‘Monolog’ © Bert Nienhuis

Leestijd 7 — 10 minuten

Monolog

Maatschappij Discordia

De titel van het stuk, Monolog, verwijst naar de theatermonoloog als dramaturgisch thema. De monoloog is volgens de theatertraditie een moment waarop het personage (meestal) alleen op de scène staat en spreekt tegen niemand in het bijzonder. Zo’n moment beschrijft een louter innerlijk proces: de monoloog bevat de gedachten van het personage, die vorm krijgen in een stroom van luidop uitgesproken woorden. Omdat het theater ‘uitbeeldt’, moet ook het denken zelf op een concrete manier uitgebeeld worden. Wat er omgaat in het hoofd van het personage moet kenbaar gemaakt worden aanhet publiek. Mono-log is de uitvergroting van dit moment: de uit-vergroti ng van het denken zelf dat altijd en onvermijdelijk eenzaam is. Hoezeer je je eigen gedachten ook met anderen probeert te delen, toch zijn het je gedachten die je als mens ook letterlijk op jezelf werpen. De associatie met het woord ‘log’ geeft aan tot welke vorm van maniërisme het denken kan evolueren. Je kan jezelf immers zo verliezen in je gedachten dat je er letterl ijk log van wordt – passief, immobiel, niet meer in staat om in beweging te komen.

Volledig in overeenstemming met de manier waarop het denken zelf als proces functioneert – associatief en fragmentarisch maar in een onophoudelijke stroom – geven de toneelspelers van Maatschappij Discordia hun stuk ook vorm. Het aaneenrijgen van scènes, handelingen en motieven maakt van de voorstelling eerder een compositie dan een verhaal, en in die zin sluit het stuk perfect aan bij de reeks van montagevoorstellingen die het gezelschap de laatste jaren gemaakt heeft. Montage als structuur betekent dat een handeling niet noodzakelijkerwijs in een narratief verband staat met wat ervoor of erna gebeurt, maar zich als element van de voorstelling wel narratief verhoudt tot de ontwikkeling van het idee waarvan het stuk een uitdrukking is.

In Monolog spelen Annette Kouwenhoven. Jan Joris Lamers, Jom Heijdenrijk, Matthias de Koning en Miranda Prein. Het stuk begint met muziek van Steve Reich. Het scènebeeld is opvallend sober. Als ruimte is de scène centraal opgebouwd. Een houten vloer accentueert de speelruimte. Het achterste deel van die vloer verschilt in hoogte subtiel met de rest van het speelvlak. In het midden van de vloer liggen in de breedte zeven houten stokken van zo’n 3 a.4 meter lang – weer een subtiele verhoging van de vloer, maar een toevoeging die zich moeiteloos in het houten vlak integreert. Meer naar de zijkant staat een klein Chinees tafeltje, met daarop twee op elkaar gestapelde stoelen. Achteraan, waar de houten vloer eindigt, hangt in het midden, als een reusachtige, zwevende monoliet, een lang, verticaal vlak uit zwart papier. Naar links en naar rechts vanaf het zwarte vlak staan op een rechtelijn een reeks kleine objecten zoals aardewerken potten en kruiken, een houten kistje, houten bankjes en een zinken emmer. De vormgeving, waarin, met uitzondering van de twee ruimtescheppende assen vloer/ monoliet, ieder contrast eigenlijk meer een nuance is, biedt door haar ingetogen karakter een ruimtelijke vertaling voor het hermetische, mentale proces waarover het in deze voorstelling gaat.

Meteen aan het begin spreekt Annette Kouwenhoven het probleem concreet uit. ‘Zit je knel – of klem?’ vraagt ze, wanneer Jan Joris Lamers even niet uit zijn woorden komt. Even later draait ze, alsof ze haar vraag kracht wil bij zetten, het uiteinde van een lange tak vast in een gaatje dat haar in de speelvloer is opgevallen. De uitkomst knel of klem te komen zitten resoneert doorheen alles wat er verder in het stuk gebeurt, maar wordt steeds met een subtiel verschil verbeeld. Wanneer Jan Joris Lamers iets voorleest uit een boek, wordt hij bij haast elk woord onderbroken: elk woord van hem doet bij een ander in een onbedwingbare impuls een gedachte ontstaan. Het duurt dan ook erg lang voor Lamers alles gelezen heeft. De tekst zelf is ondertussen woord per woord zodanig onder de loep genomen dat de betekenis van het geheel bijna vervliegt. ‘Theater is een inrichting voor de publieke verwerking van complexen’, blijkt Lamers voorgelezen te hebben – een citaat van Carl Jung. Jorn Heijdenrijk loopt tijdens het voorlezen de scène steeds af en weer op. Telkens hij terugkeert vraagt hij of het voorbij is hij weet wat er gelezen wordt en wil het eigenlijk niet horen. Wanneer Miranda Prein een herinnering wil vertellen die ze inluidt met de vraag: ‘Weetje wat mijn moeder altijd zei?’, stuiven de anderen verschrikt weg, uit afkeer voor de boutade die zo’n herinnering uit het verleden geworden is.

Door de voortdurende afwisseling van motieven die subtiel van elkaar verschillen maar het denken als thema toch hermetisch blijven benaderen, krijgt het stuk een serieel karakter. De lichte variaties op hetzelfde thema lijken sterk op de subtiele verschuivingen in het ritme van de mu ziek van Steve Reich, Different Trains III, waarmee de voorstelling begon. Vormelijk verbeeldt Discordia het denken als een stroom: oneindig en zonder dimensie, zoals ook Lamers het in de voorstelling zelf uitdrukt, met lichte veranderingen die dimensie suggereren, maar niet installeren. Wat zo’n vorm eindeloos maakt lijkt echter voortdu rend opnieuw te ontstaan, door de vorm zelf teweeggebracht en in stand gehouden. Vastzitten in je denken, je gedachten steeds opnieuw overlopen op zoek naar een uitweg, creëert geestelijk en fysiek immers een gevoel van leegte, dat vreemd genoeg aan je gedachten zelf meer en meer vrij spel geeft.

Maar wat is het dat ons doet denken – waar komen die gedachten vandaan? Het feit dat we ku nnen denken heeft ons doen ontwikkelen tot mens en heeft onze manier van samenleven ontwikkeld tot een cultuur. Maar het ontstekingsmechanisme van het denken en de reden voor die ontwikkeling zullen ons altijd verborgen blijven. Om dat mysterie toonbaar te maken hangt er tijdens Monolog achteraan die reusachtige zwarte monoliet, die doet denken aan de monoliet uit de film 2001: A Space Odyssey van Stanley Kubrick. De monoliet, die bij Kubrick verschijnt op momenten dat er zich een geestelijke evolutie voordoet, is bij Discordia de hele tijd aanwezig, alsof ook de evolutie knel zit. De magische monoliet slorpt de redenen dat we denken letterlijk op: er is nergens in het stuk een concrete reden waarom iets gebeurt. Datje in je gedachten vast komt te zitten wijst op een paradox waar je als mens voortdurend mee geconfronteerd wordt: datgene watje het meest mens maakt – het feit dat je kan denken – is ook datgene wat j e het meest ‘onmenselijk’ kan doen voelen.

De oplossing of de catharsis hiervoor, zo tonen ons de toneelspelers van Maatschappij Discordia, ligt in het feit dat we, ondanks het alleen zijn, toch ook steeds weer groepsdier worden. Niet om iedere gedachte te kunnen delen, maar om de gedachte zelf, als verlengde van onszelf, te laten bestaan en daar bij de ander steun of troost voor te vinden. Zo bijvoorbeeld wanneer Matthias de Koning al een tijd stilstaat en aan Jorn Heijdenrijk vraagt hem een zetje te geven: een geringe aanraking is al genoeg om vlot en natuurlijk weer verder tekunnen lopen. Of in het eindspel van Heijdenrijk, die op de muziek Einstein on the Beach van Philip Glass, wanhopig op zoek naar zijn broek, allerlei andere kledingstukken over elkaar aantrekt en bij ieder kledingstuk meent zijn broek gevonden te hebben. In dezelfde beweging raapt hij de houten stokken een voor een op en hijst ze omhoog in zijn armen, ook al valt hij daarbij haast over zijn voeten die verstropt zitten in de massa kledingstukken. Wanneer alle stokken rechtop staan, hij geen kant meer op kan en beseft dat hij vast zit, roept hij om hulp bij de anderen, die zich ondertussen verstopt hebben achter het zwarte papieren vlak. Wanneer hij het tenslotte uitschreeuwt van woede omdat niemand hem helpt, klinkt als een deus ex machina de stem van Jan Joris Lamers van achter het doek: ‘Jorn,… je kan ze toch gewoon neerleggen’ – wat hij dan ook in een vloeiende beweging doet. Daar verschijnt dan die ene, troostende gedachte, die ons bestaan weer draaglijk en zinvol maakt: we hebben de ander nodig om uit onszelf te treden. We hebben de buitenwereld nodig om uiterlijk te worden.

Gezien in de Kaaistudio’s op 19 februari.

www.discordia.nl

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#125

01.06.2011

31.08.2011

Esther Severi

Esther Severi werkt als dramaturge in het Kaaitheater, en is docente aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!