‘Koniec’ (Groupov) – Foto Lou Hérion

Benoît Vreux

Leestijd 3 — 6 minuten

Mettre en scène aujourd’hui

Boekbespreking

Is regisseren een autobiografische of een interpretatieve kunst ? Het tijdschrift Alternatives Théâtrales benadert in zijn twee jongste nummers deze – al dikwijls gestelde -vraag op een originele manier.

Nummer 37, samengesteld door Georges Banu en gepubliceerd met de steun van het Parijse Odéon-Théâtre de l’Europe, heeft als titel Théâtre testamentaire, oeuvre ultime. Het heeft als uitgangspunt een biografische verschuiving van de stelling uit de jaren 60 en 70 dat het theater dood is. Voor sommige regisseurs, afkomstig uit die periode, zou het toneel zich aandienen als een testamentaire plek, een plaats van de laatste wil. Het theater van Kantor situeert zich in het hart van deze bedenking.

Nummer 38, samengesteld door Serge Saada en gepubliceerd met steun van het Maillon in Straatsburg laat negen regisseurs aan het woord, die hun doorbraak beleefd hebben tijdens de jaren 80. Een eerste bilan met contrastrijke persoonlijke routes waarbij de term zelf van mise-en-scène in vraag wordt gesteld.

Bij het lezen van die twee nummers valt op dat het hedendaags theater leeft van de spanningsrelatie tussen het tot stand komen van een persoonlijk traject en het verlangen naar een georganiseerde representatie van de wereld. In die zin is het theater van Kantor exemplarisch en is zijn Je ne reviendrai jamais ici een testamentaire produktie. Samengesteld uit scènes en personages afkomstig uit zijn vorige produkties, laat ze immers Kantor zelf zien. Niet langer als de ‘illegale’ aanwezigheid van de regisseur tussen zijn uitvoerders, maar als de ‘ontmoeting’ van de kunstenaar met zijn eigen ingebeelde wereld; niet als de confrontatie van een realiteit met een illusie maar als het toegeven van zijn eigen verdwijnen in het werk. Het toneel wordt daardoor de plek van de laatste repetitie, die in één handeling zowel een inventaris van de verworven ervaringen samenstelt als de mogelijke overbrengingswijzen ervan bepaalt voor de volgende generaties.

Al vindt het testamentaire theater vooral bij Kantor zijn meeste kundige toepassing, toch beperkt het zich niet tot Het theater van de dood. Wanneer Vitez, Strehler of Grüber Faust van Goethe aanpakken is een zelfde artistieke drang aan het werk: het op het spel zetten van de verdwijning van de regisseur. Daarbij is het misschien symptomatisch dat de twee eerstgenoemden er voor gekozen hebben zelf de titelrol te spelen en als acteur het testamentair handelen van de regisseur te bevestigen. Het lijkt des te geloofwaardiger omdat zelfs een Peter Brook verklaart argwaan te koesteren tegenover het “Faustcomplex van Goethe” en te vinden dat het geen legimiteit verschaft voor een mise-en-scène. Maar toch geeft hij een mogelijke analoge benadering toe met zijn jongste regies van De Kersentuin, De Storm en op dit ogenblik De Toverfluit. Alsof Tsjechov, Shakespeare en Mozart, door het creëren van wat achteraf hun laatste werk zou zijn, aanvaardden uiteindelijk nog slechts met zichzelf geconfronteerd te worden.

Het testamentair theater valt niet altijd samen met het ultieme oeuvre: denken we maar aan het Leven van Galilei, de dialectische versie van Faust door Brecht, of De Droom van Strindberg. Jean-Marie Piemme herinnert er in zijn artikel terecht aan dat de testamentaire waarde van een kunstwerk niet noodzakelijk direct leesbaar is en in dat geval zelf moet achterhaald worden. Ook Barba besluit in zijn artikel: “We moeten de rol van de geschiedenis er bij betrekken, want de geschiedenis zelf kent zich geen rol toe”.

Dit dik nummer bevat eveneens artikels over Pasquall, Bergman, Chéreau, Tabori, Muller, Lasalle, Lorca en Bernhard. Het besluit met een kroniek van Monique Durie gewijd aan L’Ecole des Maîtres. Een colloquium dat in september van vorig jaar plaats vond in het Atelier Sainte Anne en het Théâtre National en dat via getuigenissen van Grotowski, Ronconi, Vassiliev, Delcuvellerie en Lasalle een biografische benadering probeerde tot stand te brengen van de kunst van het acteursonderwijs.

In het nummer 38 vinden we Jacques Delcuvellerie terug in gezelschap van Chantal Morel, Robert Cantarella, Joël Jouanneau, Isabelle Pousseur, François Tanguy, Christian Schiaretti, François Rancillac en Eric Da Silva. Hier vinden we geen globaal kritisch onderzoek terug dat een dominerende stroming bij deze nieuwe generatie zou willen vastleggen. Verzameld onder de titel ‘Mettre en scène aujourd’hui” is een heterogeen geheel van teksten, notities, tekeningen, brieven of gedichten afkomstig van de kunstenaars zelf of van hun naaste artistieke medewerkers. Deze diversiteit zou kunnen bewijzen dat achter het uiteenspatten van de voorstellingsvormen en de mengeling van invloeden (van Kantor – nog eens hij – tot en met Claude Régy), er een zekere verwarring heerst over de functie van de mise-en- scène, zodat ook hier opnieuw de beginvraag kan gesteld worden: wat is theater ?

Alternatives Théâtrales 37

Théâtre testamentaire, oeuvre ultime

Alternatives Théâtrales 38 Mettre en scène aujourd’hui I

Alternatives Théâtrales 13,

Rue des Poisonniers bte 15

1000 Bruxelles

02/511.78.58

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

Benoît Vreux

artikel