‘Mijnzoetje Junior’ (‘t Gebroed) – foto Herman Selleslags

Dirk Verstockt

Leestijd 3 — 6 minuten

Mijnzoetje junior.

‘t Gebroed, Antwerpen

‘t Gebroed is de naam van een nieuw gezelschap, opgericht door een aantal jonge acteurs, waaronder afgestudeerden van de Studio Herman Teirlinck te Antwerpen. Deze acht toneelspelers gingen in de clinch met een tekst van Pjeeroo Roobjee : Mijnzoetje Junior.

En met deze tekst begint de miserie, want voor de duidelijkheid : jammer voor de investering in tijd, energie en geld. Roobjee, vertaler van o.a. Le Saperleau, schrijver van o.a. Het offer is te kort en Wolfsklem (beiden gemonteerd met en door Jan Decleir), overtreft zichzelf in deze eindeloze woordendiarree, gelardeerd met resten Sapeurloots en heel veel melige woordgrapjes. Hij hanteert de goedkoopste humor, herhaalt eindeloos, verbaast zich over tal van synoniemen en laat de ‘plot’ ontwikkelen met de snelheid van het openbaar vervoer. Hij draagt een structuur aan die ooit eens naast een structuur heeft gelegen.

Jan Decleir voerde de regie van dit stuk en wetende dat Decleir en Roobjee al eerder prettig samenwerkten, bestond dus de mogelijkheid dat er van inhoudelijke kritiek op deze misgeboorte geen sprake zou zijn. Wat gebeurde : overdadig, overbodig en van een verregaande onnozelheid. En hier zijn we bij de acteurs : in hoeverre zijn zij zich bewust van de begrippen intelligentie en humor, wanneer zij aan de slag willen gaan met een tekst die een belediging is voor intelligentie en humor ? Wat heeft men hen dan onderwezen in diverse toneelscholen ?

Moet ik het hebben over het verhaaltje van deze karikatuur van een karikatuur van een persiflage van een farce ? Welaan dan. Mijnzoetje, pooier, en zijn vrouw, Nectarine, vinden het elk om hun redenen absoluut niet zo geslaagd dat hun zoon, Romeo, het plan heeft opgevat om acteur te worden. Na een half uur over en weer geschreeuw tussen ouders onderling en Romeo, af en toe onderbroken door Matinique, de dienstmeid (uitgedost als het bana-nenmeisje van Chiquita !), besluit de dappere acteur in spe de wereld in te trekken om zijn droom waar te maken. De ouders blijven geschokt achter en krijgen het bezoek van een acteur en een actrice van het Théâtre Impérial, een negenhonderd-sterangs gezelschap, wiens steracteur door een ongeluk (zijn lui gespleten) niet kan spelen. Als vervanger van deze acteur willen ze Romeo. Vader Mijnzoetje wil hen wandelen sturen, maar na het consumeren van een behoorlijke hoeveelheid alcohol en beloftes over handenvol geld draait hij bij. Hij kan hen echter alleen maar zeggen dat Romeo vertrokken is. Onverrichterzake keren beiden terug naar hun theater waar men met een wachtend publiek zit. Eén van de actrices kan de regisseur, een sapeurloots pratende zonderling, overhalen om toch ‘de coureur van Meulebeke’ te mogen doen. Gedurende twintig minuten krijgen we een poppenkast onder de rokken van de actrice te zien en we kunnen weer verder. Onvrede tussen de spelers, discussie tot Romeo dan toch arriveert. Ondanks het feit dat hij het stuk niet kent en nog nooit gespeeld heeft, wordt hij geïntroduceerd en op de hoogte gebracht van zijn rol. Hij wordt verliefd op de steractrice Hymena (voelt u hem ?) en duikt met haar letterlijk de koffer in. Pauze. Dan komt het stuk in het stuk, bijgewoond door de ouders van Romeo en de schrijver van de draak. Door Romeo’s toedoen loopt dit uiteraard in het honderd, Hymena en Romeo vallen in eikaars armen en Doek.

In een goor afkooksel van absurde humor en geestigheid (Mijnzoetje : ‘Als ik dat toesta dan mag het huis instorten’. Het huis stort toch wel niet in, zeker.) wordt dit over de toeschouwer uitgegoten, tergend traag en oeverloos vervelend. Vol overgave, dat wel, maar volledig gratuit : er is geen enkele betrokkenheid van de acteurs bij wat zij aan het doen zijn, geen reden waarom zij daar staan. Geen glimp spitsvondigheid, geen flits originaliteit, wel een massa overdrijving en pseudo-uitbundigheid, hol geschreeuw en zinloos gebrul, eenduidige personages en een schaamteloos naar het publiek toe spelen. Waar bleef de regisseur ? Hij had in de tekst kunnen hakken, hij had de spelers enige zin voor ritme kunnen meegeven, enige zin voor nuance, ook al zijn de personages kartonnen stripfiguren. (De enige die hieraan ontsnapt is Nectarine, gespeeld door Karlijn Sileghem. Zij slaagt erin, en alleen in het eerste deel, de moeder een zweem van menselijkheid te geven in haar keuze tussen echtgenoot en kind. Zij weet haar clichés te hanteren.) Een regisseur, tenminste hij kiest voor de titel, is hier niet aan het werk geweest. Hij had vooral de acteurs tegen zichzelf én tegen deze tekst moeten beschermen. Hij heeft het niet gedaan.

Het toestaan van zoveel flauwiteiten in dit klad van wat mogelijk een farce zou kunnen worden dwingt mij tot schaamte. Schaamte om de verspilling, schaamte om de gemiste kansen en schaamte om het stigma dat deze cast misschien zal opgeplakt worden. Mijn hoop is dat zij in andere produkties aan de slag kunnen gaan waar intelligentie en humor wel gerespecteerd worden en waar ‘talent’ niet misbruikt wordt.

Gezelschap : ‘t Gebroed;

tekst : Pjeroo Roobjee;

regie : Jan Decleir;

spelers : Stany Crets, Ineke Geerts, Walter Michiels, Marcel Royaards, Ann Pira, Karlijn Sileghem, Joris Van Dael;

decor : ‘t Gebroed;

licht: Kris Eelen.

Gezien in CC Westrand Dilbeek, 2 november 1989.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

Dirk Verstockt

recensie