Bart Eeckhout

Leestijd 5 — 8 minuten

Het monstertje heet Calimero

Wordt er te weinig Nederlandstalig toneel gespeeld in de hoofdstad? Nou en? Bart Eeckhout bespreekt de VTi-nota Monstertje Brussel en pleit voor een grootstedelijk theaterbeleid.

‘Er ontbreekt iets in het theateraanbod in Brussel.’ Dat was het uitgangspunt van Monstertje Brussel Een Theaterbeleid in de Hoofdstad, een onderzoeksnota van Els Baeten en Klaas Tindemans in opdracht van de voormalige Vlaamse minister van Cultuur Luc Martens (CVP). Er ontbreekt heel wat in het theateraanbod in Brussel, zo leert de nota. Er wordt te weinig Nederlandstalig theater getoond in de hoofdstad, er wordt te weinig geproduceerd, repetitieruimte is ook al zoek, en er is te weinig contact tussen de verschillende instellingen. Dat alles maakt van Brussel voor wie met podiumkunsten begaan is een monstertje: sympathiek en exotisch in de uitstraling, soms gruwelijk door de institutionele doolhof. Er ontbreekt echter ook heel wat in de nota. Een visie op wat een cultureel aanbod in de hoofdstad te betekenen kan hebben, om maar iets te noemen.

Een coherent cultuurbeleid voeren in Brussel is onmogelijk. Bij uitbreiding, een coherent beleid voeren tout court is er onmogelijk. Het cultuurbeleid is in Brussel net als alle politiek-communautaire problemen een kwestie van taxatie en representatie. Aan de ene kant staat de Vlaamse Gemeenschap. Zij heeft geld (taxatie) en wil dat best ook aanwenden maar dan ‘om Brussel niet los te laten’ (representatie). No taxation without representation. Aan de andere kant staat de Franstalige Gemeenschap. Zij heeft geld nodig en wil in ruil best wat Vlaamse vertegenwoordiging toelaten. No representation without taxation. Daartussen bewegen zich de Brusselaars, een bevolkingsgroep die om institutionele redenen geen Gemeenschap mag vormen. Lokaal niet, omdat de Brusselse gemeenten liever negentien politiekorpsen (of schepenen van cultuur, of…) in stand houden dan samen te werken. Regionaal evenmin, omdat er wel een Hoofdstedelijk Gewest is, maar geen Hoofdstedelijke Gemeenschap. Dat maakt een cultureel beleid in Brussel per definitie onmogelijk. Een cultuurbeleid wordt aldus een aanwezigheidspolitiek van twee concurrerende Gemeenschappen.

Een evenement als het KunstenFESTIVALdesArts draagt die communautaire spanning in zich: een meertalig, multicultureel festival waarin de Vlaamse Gemeenschap haar aanwezigheid afkocht door het overgrote deel van de rekeningen te betalen (overigens tot frustratie van heel wat Vlaamse beleidsmakers, die al dat geld liever naar ‘echte’ Vlaamse cultuur zouden willen zien gaan, kwestie van Brussel dus niet los te laten). Vlaanderen heeft voorlopig ook alleen maar geld aan te bieden aan haar hoofdstad. De Vlaming zelf lijkt immers niet echt geïnteresseerd. Menselijk kapitaal blijft voorlopig afwezig, met uitzondering dan van het vrijwillige getto van jonge hoger opgeleiden dat zich om en rond de Dansaertstraat heeft genesteld.

Die politieke impasse is het vertrekpunt en jammer genoeg ook meteen het eindpunt van de nota Monstertje Brussel. De auteurs overstijgen de tegenstelling niet, maar laten er algauw hun gezichtspunt door bepalen. De focus op het theaterbeleid in de hoofdstad wordt versmald tot de noodzaak van een Vlaams theaterbeleid. Dat zal allicht iets te maken hebben met de opdrachtgever, de Vlaamse minister van Cultuur, maar zo komen we er natuurlijk nooit. Op die manier schakelen de auteurs zich immers in in de definitie van cultuurbeleid als aanwezigheidspolitiek. Blijkt dat er te weinig Nederlandstalig theater gespeeld wordt in Brussel, in vergelijking met Gent of Antwerpen. Nou en? Waarom moet er zo nodig een Gents of een Antwerps theaterbeleid in de hoofdstad gevoerd worden? Het kan niet de bedoeling zijn van een Vooruit of een Toneelhuis in Brussel neer te planten, waarschuwen de auteurs, maar als kwantiteit het probleem is, lijkt dat de enige oplossing.

Laten we het, in plaats van voorstellingen te turven, liever hebben over de kwaliteit van het theateraanbod in de hoofdstad. Zou het immers niet veel zinvoller zijn enige reflecties te besteden aan een ‘Brussels’ of desnoods ‘hoofdstedelijk’ theaterbeleid? Dan blijkt het dat ‘Vlaamse’ kunstencentra zoals het Kaaitheater of de Beursschouwburg een eigen dynamiek ontwikkeld hebben die wel degelijk beantwoordt aan de noden van een grootstedelijk theaterbeleid. Daarbij richten zij zich niet in de eerste plaats naar de betrachtingen van hun politieke betaalheren, maar wel naar de stedelijke context waarin zij zich bevinden. Elk op zijn haast tegengestelde maar evengoed complementaire manier: de Beurs kijkt naar Brussel als multicultureel grootstadsweefsel, het Kaai naar Brussel als internationaal artistiek knooppunt. Over de missie die beide centra zichzelf stellen kan zeker gediscussieerd worden (zo is het nog maar de vraag of de beperking tot de ‘Noord-Atlantische podiumkunst’ die de artistieke leiding van het Kaaitheater zichzelf oplegt, zinvol is in de Brusselse context). Gelukkig maar, want dat betekent tenminste dat er keuzes gemaakt worden. Dat er in de Beurs of het Kaai een Nederlandstalige voorstelling minder wordt gespeeld, tant pis, voor de liefhebbers zijn er excellente auto- of treinverbindingen naar Gent of Antwerpen, om Leuven niet te vergeten.

Toegegeven, er wordt ook in Monstertje Brussel lippendienst bewezen aan de grootstedelijke context als artistiek netwerk’, maar met die stelling wordt weinig aangevangen. Het monstertje wordt nagenoeg uitsluitend vanuit het Vlaamse getto benaderd. Bij de studie werd nauwelijks naar ‘de overkant’ gekeken. De Franstalige gesprekspartners zijn op één hand te tellen, over allochtonen wordt niet eens gesproken. Blijkbaar is dat het exclusieve terrein van de straathoekwerkers. Hetzelfde geldt overigens voor de VTi-studiedag die ter gelegenheid van het jongste Theaterfestival onder meer aan het Monstertje Brussel gewijd werd. Alle sprekers hadden de mond vol over Brussel als multicultureel gegeven, maar zowel aan de debattafel als in de zaal werd uitsluitend Nederlands gesproken.

Dat doet het vermoeden rijzen dat er in Brussel niet alleen een institutioneel probleem is, maar dat er ook een muur in de hoofden van de cultuurmakers zelf zit. Ik kan me vergissen maar ik heb sterk de indruk dat die zelf allerminst geïnteresseerd zijn in de meertalige, multiculturele problematiek. Laat in dat verband Dito’Dito de uitzondering zijn die de regel bevestigt. De tweetalige voorstelling Ja ja maar nee nee werd zo uniek, ja zelfs exotisch bevonden dat ze meteen een selectie voor het (vorige) Theaterfestival opleverde. De aanpak van Dito’ Dito wordt interessant genoemd, maar veel navolging krijgt het gezelschap niet. Een verklaring daarvoor is wellicht dat ook in de culturele sector de multiculturaliteit nog altijd niet als een realiteit wordt beschouwd, als ‘een zegen en een vloek’, zoals Geert Van Istendael onlangs nog schreef. Multiculturaliteit is blijkbaar enkel goed genoeg om te belijden in een statement tegen het Vlaams Blok of desnoods als je olijven koopt op de zondagsmarkt aan het Zuidstation, maar in een theatrale context blijft de koudwatervrees groot, tenzij misschien in het enge hokje van het politieke theater. Er bestaat dus niet alleen geen Brussels theaterbeleid, maar ook geen Brussels theater (de genoemde uitzonderingen, en neem ook Bronks er nog maar bij, daargelaten).

Het ‘onmogelijke’ cultuurbeleid stimuleert dergelijke samenwerkingsverbanden niet, straft ze integendeel af, heet het. Dat lijkt meer een excuus dan een verklaring. Het klopt dat, zoals Dito’Dito in Monstertje Brussel zelf laat weten, ‘er geen beleid is dat de openheid naar andere gemeenschappen, het doorbreken van de eilandwerking aanmoedigt’. ‘Maar’, zo voegen ze er meteen aan toe, ‘tekenen van openheid vanuit de sector zijn ook maar van recente datum, en het is toch vanuit de sector dat het moet uitgaan, niet vanuit het beleid.’ En daar knijpt het schoentje. Een gebrek aan structuren kan geen voldoende argument zijn om artistieke wegen onbegaan te laten. Kunstencentra zelf zijn toch ook ontstaan uit een artistieke noodzaak. De institutionele structuur kwam er pas veel later. Niet dat we daar trots op moeten zijn maar zo werkt het politieke bestel nu eenmaal: eerst komt de maatschappelijke realiteit, pas dan de wetgevende omkadering. De gebrekkige overheid is een gemakkelijk slachtoffer om het eigen falen op af te wentelen. ‘Calimero-strategie’ noemt Luc Huyse dat afschuiven van de eigen verantwoordelijkheid, naar het pruilende tekenfilmkuikentje. De institutionele structuur van Brussel maakt een coherent cultuurbeleid allerminst evident, maar van de hoofdstedelijke theatermakers mag iets meer verwacht worden dan dat ze dat, huilend in een hoekje, vaststellen. Het is vooralsnog wachten op meer kunstenaars met voldoende lef en interesse in hun stad om de overheid te dwingen structuren te bouwen waarin die hoofdstedelijke inspiratie kan gekanaliseerd worden.

 

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#70

15.12.1999

14.03.2000

Bart Eeckhout

artikel