(c) Kurt Van der Elst

Leestijd 4 — 7 minuten

Moby Dick, at last Queequeg speaks – LOD/Gorges Ocloo

Nogal wat theater probeert vandaag uitdrukkelijk de tijd te vangen door repertoire te overplakken met een makkelijke vorm van actualisatie, denk ‘Kassandra met vlechtjes = Greta Thunberg.’ Regisseur Gorges Ocloo kiest een andere strategie. Hij laveert zijn bewerking van de klassieker Moby Dick radicaal weg van het reële, voluit koersend richting magie. Moby Dick, at last Queequeg speaks is een exuberante opera die alle grote thema’s van de tijd bundelt in de schijnbaar onschuldige gedaante van een sprookje.

Dat Ocloo niet terugschrikt voor een uitdaging wisten we al – getuige alleen al de manier waarop de relatief jonge maker (°1988) op enkele jaren tijd furore maakte als speler en regisseur en sinds 2019 ook als co-artistiek leider van het Mechelse theaterhuis Beeldsmederij DE MAAN. Maar dat hij het zomaar aandurfde om de veelvuldig bekroonde dichter en romancier Ben Okri  aan te spreken, is toch straf. Ocloo vroeg Okri om aan de slag te gaan met de beroemde roman van Herman Melville (1851) over de bezeten jacht van kapitein Achab op de mythische witte walvis Moby Dick, die hem zijn been ontnam. In die roman figureert ook het zwijgende personage Queequeg, een harpoenier en prins van een kannibalenstam. Ocloo wilde een opera maken waarin de witte Achab en de ‘wilde’ Queequeg met elkaar in gesprek zouden gaan. Okri stemde toe en leverde een tekst, door Ocloo zelf nog bewerkt tot een libretto. LOD-componist Dominique Pauwels leverde de compositie voor de zanglijnen, gitarist Toon Callier zorgde voor de rest van de soundscape.

Kindlijk theater

Gedurende de eerste tien minuten gebeurt er iets vreemds met mijn kijken. De opstelling is klassiek: op de schemerig verlichte bühne zien we de contouren van de ribbenkast van een walvis, met daarin de twee protagonisten: links sopraan Nobulumko Mngxekeza-Nziramasanga die Queequeg vertolkt, rechts acteur Josse de Pauw als Achab, in kapiteinskostuum, uitgeput achteroverleunend tegen een vleeskleurige homp polyester – de vloer is ermee bezaaid. Callier, achteraan verscholen, laat zijn electrische gitaar klagen als een walvis. Mngxekeza-Nziramasanga neuriet zachtjes, De Pauw slaat de ingebeelde vliegen van zich af. Zie u het voor u? De hele scenografie (Giovanni Vanhoenacker) is op een vreemde manier half-realistisch: dat kapiteinskostuum, dat vleeskleurige polyester, de halve boot die uitsteekt achter de spelers, de bijbel die op de romp is gespijkerd. Dan gaat De Pauw ook nog eens mimen: hij sleurt met een ingebeelde kist, maakt die open, haalt er iets (zijn goud?) uit. Ik krijg er niet goed vat op: ofwel is dit vreselijk ouderwets toneel, ofwel is het iets helemaal anders.

Pas bij het verder kijken begint het me te dagen: ik moet deze setting niet zo serieus nemen, dit is geen ingeleefd spelen, maar een ambachtelijk poppenspel, in de geest van het magisch (of: gemystificeerd) realisme zoals Ocloo dat ook al hanteerde in zijn kindervoorstelling Anansi – spel en setting hebben doelbewust iets kindlijks, iets ingénu. Het feit dat Queequeg een kinderknuffel met zich meedraagt versterkt die indruk: we kijken naar een sprookje met – zoals bij vele fabels – een gruwelijk ernstige ondertoon. Eens ik op deze manier naar Moby Dick kan kijken verdwijnt  mijn onbehagen, meer nog: plots wordt alles mogelijk en aannemelijk. En dat is maar goed ook, want er zal in deze Moby Dick behoorlijk wat on-klassieks gebeuren, of zoals ik Ocloo achteraf hoor zeggen: “Eén klein wereldje vind ik nogal saai”. Wat een opera heet te zijn breekt regelmatig muzikaal uit zijn kaders, waarbij de lyrische zanglijnen onderbroken worden door scheurende gitaren, Afrikaanse ritmes, jazzy uithalen en persiflages van Verdi tot John Lennon. Om nog maar te zwijgen van het over the top decor, dat zoals in een goochelshow vol zit met kleine grapjes en verrassingen. We kijken het volgende anderhalf uur onze ogen uit, als kinderen. 

De dick in Moby Dick

John Lennon, juist, nog zo eentje die zich Jezus waande, net als kapitein Achab. Want hoezeer deze zich ook omringt met bijbelverzen en zijn ‘apostelen’ – zijn bemanning -, hij kan niet verhullen dat het zijn ambitie is om zelf god te zijn, om de machtigste te zijn op aarde, om te heersen. Achab staat daarmee voor de hoogmoed van de koloniale witte man/mens, die dronken van ijdelheid jaagt op al wat hem durft uit te dagen: de onkenbaarheid van de (zwarte) ander, de grootsheid van de natuur zelf, het fantoom van de witte walvis – al wat hij niet kent, niet begrijpt en bijgevolg vreest. Ahab brult en bralt, verblind door (machts)wellust, gedreven door een ambitieus verlangen naar groei, niet beseffend dat zijn tijd van gaan al lang gekomen is.

Het mooie aan de bewerking van Okri en Ocloo is dat deze karakterschets van Achab niet uitmondt in een pamflet rond het westerse neoliberalisme, de dekolonisatie en scheve man-vrouwverhoudingen (dat zou die gekunstelde vorm van actualisatie zijn) maar dat dit alles als vanzelfsprekend vervat zit in de prachtige verhouding tussen Achab en Queequeg, in hun zingend spreken. Dat Queequeg in deze versie een vrouw is, een zwarte vrouw, is uiteraard cruciaal. Zij is een onschuldig maar wereldwijs kind, dat rond hem heen cirkelt en hem hoofdschuddend bevraagt. “Do you think it makes you big to hunt a big thing?” klinkt het ironisch, onverholen refererend aan de seksuele drive die onlosmakelijk vasthangt aan mannelijke ambitie – want de dick in Moby Dick staat er niet toevallig, er kan er maar eentje de grootste hebben. Tegenover Achabs waanzin probeert ze de rede te stellen: ze ondervraagt hem over zijn motieven, ze houdt hem voor dat de strijd onzinnig is, vanuit een curieus soort mededogen dat haar bij momenten vanuit de positie van ‘kind’ optilt tot moeder, op wiens knieën de oude Achab troost zoekt. 

Dat is een verfrissende insteek: weinig voorstellingen die vandaag afrekenen met de witte man slagen erin om buiten het discours van polarisatie, wraak en vernedering te blijven – Ocloo legt hier voor zijn witte man (met Josse de Pauw als iconisch typevoorbeeld!) een onverwacht mededogen aan de dag. Niet zijn slechtheid, maar zijn tragiek krijgen we te zien: hij is al tandeloos maar wil toch nog grommen, hij zit al in de buik van de walvis maar denkt toch nog zijn prooi voor zich te zien. Ocharme. Hoe stoppen we de vaart van dit schip, dat rechtstreeks de vernietiging van de aarde tegemoet vaart? Niet door de gekke kapitein te doden, maar door hem definitief zijn tanden te ontnemen, en zich vervolgens liefdevol over zijn verwarde geest te ontfermen, met een slaapliedje. Van dit losgeslagen sprookje, waarin ernst en scherts, wreedheid en mildheid om de bovenhand vechten (ook muzikaal), blijft uiteindelijk een sterk beeld van verzoening hangen: twee mensen, wit en zwart, samen zingend in het voorgeborgte van de dood.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#164

01.06.2021

31.08.2021

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

recensie

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!