Verhuizing, najaar 2011 © Jef Boes

Leestijd 12 — 15 minuten

In het midden aan de rand

Over het Rabot-project van Simon Allemeersch

Simon Allemeersch betrok een tijdlang een atelier – eerste betekenis: ‘constructie- en herstelwerkplaats’ – in één van de drie afgeschreven Rabot-torens in Gent. Het was niet alleen een plek voor hemzelf en enkele andere kunstenaars, maar ook een onderkomen voor ontmoeting en samenspraak met de bewoners. ‘Het begon helemaal niet als een project,’ schrijft Wouter Hillaert. ‘Het begon als een aanwezigheid.’ Gaandeweg werd het een experimenteel onderzoek in de kunsten. Allemeersch: ‘Vaak is het probleem van zulke experimenten de totale vrijblijvendheid ervan, maar die was in deze context als vanzelf afwezig. Het voelde juist alsof er terug een relevantie werd gegeven aan wat je als kunstenaar doet.’ In januari mondt het project uit in een documentaire en een boek.

Beeld je de werkelijkheid van een stad even in als één grote uitgekieperde lappenmand. Als een los patchwork van ontelbaar vele grote en kleine weefsels. Allemaal zijn ze strak en stevig in het midden, rafelig aan de rand. Ze raken elkaar aan die uiteinden, kruipen er in fijne lagen over elkaar. Hier en daar zijn ze vergroeid, elders blijven ze vloeken. Een patroon is er niet. Vooral toeval regeert.

Het kunstenveld is zo’n weefsel. Of het stadscentrum, overlopend in de buitenwijken. Er zijn de sociale weefsels en de economische weefsels. De legaliteit en de illegaliteit. Allemaal zijn die weefsels met elkaar verknoopt tot een levendig lappendeken. Zo wordt elke stad een ‘textiel’stad. Er wordt voortdurend in geknipt en voortdurend weer in genaaid. Stadsvernieuwing heet dat. Geschiedenis is het verhaal van de naden die resten.

Juist die randen maken het interessant. In de stoffenkunde noemt men ze ‘de zelfkant’: de natuurlijke rand van een lap geweven stof, ‘waar de inslagdraden van richting veranderen’. De zelfkant ziet er anders uit, en vaak minder aantrekkelijk. Hij staat dwars op de rest, functioneert volgens andere principes. Hoe we met die rafelranden, met die stedelijke marges omgaan, zegt alles over het centrale weefsel.

Herstelwerkplaats Rabot

Het Rabot-project van Simon Allemeersch begon helemaal niet als een project. Het begon als een aanwezigheid. Als een heel eenvoudig antwoord op een vraag van Wannes Degelin van Samenlevingsopbouw. Omdat, amper veertig jaar na hun opbouw, de blokken weer zouden worden afgebroken. Omdat, toen dat gerucht een bericht was geworden, over het gebouw een finale vermoeienis was neergedaald. In het rasterwerk van blok 1 gingen ’s avonds steeds minder lichten branden. Langzaam maar snel veranderde de eerste Rabot-toren in een donker geraamte zonder vlees, ten offer aan samenlevingsafbraak. Of Simon Allemeersch, als artiest, niets kon komen doen tegen de angst voor een onbewoonde woontoren?

‘Ik heb toen gekozen om in blok 1 mijn persoonlijke atelier in te richten. Een plan had ik niet, ik zou er gewoon mijn eigen ding doen.’ Een brief naar huisvestingsmaatschappij WoninGent werd eerst beantwoord met een resolute weigering, maar aandringen hielp. Uiteindelijk kwam er een appartement vrij op de benedenverdieping van blok 1. De betekenis van die fysieke ruimte voor het vervolg van dit project kan nauwelijks onderschat worden. Geldt het atelier in de huidige kunstenpraktijk als de kernreactor van de hoogstpersoonlijke individualiteit van de kunstenaar, als de sacrale Wunderkammer van zijn authentieke inspiratie, Allemeersch koos er algauw voor om zijn atelier simpelweg te delen. Het ‘apparte-ment’ werd een clubhuis, een plek voor collectief en coöperatief gebruik. Sofie Van der Linden werd uitgenodigd om de Rabot-torens te hertekenen. Jef Boes en Maarten De Vrieze sloten aan als fotograaf: de ene met een oog voor levende mensen, de andere met een oog voor schijnbaar levenloze situaties. En Eline Maeyens, journaliste, zou bij zoveel visuele daden het woord voegen. Noem het een samenscholing, en wel zonder eindtermen. In dit atelier – eerste betekenis: ‘constructie- en herstelwerkplaats’ – kon alles ontstaan. Om- dat het samen kon.

Niet alleen met kunstenaars, overigens. Ook met bewoners. Het kunstenaarsatelier werd openbaar gesteld tot een gedeelde plek, tot een onderkomen voor ontmoeting en samenspraak. In de drie Rabot-torens is het op dat vlak makkelijk concurreren. Buiten de inkomhal en de gangen is er bij hun ontwerp nooit enige gemeenschappelijke ruimte voorzien, op het mortuarium in blok 2 na. Het clubhuis op het gelijkvloers plooide zich open tot een stek van leven, elke maandag op uitnodiging van Samenlevingsopbouw. De rafelrand werd een tafelrand. Koffie, eten, gezelschap: zo simpel kan het zijn. Omdat wat daar eigenlijk mee gedeeld wordt, zo complex is: vertrouwen, verbinding, verhalen. Uit die ingrediënten groeide vanzelf, als in een slow kitchen, een artistiek plan: het documenteren van de eindige historie van een ‘randweefsel’ dat door de buitenwereld altijd is bekeken als een rottende zelfkant.

Middenin de geschiedenis

Zo visueel berucht de Rabot-torens zijn, zo weinig is erover geweten. Rond ‘de blokken’ hangt in Gent een hoge spektakelverwachting, een honger naar straffe verhalen, die ook gretig worden opgepikt door de pers. ‘Die slechte reputatie heeft de in- en uitstroom bijzonder zwaar beïnvloed’, aldus Simon Allemeersch. ‘Mensen die nog de keuze hadden trokken weg, terwijl hun opvolgers zelden andere opties hadden. Wat je dan krijgt, is een vicieuze cirkel. Niet de mensen die hier wonen zijn het probleem. Wel hoe ze worden gedwongen om samen te leven binnen deze architectuur. Die vorm is trouwens een puur conjunctureel verhaal. De eerste blok werd in 1972 nog gebouwd tijdens een hoogconjunctuur, maar toen brak twee jaar later de oliecrisis uit en is op de twee andere blokken zwaar bespaard. De ideologie van hoogbouw waarmee ze zijn neergepoot, was al op sterven na dood nog voor ze af waren. En nooit heeft iemand geïnvesteerd in een gedeelde beeldvorming.’

De bewoners koesteren wel hun trots, maar voelen zich onteigend uit het verhaal over hun eigen thuis. Ook zelf weten ze maar half wat er speelt, bijvoorbeeld rond de afbraakplannen. ‘Toen ik een vrouw vroeg hoe ze met de situatie omging, was haar reactie: “We worden goed verzorgd”. Daarop toonde ze alle brieven die ze van WoninGent had gekregen: stuk voor stuk ongeopend. Het volstond voor haar dat ze haar naam en het logo herkende, maar eigenlijk wist ze niets, laat staan waarom de blokken zouden verdwijnen. Dat gebrek aan tekst merk je hier heel vaak. De hele situatie is ook zo complex dat je ze niet uitgelegd krijgt aan iemand met een heel andere taligheid, die soms niet kan schrijven.’

Die poging tot reconstructie van dat globale verhaal, van opbouw tot afbraak, is nu net wat het Rabot-project heeft beoogd. Waarom zien de Rabot-torens eruit zoals ze eruit zien? Waarom werden de eerste bewoners in de jaren zeventig ‘dikke nekken’ genoemd, binnen een wijk die 200 jaar geleden door liberale fabriekseigenaars werd opgebouwd om slechts één generatie mee te gaan? ‘Je kan zo’n stedelijke beweging laten documenteren door een historicus, maar doe het met mensen die hier wonen, en je gaat alles zo grondig documenteren dat je ook de fictie vastlegt. Als artiest ben je niet gebonden aan de waarheid. Ook leugens en opschepperij worden materiaal.’ Het is het soort materiaal waar ook tv-makers op verlekkerd zijn, voor maffe of straffe reportages waarbij de camera maar wat graag inzoomt op alle exotica. Wat hier op het Rabot is betracht, is veeleer uitzoomen, context toevoegen, de krassen verkiezen boven het plaatje. ‘Je onderzoekt hoe verschillende talen en ideologieën binnen een samenleving clashen, en hoe daar nog steeds ongelofelijk veel naast valt. Dat geef je een stem, een weerklank. Het is een heel kleine komma plaatsen bij het officiële verhaal. Een superlokale momentopname, zeg maar. Eigen- lijk ga je middenin de geschiedenis staan.’

Die reconstructie gebeurde in directe coproductie met de bewoners. Als een vorm van ‘ont-onteigening’, zeg maar. Als een herontwikkeling van de beeldvorming, van het ‘zelf’ van de zelfkant, op basis van ieders eerstehands informatie over minimale onderdelen. Zo ging Allemeersch met de camera terug naar de aula in de hogeschool naast de Rabot-torens, waar ooit officieel meegedeeld werd dat de blokken gesloopt zouden worden. Net in dat decor graaft één bewoner terug in zijn herinnering. Achteraf kan hij de montage mee bekijken en beoordelen. Hij controleert het verhaal over de buurt, neemt verantwoordelijkheid voor wat er naar buiten gaat. ‘Het creëren doen wij, als artiesten, maar het zijn de bewoners die de middelen ter beschikking stellen’, aldus Allemeersch. ‘Zij zijn de experts die het materiaal machtigen, zij zetten een voice-over naar hun mond. Die hele onderhandeling is het fijnste deel van het werk. De truc is om zo radicaal mogelijk ‘samen te maken’, maar daar tegelijk niet naïef in te zijn. Het is geen toeval dat zij geen theatermaker of fotograaf zijn, en wij wel.’

Nieuwe artistieke talen

Op alle vlak is het Rabot-project een grensverkenning, een keuze voor de rand. Niet alleen in sociaal, ook in artistiek opzicht. Binnen het weefsel van de kunsten, waar artistieke autonomie nog steeds de norm uitmaakt waar- tegen elke waarde wordt afgewogen, leest de beweging van deze kunstenaars naar de zelfkant bijna automatisch als een verwijdering van de ware kunst. Heteronomie, of de ‘inbreuk’ van aanpalende velden, wordt in het centrum beschouwd als een toegift aan wezensvreemde doeleinden. Het kunstenveld heeft daar een vervaarlijk woordje voor: instrumentalisering. Het is de verzamelterm voor alles wat de kunst ‘die niets moet’ vooral niet mag: zich dienstbaar maken aan niet-artistieke noden.

Simon Allemeersch heeft daar een ander oog op. ‘Het klopt dat de kunst gewillig is om zich te laten reduceren tot een soort van kermisklant die de boel wat komt opleuken. Maar dat mag je niet tegenhouden om je status van kunstenaar af en toe eens flink te riskeren, en te zien wat je daarbij te winnen hebt. Neem je dat risico, dan verlies je veel, maar ook veel ballast. Het is niet enkel een opgave, maar ook een bevrijding om te werken in een omgeving waarin je status van kunstenaar niet positief bekeken wordt, of gewoon onbekend is. We moeten af van onze angst om niet als kunstenaar erkend te worden, of gecorrumpeerd te worden door andere doelen. Mocht ik ineens inzien dat wat ik hier doe, mij tot een soort journalist maakt, dan is dat maar zo. Daar ga ik niet wakker van liggen.’

Maar veeleer dan journalistiek lijkt het Rabot-project een experimenteel onderzoek in de kunsten geweest. Net zoals de Russische avant-garde ooit kracht en inspiratie haalde uit haar interesse voor de volkskunst, hebben Allemeersch, Boes, Devrieze, Maeyens en Van der Linden aan de zelfkant de draagwijdte en de resistentie van hun eigen artistieke taal getest. Hoe ver zouden ze raken met hun bekende middelen? Hoezeer werden die tegengesproken of onderuitgehaald? ‘Het voelde als één groot experimenteerlokaal’, blikt Allemeersch terug. ‘Vaak is het probleem van zulke experimenten de totale vrijblijvendheid ervan, maar die was in deze context als vanzelf afwezig. Het voelde juist alsof er terug een relevantie werd gegeven aan wat je als kunstenaar doet. En tegelijk relativeert zo’n totaal ander referentiekader onnoemelijk veel. Hier begin ik er zelfs niet aan om iemand te proberen uitleggen dat we ook op Het Theaterfestival staan. Dat maakt je resistenter.’

In die clash van totaal verschillende talen won Allemeersch vooral inzicht in de noodzaak van beeldend werken, in plaats van met tekst. ‘Informatie werkt hier anders dan enkel met woorden of tekstueel. En niet alleen omdat meerdere bewoners moeilijkheden hebben met lezen. De werkelijkheid is hier zo complex dat het goed is om doorsneden te kunnen nemen vanuit meerdere disciplines: foto, film, tekeningen, … Want de taal die je spreekt, wordt vanzelf een morele kwestie. Je esthetica is je moraliteit, en die wordt hier continu op de proef gesteld. Hoe abstract mogen je beelden worden, bijvoorbeeld? In sociaal kwetsbare contexten als deze de abstractie opzoeken, dat is nog steeds bijna taboe. Maar leg je de tekeningen van Sofie naast die van bewoners, en je krijgt net een heel spannende confrontatie. Of neem de krijtwerken van Bart Lodewijks: die zijn heel abstract, maar ook zo toegankelijk. Dat onderzoek is nog maar amper begonnen!’

Vrijheid zonder geld

Het hardnekkige geloof dat de artistieke autonomie op de grens met andere weefsels vanzelf het onderspit delft, werd precies aan deze rafelranden helemaal ontkracht. Bewust nestelde Allemeersch zich in het Rabot zonder de ruggensteun van enige artistieke organisatie, los van de magnetiserende legitimiteit van het centrum. Wel was er de ruil met Samenlevingsopbouw, plus de overeenkomst met WoninGent: niet-financiële machtigingen uit de sociale en de huisvestingssector, die hun artistieke residenten sobere materiële mogelijkheden en een context boden. Dat is niet veel, maar ook niet weinig. Zo is de steun van woningcorporaties in Nederland een vrij courante praktijk, maar in Vlaanderen blijft ze een unicum. Het faciliteerde de ‘kernuitstap’ van de artiesten die in de Rabot-torens een tijdelijk onderkomen vonden. Dat zij buiten de vaste structuren van de kunstensector gingen opereren, gaf hen juist méér vrijheid om, wars van enige tijdsdruk of enig vooropgesteld plan, te laten gebeuren wat er kon gebeuren, te doen wat ze moesten doen.

‘De vraag is dan ook niet waar je je geld vandaan haalt, maar wel waar je je autonomie vandaan haalt’, stelt Allemeersch. ‘Het meest preferabele model vind ik een mengvorm. De beste manier om je autonomie te bewaren, is afhangen van meerdere producenten, die elk op een ander moment in het productieproces hun rol spelen.’ Zo engageerden zich later ook Dienst Cultuurparticipatie van Stad Gent, Scheld’apen en Vooruit voor het project. ‘Producenten zijn nodig, alleen moeten ze voortkomen uit de ontwikkeling van het werk ter plekke, en niet andersom.’ Zo wil Allemeersch ook de faciliterende steun van een woning- maatschappij niet romantiseren. ‘Natuurlijk zijn daar valkuilen aan. Maar tegelijk is het een heel goeie oefening voor je relevantie om zo’n instantie toch met alle macht te overtuigen. Uiteindelijk haalt dit project zijn legitimiteit door wat het doet in de stad, niet door wie er geld in stopt. Hoe groter de relevantie van wat je doet op een goed moment, hoe groter je autonomie tegenover de instituten.’

Vanzelfsprekend zijn er aan die vrijheid niet alleen voordelen. Of toch niet in een omgeving waar alle evidenties van het veilige en genereuze artistieke centrum voortdurend op de helling komen te staan. Omdat er in je atelier meer dan één keer ingebroken wordt, en daarbij zelfs het koper en de stekkerdozen verdwijnen. Omdat er rond je werkplek verrassend openlijk drugs gedeald wordt. Omdat een van de mensen uit je club in ellendige omstandigheden de dood vindt. Allemeersch verhult niet dat hij met die grote menselijke impact geworsteld heeft. ‘Als je met een artistieke organisatie werkt, is er altijd een buffer. Die afstand heb ik hier nooit gevoeld. Omdat ik nog nooit zolang aan één project gewerkt heb, met alle mogelijke fases en strubbelingen, worden mensen op den duur niet langer je onderwerp, maar ontstaat er een soort vriendschap. Dat geeft een heel andere verstandhouding, die je veel krediet oplevert, maar die zich ook persoonlijk wreekt. Voor sommige ervaringen heb ik een half jaar nodig gehad om er überhaupt iets over te kunnen schrijven. Voortdurend word je geconfronteerd met het immense spanningsveld tussen je nood om effectief iets te veranderen en de complete hopeloosheid van de situatie. “Je hoofd rechtop houden”, zoals Coetzee schrijft in Dagboek van een slecht jaar, daar ging dit werk voor mij over.’

Andere inhouden

Wat die maandenlange grensverkenning dan heeft opgeleverd, qua nieuwe inzichten over het Rabot? Het hele project is meer gebleken dan een open artistiek gebaar, een documentaire, een vormexperiment. Het heeft, minstens voor Allemeersch zelf, nieuwe inhouden verschaft aan zeker drie grote thema’s. Zo is er ‘economie’. Officieel wordt naar de blokken gekeken als 3 x 200 flats vol economische passiviteit. Maar wie preciezer kijkt, detecteert aan deze zelfkant van ons economische weefsel heel eigen systemen. Zoals bij de vrouw die van haar oorlogsweduwenpensioen telkens eten koopt voor de hele maand, en er dagelijks drie meer behoevende bewoners mee helpt overleven. Ze schenkt het niet weg, ze ruilt: eten voor gezelschap. Of de man die witte blikken noodhulp met de vlag van de EU opspaart om er mensen mee te betalen. ‘Dat soort economieën zie je overal. Ze houden het samenleven in stand.’ Zelf betaalt Simon Allemeersch zijn informanten met Torekes, de alternatieve munt van het Rabot. Aan de zelfkant blijkt er ook leven mogelijk buiten de euro.

Ook ‘armoede’ is Allemeersch heel anders gaan begrijpen. ‘Dat gaat van mensen met een uitkering die hoger ligt dan mijn maandloon, tot mensen met immense schulden. Op welk kruispunt van verslaving en andere ellende hebben ze die opgebouwd? Veel heeft te maken met de mentale kant van armoede, met het zelfbeeld van mensen. Dat soort armoede beïnvloedt het leven van zovelen, maar blijkt toch in geen enkele statistiek te vatten. Er bestaat geen enkel apparaat voor, zelfs het Bruto Nationaal Geluk blijft gaten vertonen. Je kan enkel besluiten dat armoede een verschijnsel is dat we, om het te kunnen vatten, allemaal voortdurend moeten blijven herformuleren. Zo zei ooit een bewoner tegen mij: “Elke keer als ik hier kom, heb ik het gevoel dat ik slimmer word, door de woorden en de constructies die je gebruikt.” Hij wou me daar vijf euro voor betalen. Van bizarre economie gesproken.’

Het boek over het Rabot-project verbeeldt een schoolvoorbeeld van gentrificatie: een beweging die de sociaaleconomische verhoudingen tussen het Rabot en het Patershol in amper vier decennia totaal heeft omgekeerd, en die de drie woontorens – ooit de trotse belichaming van een socialistisch ideaal – heeft besmet met de perceptie van een ongeneeslijke ziekte. Wat zegt dat niet allemaal over stedelijkheid, en hoe we ermee moeten omgaan? ‘Gentrificatie wordt een uiterst belangrijke uitdaging voor de toekomst’, aldus nog Allemeersch. Voor de blokken op het Rabot is het evenwel te laat. Nog even staan ze recht, als beladen getuigen van een zelfkant met veel rijkere inhouden dan de geestesarmoede die er steevast op geprojecteerd wordt. Straks blijven enkel de verhalen over. En de beelden uit het boek. Beelden van de rand.

Anti-apartheid

Maar is dit wel echt de rand? Elke poging om dit gebeuren in de Rabot-torens te vangen in een metafoor, om er een sticker op te plakken, moet het afleggen tegen de complexiteit van het beeldende verslag ervan. Het is geen puur artistiek werk geweest, het valt niet strikt onder de noemer ‘sociaal-artistiek’, het is niet louter een documentaire of een geval van orale geschiedenis. Het maakt geen onderscheid tussen subjecten en objecten, er is geen veld waar het toe te reduceren valt. Laat staan dat het daarvan een randgeval zou zijn. Als dit project al iets is geweest, en het boek daarover iets toont, is het een tussenstaat: een gebaar dat nergens op vast te pinnen valt, omdat het zich genesteld heeft op het snijpunt van heel verschillende werkelijkheden en referentiekaders.

‘Wat me aan deze hele ervaring het meest heeft geraakt, is de ongelooflijke segregatie tussen mensen die in een situatie verzeild zijn geraakt zoals die in het Rabot, en de maatschappij daarrond. Hoe verschillende talen en manieren van leven en kijken carrément naast elkaar gehanteerd worden, en het niet de bedoeling is dat ze elkaar raken. Het is bijna apartheid. Je kan op één foto zowel een stuk van het Justitiepaleis als een stuk van de torens verenigen, maar die werelden liggen zo ver uiteen! We spreken niet eens dezelfde taal. Laat staan dat we over hetzelfde zouden kunnen babbelen.’

Simon Allemeersch, Jef Boes, Maarten De Vrieze, Eline Maeyens en Sofie Van der Linden zijn niet naar de zelfkant getrokken, ze hebben met hun atelier een midden gecreëerd. Een relais van transmissie tussen ‘binnen’ en ‘buiten’. Waar bewoners terug een beetje begrip konden winnen over hun eigen situatie en wat daarover elders beslist is. Waar KASK- studenten of cultuurorganisatoren omgekeerd een beetje begrip konden winnen over het heel eigen universum van de blokken. En waar al die mensen toevallig ook samen rond één tafel terecht konden komen, wat buiten dit atelier nooit zou gebeuren. Jan Denolf van kunstencentrum De Werf en Freddy van blok 3, die zijn eigen schrift ontwikkeld heeft: een wereld van verschil, waar een midden voor is bedacht.

‘Die plek creëren waar mensen uit heel andere milieus terug contact met elkaar krijgen, en tussen hen het verkeer regelen, dat is iets wat vooral een kunstenaar kan, omdat er van hem geaccepteerd wordt om de dingen naast elkaar te leggen. Niet om ze zonodig te verzoenen, maar om er een overzicht over te proberen krijgen. Dat is de heterotopie van het atelier: het doet dienst als een soort machine, een medium dat in twee richtingen kan communiceren, wat niemand anders nog echt lukt. Het organiseert een plek van verbondenheid, waar mensen dingen ervaren waar ze geen gemeenschappelijkheid mee hebben. Die verwijdering, die onwillekeurig met de spektakelmaatschappij samenhangt, probeer je even op te heffen. Door een vernieuwde bemiddeling, ook met artistieke middelen. Dat gaat van uitleggen hoe een montageprogramma werkt of hoe een boek gedrukt wordt, tot journalisten inzage proberen geven in de complexiteit van de werkelijkheid. Dat is “de club”, tegenover “het instituut”. En zo’n benadering maakt ongelooflijk veel mogelijk.’

In het patchwork dat de stad is, met al zijn bewegende weefsels en texturen, heeft het Rabot-project niet de zelfkant opgezocht, maar een centrale knoop gelegd.

Deze tekst is een licht gewijzigde voorpublicatie uit Rabot 4-358, een uitgave met steun van Dienst Cultuurparticipatie Stad Gent, Kunstenwerkplaats Scheld’apen en Kunstencentrum Vooruit. Redactie: Simon Allemeersch en Bart Capelle.

De documentaire gaat op 23 januari in première in Vooruit, het boek wordt op 24 januari voorgesteld op de nieuwjaarsreceptie Rabot (buurtcentrum Rabot, Jozef II-straat 104-106, Gent).

simonallemeersch.wordpress.com

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 12 — 15 minuten

#135

15.12.2013

14.03.2014

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is cultuurjournalist, dramaturg en docent aan het Conservatorium Antwerpen. Hij richtte cultuurtijdschrift rekto:verso en burgerbeweging Hart Boven Hard mee op.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!