onze wanhopige gezichten niet had gezien: Mooi hè, die helicopters, hoorde dat erbij?

De hekkesluiter van de dag was het Wees-pertrekvaart Mannenkoor, met stoere, bonkige en gevoelige zeemansliederen. Maar waar waren ze? In ieder geval niet in de ‘inzing’-ruimte. In de bar had ik meer succes. ‘Jullie moeten zo op, moeten jullie niet inzingen?’ ‘Inzingen? Indrinken zul je bedoelen.’ ‘Maar waar is de dirigent dan?’ Inmiddels was ook het publiek behoorlijk ingedronken. Meezingend en meedeinend sloot het een lange, hete dag af.

Frieda Pittoors, actrice, Amsterdam

1. Dit had jij moeten zien!

In een paleis in Antwerpen. Een zaal met veel spiegels in goud. Glimmend parket. Der Stein van Dick Raaymakers en Paul Koek. Twee acteurs. De een is stil. De ander leest teksten. Alsof hij moet, van iets of iemand. Ondertussen slaat hij houten latten stuk. Hij gaat maar door. Lijkt gevangen of gekidnapt, verplicht dit werk te doen voor een of andere gek. Een regisseur-psychiater die een acteurpatiënt oefeningen laat doen. Gaat dit nog lang duren? Geroezemoes om me heen. Twee mensen verlaten de zaal, eisen hun entreegeld terug. Een man voor me gaat ostentatief zijn krant zitten lezen. Of is hij misschien bang een houtsplinter in zijn gezicht te krijgen? Wat moeten we hiermee, hoor ik mensen denken.

De acteur neemt de toestand op, gaat bijna geamuseerd verder. Volhouden! Zijn doorzetten wint het van de eentonigheid. De teksten worden helder. Ik geniet stilaan van het tussen het houtklieven door uitspreken van woorden. Ik hoor zinnen. Ik word nu medepatiënt in hun inrichting, ik wil via die man die alsmaar hout kapot slaat woorden herkennen, en die woorden misschien ook stilletjes voor mezelf formuleren. Woorden die je een houvast geven, omdat je ze zelf – na een lange voorbereiding – hebt kunnen kiezen. Het houvast om ze misschien ooit nog eens uit je eigen strot te laten komen. Ik ben geïnspireerd geraakt. Ik voel de noodzaak iets te formuleren, iets te heroverwegen. Wat voor teksten het precies waren, dat weet ik niet meer. Ze gaven me wel even het genot zelf te willen zoeken naar het juiste woord op de juiste plaats.

2. Dit had jij niét moeten zien.

Ik wou niet, ik wilde nog naar de wc. Het publiek sijpelde binnen. Teveel bekenden. Ik wil niet op. Laat er een alarm afgaan, de elektriciteit in de hele stad is kapot. Laat er desnoods een vliegtuig in het centrum neerstorten. Ik heb teveel knoflook gegeten, ik moet nodig wat water drinken. Glaasje water, natuurlijk vergeten. God, laat deze laatste minuten uren duren. Ik wil niks vertellen, ik wil alleen maar even melden dat ik naar huis wil, naar bed, As the World turns.

De eerste zinnen van de voorstelling hoor ik uitspreken. Waarom? Iets komt op gang. Een mechanisme komt in werking, een toneelmechanisme. Er wordt om iets gelachen. Is dit grappig? Ik vind het niet grappig. Jullie ook niet. Nog vijf pagina’s en ik ben. Wat ben ik? Iemand die niet wil. Teksten zeggen en weg. Ik kan het al in tien minuten, snel ratelen. Dat maakt misschien wel indruk. Heb er toch nog lang op geoefend. Ik wil niet. Ach, die teksten komen wel vanzelf. Je kan ze dromen. Je zegt ze iedere avond op, voor je gaat slapen. Slapen mag zo. Nog een paar uurtjes. Niemand hoeft het te zien dat je geen zin hebt. Ineens zeg ik iets. Ja, dat was mijn wacht. Dus toch. Ik schoot in gang. Het valt nog mee. Het publiek luistert, zoals altijd. Ze hebben hun kaartje gekocht, of niet, in ieder geval zijn ze gekomen. Ik kijk iemand in het publiek aan. Hij zit naar het plafond te staren, wil mij niet zien. Terecht, denk ik. Hij heeft me door. Weer wordt er om een grapje van iemand gelachen. Ik kan dat niet uitstaan. Het is niet grappig. Naar mij kijken. Ik speel slecht, maar ik kan het verbergen. Ik wil dit niet.

Colette van Wees, jeugdtheater De Krakeling, Amsterdam

Eigenlijk wilde ik de mooiste theaterervaring uit het door mij zo geliefde jeugdtheater beschrijven. Maar iedere keer komt die ene, overweldigende scène uit het volwassenentheater op de voorgrond. Oblomov door De Trust. Oblomov durft niet te leven. De wereld jaagt hem angst aan. De hele dag hangt hij lamlendig in een fauteuil. Zijn kamer doet denken aan een om hem heen gebouwde doodskist. Met als enige opening het muizenhol waarin de bediende is genesteld. Zijn lusteloze houding legitimeert Oblomov door gebeurtenissen die buiten hemzelf liggen. Als hij een brief wil schrijven om orde op zaken te stellen op zijn landgoed Oblomovka, blijkt de inkt opeens op te zijn. Wanneer hij een bad wil nemen, is het water opeens koud. Ga zo maar door. Zijn lichaam mag passief zijn, Oblomov’s geest werkt op volle toeren. De vrienden die hem bezoeken worden door hem scherp bekritiseerd. Hij beticht ze van oppervlakkigheid – omdat ze niet leven, slechts op de hoogte zijn. Of omdat ze de arbeidsmoraal te hoog in het vaandel dragen.

Dan donderen de om hem heen opgetrokken planken wanden met één daverende klap in elkaar. De soberheid van zijn bestaan gaat over in een theatraal spektakel. Een ouderwets schouwtoneel met pluche theatergordijnen vormt het kader van de aria Casta Diva (gezongen door Maria Callas). Een meeslepende aria die uit volle borst door een live optredende, wulpse diva wordt meegezongen. Oblomov wordt verliefd op de in hoepelrok gestoken zangeres. Of op de Muze waarvoor hij haar aanziet? In ieder geval laat hij zich door haar bedwelmen.

De overdonderende manier waarop deze omslag in het decor is vormgegeven, werkte heftig op mijn gemoed. Een omslag van totale passiviteit naar een bestaan vol passie. De aria van Maria Callas doet al snel een lichte huiver door het lichaam kruipen, maar hier is het vooral de stap die Oblomov durft te nemen die me raakt. Hij offert de veiligheid van het bestaan op en stort zich vol overgave in een onzeker liefdesleven. Zo’n onbezonnen alles-of-niets-houding kan het leven de mooiste en de beroerdste kant uitsturen. Het leverde voor mij de mooiste theater-ervaring op van het afgelopen seizoen.

Paul Slangen, publiciteitsmedewerker Theatergroep Hollandia

Afgelopen seizoen ensceneerde De Trust een nieuwe versie van Faust, op een tekst van Gustav Ernst. Een shockerende voorstelling. Niet zozeer vanwege het overdadig fysieke geweld, eerder vanwege de filosofische implicatie van fabel en plot van stuk en voorstelling. Voor het gezelschap betekent deze produktie het eind van een periode, waarin het geweld als zingeving voor leven tot in alle extremen en in alle varianten werd getoond en onderzocht. In de verschillende bewonderaars van geweld die deze Faust omringen, zijn diverse personages uit eerdere Trustvoorstellingen te herkennen. Kon het publiek zich in die vorige voorstellingen nog beschermen tegen (of onttrekken aan) het vertoonde geweld, in deze Faust was het geweld overal aanwezig en daardoor onontkoombaar. Een voor een werden alle fundamenten van de menselijke existentie weggeslagen. Iedere levensovertuiging, elke hoop en goede zaak, verdwenen in de muil van de onverzadigbare duivel. Op het moment dat de conclusie zich opdringt, dat het enige dat telt de eigen fascinatie is, verhangen wetenschap en liefde zich. Persoonlijke herdefiniëring van het eigen bestaan was na deze Faust vereist.

De enscenering was echter ook vanuit een ander gezichtspunt belangwekkend. Hier werd in praktische zin getoond, wat de wereld van de kunst en de esthetiek vandaag de dag ernstig bedreigt: het primaat van de economische waarden. De Trust stelt in deze voorstelling, waarin zijzelf als het ware lijdend voorwerp is, dat het ‘produkt Trust’ is verworden tot een kas-succes dat iedereen denkt te kunnen gebruiken voor eigen doeleinden. Sterker nog: het lijkt wel of de kunstenaar blij mag (en moet) zijn, over het feit dat hij in de smaak valt. Alles wat hij uitdrukt, alles wat hij doet en zegt, wordt (als in deze Faust) door ‘bewonderaars’ onschadelijk gemaakt. De kunstenaar is geen gesprekspartner meer, maar een object waarnaar geamuseerd gekeken kan worden.

Dezer dagen adviseert het adviesbureau Berenschot de sector theater meer kunstprodukten te maken die de toeschouwer graag wil zien (toegankelijker, conventioneler). De dood in de pot, wat mij betreft. De kunstenaar moet zich niet aanpassen aan het publiek. Het publiek moet willen begrijpen, waarom een kunstenaar zich uit op de manier die hij gekozen heeft. De toeschouwer moet de communicatie aangaan met een kunstenaar, zich een verhouding zoeken tot het wezen van diens uitingsvorm. Dat is niet altijd gemakkelijk. Kunstenaars ontwikkelen zich grillig. Lopen de kans voor een steeds kleiner publiek toegankelijk te zijn. Daarom zouden de publiciteits-afdelingen van theatergroepen zich meer moeten (kunnen) richten op het verzorgen van de communicatie tussen kunstenaar en publiek. Weg met de marketing. Die komt uit het bedrijfsleven. En daar is de verhouding tussen mensen inderdaad gereduceerd tot die van produkt versus consument.

Veerle Van Bun, sinds 1 februari 1994 directrice van De Adelberg, het nieuwe cultureel centrum van Lommei

Ik ben van nature niet iemand die compleet euforisch na een voorstelling uit de bol gaat. En ach, wat is mooi? Dat is natuurlijk allemaal relatief. Bob De Moor vond ik heel goed, en de dansvoorstellingen van Lynda Gaudreau en van Meg Stuart vond ik aangrijpend en perfect gedanst. Maar wat mij vorig seizoen het meest heeft aangesproken is de doorbraak van Leporello. Ik volg ze al jaren, en vind hun combinatie van bewegingstheater, theater en spelen met woorden altijd fascinerend. Maar tot nu toe waren hun stukken altijd té kort om te programmeren, of wat té vreemd van vorm voor een breed publiek.

Met Een Tartuffe doen ze wat ze al altijd gedaan hebben, maar nu ook voor een breed publiek, zonder dat het plat en commercieel is. Ik heb me die avond van de voorstelling heel goed geamuseerd, en echt genoten. Met weinig pretentie en met goede acteerprestaties werd een voorstelling gebracht die af was. Ik ben blij dat ik Leporello ook aan het publiek in de Adelberg kan voorstellen.

Mijn vreselijkste theaterervaringen zijn nauw verbonden met mijn grootste bekommernis: de publieksopbouw van De Adelberg. In mijn eigen schouwburg kan ik niet echt kijken naar een voorstelling, laat staan ervan genieten. Ik zit constant met het publiek in mijn hoofd. Bij de moderne dansvoorstellingen – ik programmeerde er zeven – was dat altijd heel eng. Ik wil vernieuwend werken in deze Noordlimburgse landelijke grensgemeente, maar ik wil ook niet egotrippen met 5 toeschouwers in de zaal, integendeel: ik wil zoveel mogelijk mensen bereiken. Dat maakt het niet altijd gemakkelijk. Met mijn programmatie voel ik me verantwoordelijk voor het publiek. De mensen komen ook voor een avondje uit, ze komen ook om te genieten.

Na de reeks dansvoorstellingen kwam een mevrouw naar me toe. Ze had een abonnement genomen, de reeks helemaal gevolgd, en zei dat ze het echt niet goed had gevonden. Dat was pijnlijk. Gelukkig waren er ook wel andere reacties, maar toch. Dat verantwoordelijkheidsgevoel voor je publiek is soms vreselijk. Het zal nooit wennen, denk ik, maar het hoort nu eenmaal bij mijn job, vrees ik.

Lineke Kortekaas, Theater aan de Markt, Enschede

Woensdag, 5 april 1995. Ze waren die ochtend al vroeg vertrokken uit Luik. Ondanks de uit de grond schietende paaltjes en obstakels, hadden ze hun weg door het centrum van Enschede snel gevonden. Voor het opbouwen van hun voorstelling waren er wel zes sterke mannen extra nodig, zo was van te voren aangekondigd. Let wel: naast de twee sterke mannen en die ene sterke vrouw die samen de techniek-ploeg van Theater aan de Markt Concordia vormen. Toen de laatste werkstudent om 12.00 uur arriveerde (hij had zich verslapen), keken de vijf anderen met koffie in de hand toe, hoe onze technici en de groep uit Luik de enorme kisten op het toneel plaatsten.

Bij nader inzien hoefde de voorstelling niet in de bovenzaal te staan, het kon ook beneden. Voor de niet-ingewijden: de bovenzaal bereik je niet via de lift, maar via twee brandtrappen aan de buitenkant van het theater. De extra mankracht bleek overbodig. Ik had er goed de pest in. Vijf werkstudenten maal drie uur uitbetalen voor nop. Ik ben die dag, geheel tegen mijn gewoonte in, niet meer gaan kijken hoe de zaak erbij stond, zelfs niet meer toen een van onze technici om een uur of zes kwam vertellen dat we iets bijzonders in huis hadden. Van de groep had ik nog nooit gehoord.

De volgende twee dagen zouden er in totaal zes schoolvoorstellingen gespeeld worden. Ik kwam de volgende dag toch maar even kijken. Even snel vanuit de techniek-kabine, dat was de bedoeling. In de zaal zaten ruim honderd kinderen van een jaar of tien ademloos te kijken en te luisteren. Mijn ogen vielen uit de kassen, mijn mond viel open, mijn adem stokte. Als verstijfd bleef ik staan. Twintig minuten duurde het nog. Het applaus kwam langzaam op gang en zwelde aan, een voor kinderhanden ongekend enthousiasme. Ik kon weer ademen. Ik zuchtte.

Vervolgens rende ik naar de telefoon en heb stad en land afgebeld: kom hierheen, kom kijken!. Tijdens de schoolvoorstellingen mogen er geen kinderen op het balkon. Dat kwam goed uit. Twee uur later zat het er vol met collega’s, vrienden en kennissen. Twee mannen en een vrouw uit Luik, op een lijsttoneel, in een eenvoudig maar betoverend licht. Ze produceerden klanken die ik nog nooit had gehoord, klanken uit instrumenten die ik zelfs in mijn dromen nog nooit gezien kon hebben. Ping-pong-balletjes zweefden door de ruimte, kwamen neer op tover-tennis-tafels. Het Luikse trio bespeelde stelten van afvoerpijpen. Gekleurd zand in levensgrote trechters produceerde een geluid dat je de rest van je leven doet verlangen naar regen. Metalen bloemkelken waaruit hemelse harpen opbloeiden. De groep heet Les Pays des Phones. Drie kunstenaars die leven voor hun muziek, voor de schoonheid van hun instrumenten, de liefde voor de klanken. Niet speciaal gemaakt voor kinderen. Ze spelen graag voor een aandachtig en ontvankelijk publiek. Als de ouders het kunnen opbrengen, mogen ze op 10 januari 1996 zelf komen luisteren. Want dan staat Les Pays des Phones opnieuw in de bonbonnière van Concordia. Al hebben ze twintig sterke mannen nodig om te helpen sjouwen! Wij zijn er!

Tom Van Dijck, acteur, ex-Roover, zal tijdens seizoen 95-96 bij De Tijd spelen

De stukken die ik ga bekijken kies ik hoe langer hoe selectiever. Een goede voorstelling moet sowieso gemaakt zijn met kennis, intuïtie en puur genot voor degenen die spelen. En met die gedeelde ervaring wil ik dan verder leven. De totaliteit van een voorstelling ontgaat me dikwijls. Maar er zijn wel momenten, zinnen, brokken die het bij mij doen. Ik heb graag dat men mij geestelijk ver-zet. Of dat iets me aan het denken zet, of gewoon een aangenaam gevoel geeft. Voorstellingen zadelen me dus op met brokstukken die ik niet wil benoemen, omdat ze teveel van mijzelf en het moment afhangen. Trouwens, ik vind het ook van ondergeschikt belang door wie en met wie een voorstelling gemaakt is, zolang de drie voorwaarden die ik in het begin vermeldde aanwezig zijn.

Een seizoensbalans opmaken berust op herinneringen van toen, een reconstructie van voorbije belevenissen en beroeringen. En theater is voor mij een ervaring van het moment: als je buitenkomt is het weg. Er zijn hoogstens nog ‘ruïnes’ waarmee je verder leeft. Enkele uren, dagen, maanden misschien. Dat meedragen is dus tijdelijk; je leeft verder met steeds verse ervaringen.

Het prettigste gevoel heb ik – en dan kan ik zelfs vergeten dat ik zelf theatermaker ben -als men mij een verhaal vertelt in de zin van mij iets laten beleven, mij mee op reis nemen. Weg zijn en toch goed mee zijn, tegelijkertijd. Die ervaring had ik sterk bij Tityrus van Bob De Moor, schiet mij nu plotseling te binnen.

Een ware cultuurshock – in negatieve zin dan – beleefde ik bij (maar vooral na) Le médecin malgré lui in het Théâtre National. Vre-se-lijk. Ik belandde precies in een ander tijdperk. Ik was dan ook stomverbaasd door de reacties van het publiek: laaiend enthousiast, staande ovatie. Voor het Brusselse francofone publiek was dàt blijkbaar goed theater.

Adinda De Wit, 10 jaar, Potloodbijtster. (De Potloodbijters zijn de jonge theaterrecensenten van het Cultureel Centrum van Hasselt. Een tiental kinderen tussen 7 en 12 jaar volgt zoveel mogelijk de vrije kindervoorstellingen in dat centrum en schrijft daarover dan kritiek.)

Tijdens het voorbije seizoen zag ik een 25-tal produkties, die niet allemaal specifiek voor mijn leefdtijdsgroep gemaakt waren, maar dat stoorde mij niet. Heel slechte stukken heb ik niet gezien, wel veel gewone. Heel goed vond ik Don Quichote door Stella Den Haag, Erik of het kleine insectenboek door Paardenkathedraal. De opera Repelsteel van Teneeter was ook mooi, ik hoor graag muziek. Een fijne voorstelling was Mijnheer Bach, eigenlijk voor kleuters, maar ik vond ze heel leuk, en de grappige dansvoorstelling De Ondergang van de Titanic door Bijzondere Zaken. Ik zat toen op de eerste rij en was nat geworden. Dat vond ik wel leuk.

De mooiste voorstelling vond ik Geheime vrienden door Teater 42 onder leiding van Rudy Meuws. Daarin spelen ook kinderen jongeren mee. Het was een rare voorstelling, met in het begin een jongen die heel stil op een radio stond. Heel mooi om te zien vond ik dat een hele berg papier in snippers werd gescheurd!

Het vreselijkste vind ik als kinderen in het publiek blijven praten. Bij de voorstelling In het spoor van Miles bleef zo’n kind maar praten en praten, en die mama zei daar niets van! Dat kan toch niet! Als er zo mensen en kinderen om mij heen zitten te praten, dan kan ik niet goed opletten. Dat is heel vervelend.

Luc Dhooghe, architect en scenograaf

Je kunt niet in absolute termen spreken over theater. Theater is een moment dat niet herhaalbaar is. Een voorstelling is niet goed of slecht, maar een veranderend gegeven dat zijn betekenis ontleent aan zijn context. Als architect en scenograaf ben ik me steeds bewust van hoe zo’n omgeving inwerkt op de perceptie. Ik vind het dan ook moeilijk om mijn ervaring te verabsoluteren.

De optimale voorstelling bestaat dus niet. Maar natuurlijk zijn er gradaties. Als je een voorstelling kunt gaan zien in het theater waarvoor ze gemaakt is, waar ze in première is gegaan, dan is de kans al groter dat de omstandigheden goed zullen zijn. Op reizende voorstellingen heb ik het niet zo begrepen: ze moeten zich willens nillens aanpassen aan zalen, en vaak wringt dat, zijn de proporties tussen toeschouwers- en speelruimte vertekend. Het is beter dat de toeschouwer het theater tegemoet komt, dan omgekeerd.

Maar ik zou over mijn mooiste theaterervaring vertellen. Over de slechtste heb ik het liever niet, ik wil me op een positieve manier tot het theater verhouden.

Een groot idool van me is Bob Wilson. Bij Wilson is het theater een onophoudelijk ‘formaliseren van de dingen’, zodat de toeschouwer op een andere manier tegen de werkelijkheid aankijkt, dit in tegenstelling tot ons doorsnee-theater dat veelal een rechtlijnige kopie van de realiteit is. Wilson vertelt een verhaal, maar op een volstrekt andere manier: het is de ruimte die vertelt.

The Meek Girl, het voorbije seizoen in deSingel, vind ik Wilsons beste stuk. Tekst, ruimte en personages zijn er op een anologe manier geformaliseerd en staan in een ritmisch verband tot elkaar. De hoge kolommen (de verticaliteit suggereert bij Wilson de tijd), de objecten, de afwisseling van open en gesloten ruimten: de verhouding tussen al deze componenten is het hele verhaal, waar alles mee staat of valt. Dat is een esthetiek, maar gaat verder dan dat: het is een ervaring die in je hoofd de ruimte creëert om te zien wat je voorheen niet zag.

Roos Werckx, binnenhuisarchitect en scenograaf

Mijn mooiste theaterervaring van de voorbije jaren heb ik te danken aan Lulu van Hollandia. Ik zag het stuk tijdens de eerste editie van het Kunstenfestival, in een oud arsenaal in Etterbeek. Een vervallen, langwerpig complex. Het kan er binnen regenen, duiven vliegen er rond.

Hollandia heeft de ruimte goed aangewend. Het publiek is van de speelruimte gescheiden door een kloof. In het eerste deel van het stuk spelen de acteurs vlak voor het publiek, met de kloof achter hen. Hun nabijheid, die bijna lijflijk voelbaar is, installeert meteen een contact. In het tweede deel spelen ze verderaf.

In de kloof zijn loopbruggen aangebracht. De acteurs komen uit de put en dat is een mooie metafoor voor Lulu: zij komt uit de goot en keert er weer naar terug. De toeschouwers zitten in fauteuils, teken van rijkdom en comfort – je bent een beetje gezeten’, ‘snob’, en in die zin ook medeplichtig aan een ingewikkeld spel, waarin je op de duur niet meer weet wie wie manipuleert. Is het Lulu die de mannen misbruikt of omgekeerd? Wat is macht, wat is onmacht?

Lulu is het verhaal van een noodlot. ‘Ik kan toch niet anders zijn, dan ik ben. Ik kan toch niet anders zijn dan vrouw’, zegt Lulu. Betty Schuurman speelde haar met een ongelooflijke energie – niet als de femme fatale, maar in een soort corset, waardoor je je afvroeg ‘gaat ze er nu uit barsten of niet?’. Net als de andere acteurs wist ze telkens dat accent te vinden waardoor de tekst in een nieuw daglicht kwam te staan.

Ik heb al veel versies van Lulu gezien, maar hier in deze enscenering – Hollandia koos ervoor de integrale tekst te spelen voelde ik een grote zuiverheid, een respect voor de tekst. Hollandia illustreert het woord niet, maar geeft andere beelden, zodat de fantasie zich kan openen. Zelden heeft het expressionisme me op die manier getroffen: dat hoekige, het dwarsliggen. En dat is wat ik ook van het theater verwacht: een andere of verhevigder kijk op het reeds vertrouwde.

 

artikel
Leestijd 26 — 29 minuten

#51

15.08.1995

14.11.1995

Lex Prinzen

artikel