Marc Reynebeau

Leestijd 10 — 13 minuten

Met twee woorden spreken

De Culturele Ambassadeurs van de Vlaamse Gemeenschap

Wiens brood men eet diens woord men spreekt, moet minister-president Luc Van den Brande gedacht hebben. Een aantal Vlaamse kunstenaars gaf hij de eretitel van Culturele Ambassadeur, maar ze moeten er wel wat voor doen. Een laakbare praktijk, vindt Marc Reynebeau.

Het begon allemaal heel onschuldig en naar Vlaamse normen zelfs heel klassiek: een culturele
organisatie gaat bij de minister aankloppen om centen te vragen voor een nieuw initiatief. De bewindsman zag daar wel wat in, maar hij wist ook dat het bestaande cultuurbudget nooit zou volstaan om dat nieuwe initiatief te financieren. Daarom zocht hij een verpakking voor het geld en creëerde dus een nieuw begrotingsartikel, waarvan ook andere culturele organisaties gebruik zouden kunnen maken.

Zo ontstond in 1992 de idee van de Culturele Ambassadeurs, waarvoor in het begrotingsjaar 1993 een bedrag van 160 miljoen frank werd ingeschreven. De vraag om extra overheidsgeld kwam van I Fiamminghi, dat met zijn aanwezigheid op de Vlaamse dag van de Wereldtentoonstelling in Sevilla het hart had gestolen van Luc Van den Brande, voorzitter van de Vlaamse executieve (of moet ik zeggen: minister-president van de Vlaamse regering?). De voorzitter wou dus wel wat doen voor I Fiamminghi, maar wat het orkest nodig had, becijferde zich in een bedrag met zeven nullen, en dat kon onmogelijk worden gevonden op de orkestenbegroting van het ministerie van cultuur (44 miljoen frank in 1992). Er werd dus een nieuw potje gemaakt, niet in het cultuurbudget, maar in de eveneens door de voorzitter beheerde begroting van economische zaken.

Dat laatste doet al de wenkbrauwen fronsen. De publieke middelen voor cultuur zijn al niet bepaald genereus te noemen, zodat het cultuurbeleid des te meer om een coherente, orthodoxe en goed doordachte aanpak vraagt: er valt immers géén geld te verkwisten. Nu al lijdt het cultuurbeleid onder een versnippering die de efficiëntie ervan niet ten goede komt. Daar komt bij dat elke cultuurvisie, zo zij al zou bestaan, wordt doorkruist door een parallel subsidiecircuit, dat van de Nationale Loterij. Dat leverde de Vlaamse cultuur in 1992 251,5 miljoen op, wat natuurlijk mooi is, ware het niet dat dit bedrag volledig buiten de ‘normale’ subsidiëring wordt verdeeld. Het is immers de federale minister van financiën (de politieke voogd van de Nationale Loterij) die beslist over de verdeling van de Loterij-winsten. Hoewel. Hij laat zich daarvoor adviseren door de minister van cultuur, wiens advies in de praktijk de doorslag geeft bij de toewijzing van het geld. Men zou kunnen vermoeden dat de minister van dat advies gebruik maakt om het Loterij-geld in te passen in zijn algemene cultuurbeleid. Maar nee. Het gaat hier om een democratisch niet gecontroleerd subsidiecircuit, en dat laat dus nogal wat mogelijkheden open voor willekeur en favoritisme. De praktijk toont helaas aan dat daar ook terdege gebruik van gemaakt wordt.

Cultuurpotjes

Het budget voor de Culturele Ambassadeurs creëert daar een derde subsidiestroom bij. De omvang en dus de impact van die twee extra-subsidiecircuits kan moeilijk worden onderschat: samen zijn die goed voor dik vierhonderd miljoen frank, wat gelijk staat met ongeveer één vijfde van het ‘gewone’ cultuurbudget. In tegenstelling tot het Loterij-geld, wordt het Ambassadeursbudget wél gecontroleerd door de Vlaamse Raad, terwijl de toewijzing bovendien formeel gebeurt in een samenspraak tussen de minister van cultuur en de voorzitter van de executieve. Toch leidt het Ambassadeurs-geld niet tot een versterking van het cultuurbeleid. Begrotingstechnisch gaat het hier niét om een cultuurpotje, wat hoe dan ook een verdere versnippering in de hand werkt, maar vooral: dat geld heeft geen culturele functie in die zin dat de belangrijkste bedoeling ervan niét het ondersteunen van de cultuur is.

Wat voorzitter Van den Brande in Sevilla had meegemaakt, had hem op een idee gebracht. Als hij geld gaf voor cultuur — naast het cultuurbudget dus —, dan mocht hij daar toch iets voor terug vragen? Bijvoorbeeld dat de extra gesubsidieerde instellingen ook hem een pleziertje zouden doen? Dat kon op de drie belangrijke beleidsterreinen die de zijne zijn: als voorzitter van de executieve, als minister van economie en als minister van buitenlandse betrekkingen. Want de titel van Cultureel Ambassadeur krijgt men niet louter door verdienste of omwille van de culturele kwaliteit van de geleverde artistieke prestatie. De titel aanvaarden impliceert: getuigen van de Vlaamse eigenheid (de voorzitter), een internationale uitstraling bezitten (de buitenlandminister) en bereid zijn deze uitstraling aan te wenden om er de Vlaamse economie naar buitenuit een steuntje mee in de rug te geven (de economieminister).

Vooreerst blijkt hieruit een merkwaardige manie van het Vlaamse cultuur denken: dat een artistiek produkt (excuus voor de term) slechts als belangrijk wordt erkend als het eerst in het buitenland wordt geapprecieerd, als het internationale ‘uitstraling’ bezit. Een selffulfilling prophecy van het gezegde dat niemand sant in eigen land is? Of gaat het om een gebrek aan zelfvertrouwen, meer bepaald wat het eigen oordeel betreft? Nochtans moet cultuur in de eerste plaats in de eigen biotoop kunnen gedijen en daar gesteund worden. Want wat heb ik, pakweg, aan een Vlaams orkest wanneer het zijn lauweren in New York moet gaan halen en dus alleen daar optreedt? Maar dat is nog het ergste niet.

Vaseline

Want het Culturele Ambassadeurschap is niets voor de modale cultuurconsument (andermaal excuus), noch de Vlaamse, noch de buitenlandse. De Ambassadeurs moeten immers in de eerste plaats fungeren als Vlaams visitekaartje in het buitenland, met een heel gerichte opdracht, bijvoorbeeld een concert verzorgen op een plek waar een Vlaamse handelsmissie op bezoek is, met alleen politieke decision makers, captains of industry en andere invités in het publiek. Wat de gedachte daarachter is, verwoordde Van den Brande op 12 juli 1993 in zijn toespraak voor het corps diplomatique ter gelegenheid van de Vlaamse feestdag: ‘Het belang van cultuur mag ook vanuit puur economisch standpunt niet onderschat worden. Ik ben ervan overtuigd, dat cultuur meer deuren opent dan om het even welke andere troef waarmee een land, een gemeenschap, een regio internationale contacten tracht te leggen (1).’ Kortom, wanneer een orkest zo’n mooie muziek uit zijn instrumenten kan toveren, dan kunnen de landgenoten van die musici, die bouten en schroeven te koop aanbieden, toch ook de kwaadsten niet zijn, toch? De vroegere Nederlandse minister van cultuur Eelco Brinkman had daar een gepaste uitdrukking voor: ‘cultuur als glijmiddel voor de economie’, kunst als de vaseline waarmee de Vlaamse export een buitenlandse handelspartner in de… eh, strot wordt geramd. Zo zien we dan ook een niet-cultuurmens als ruimtevaarder Dirk Frimout Culturele Ambassadeur van Vlaanderen worden (die overigens bij de eerstvolgende gelegenheid publiek voor de belgitude zou kiezen, maar dit terzijde): van een volk dat zo’n onvervaard wetenschapper voortbrengt, willen wij toch zelfs met gerust gemoed een tweedehands auto kopen, zeker? De ex-Oostbloklanden trachtten ook de superioriteit van hun communisme te bewijzen door hun zwemjongens en turnmeisjes overal te laten excelleren. Ambassadeurs? Narren van de koning, ja.

De ambassadeurs moeten tenslotte Vlaanderen internationaal tot een begrip maken, meer bepaald tot een merknaam, een brand name, zoals Coca-Cola of Marlboro er een is, een vlag waaronder spullen worden verkocht. De functie van de kunst daarin is het promoten van die merknaam door die te associëren met kwaliteit. Daarmee krijgt de kunst een taak die wezenlijk niets te maken heeft met haar eigen dynamiek. Ze wordt zelfs in een dienende functie gedrukt, dienstbaar aan de exportpromotie. Kunst en cultuur worden erin niet gewaardeerd om wat ze intrinsiek betekenen, maar omwille van wat ze kunnen betekenen als reclamevehikel. Nu is er niets fouts aan het bevorderen van de export, er is zelfs niet fouts aan het bevorderen van een Vlaams wij-gevoel, de vraag is wel of de cultuur daarvoor als kruiwagen moet worden opgevorderd.

Dit is geen door wantrouwen ingegeven intentieproces, het is de uitdrukkelijke bedoeling van de hele operatie ‘Culturele Ambassadeurs’, zoals ze met name is bekokstoofd door Van den Brandes kabinetsmedewerker Kris Rogiers. Dat laatste is niet onbelangrijk, omdat Rogiers ook verbonden was aan het kabinet van Van den Brandes voorganger Gaston Geens, waar hij een van de bedenkers was van de ‘filosofie’ van Flan-ders’ Technology. Die technologiebeurs, die in de jaren tachtig door de eerste Vlaamse executieve officieel werd gepromoveerd als de belangrijkste creatieve emanatie van het pas autonome Vlaanderen, baadde in een neo-liberale ideologie die de vrije markt als het leidende maatschappelijke beginsel beschouwde. Remember, er heerste crisis en werkloosheid in die dagen en het heette toen dat een sociaal paradijs niet kon worden gebouwd op een economisch kerkhof. Voor het culturele paradijs, idem.

Economisme

Het gevolg was dat het economisme ging woekeren, het geloof in de suprematie van de economische wet van vraag en aanbod, van kwantificering, van maximaal publieksbereik, van maximale financiële opbrengst, van onmiddellijk nut. En daar zou ook de cultuur aan onderworpen worden, hoe strijdig dat economistisch beginsel ook is met de kwaliteitsgerichtheid van een levende artistieke praktijk.

Toch, zo bleek, bestaat er een probaat middel om de kunst aan het economisme te onderwerpen: financiële afhankelijkheid. Het instrument daarvoor was de sponsoring vanwege het bedrijfsleven. En daar was ook behoefte aan, want sponsoring bood een oplossing voor de steeds stijgende financieringsbehoeften van de cultuursector, behoeften waarin steeds minder tegemoet werd gekomen door het stagnerende, zo al niet dalende cultuurbudget van de overheid. Voor dat falende cultuurbeleid van de overheid was sponsoring meer bepaald het énige alternatief. Ze werd zelfs officieel van overheidswege bevorderd, zeker door de toenmalige, liberale minister van cultuur Patrick Dewael. Die had daar niet alleen ideologische redenen voor, het was voor de overheid ook een middel om haar verantwoordelijkheid, met name in de financiering van het culturele leven, te kunnen afschuiven op anderen, in dit geval de ondernemingen.

Daar schuilt een wat pijnlijke ironie in. Vele decennia lang was de cultuur in Vlaanderen gepolitiseerd geweest, onderworpen aan ideologische belangengroepen, vooral via de verzuiling. Van in de jaren zestig groeide een sterke tegenbeweging die de cultuur wou bevrijden uit die politieke beknelling — en pas begon dit proces succes te boeken, of daar diende zich, in de jaren tachtig, de nieuwe potentiële kolonisator al aan, de economie.

Het financieel falende cultuurbeleid speelt ook een esstentiële rol in de kwestie van de Culturele Ambassadeurs; het nog altijd ontoereikende Vlaamse cultuurbudget leidt — laat ik het een beetje romantisch stellen — tot een uithongering van de culturele sector, die er vervolgens toe wordt verleid om toch maar een Ambassadeurschap te aanvaarden, want dat biedt dan toch een perspectief op extra geld. Maar dan moet de cultuur er wel de daarbij gestelde voorwaarden bij accepteren, te weten het promoveren van de Vlaamse merknaam. Voor zo’n, laat ik het besmuikt zeggen, voorwaardelijke financiering bestaat een woord: chantage. Dit laatste is een kwestie van techniek: hoe kan men kunstenaars zover krijgen dat ze een Ambassadeurschap accepteren?

Maar de Ambassadeurs moeten ook een rol spelen bij het creëren van verkoopsbe-vorderende events en daar is niet elke vorm van cultuur geschikt voor. Het is daarentegen alleen de prestige-kunst, de in sociale termen elitaire kunst die daarvoor dienstig is. Klanten moeten immers niet worden afgeschrikt door culturele experimenten of door kunstenaars die niét met twee woorden spreken. Het is dan ook geen wonder dat Rosas aanvankelijk — in een eerste fase, toen het kabinet-Van den Brande eraan dacht slechts een half dozijn Culturele Ambassadeurs te installeren — niet tot de ‘uitverkorenen’ behoorde, aangezien het gezelschap door de initiatiefnemers als ‘marginaal’ werd beschouwd (wellicht zegt dat laatste meer over het vermogen tot cultureel onderscheid bij het kabinet dan over Rosas).

Stroomlijnen

Omwille van de aanwijsbare continuïteit tussen het economische prestige-denken van Flanders’ Technology en het Ambassadeursinitiatief, hoeft het niet te verbazen dat dit laatste de warme steun kreeg van Godfried Van de Perre, de secretaris-bestuurder van de Stichting voor Kunstpromotie, in een column in het zakenblad Trends (2). Deze Stichting, die dateert van het midden van de jaren tachtig, wil precies het contact tussen de kunst en de economie institutionaliseren, vooral door te bemiddelen bij kunstsponsoring door bedrijven. Opvallend daarbij is dat Van de Perres tekst vrij helder aantoont hoezeer het dat economisme wel degelijk te doen is om macht, meer bepaald om de vraag wie het in het culturele proces voor het zeggen heeft: ofwel de kunst en de kunstkritiek, ofwel de brede, vooral economische Umwelt. Met de sneren die Van de Perre zich permitteert naar de ‘deskundologen’ in commissies en adviesraden, ‘het oligopolie van de kulturele goeroes (…) in samenwerking met enkele verlichte kultuurredakteurs van de betere kranten en tijdschriften’, de ‘kulturokraten’, de ‘dekreetkuituur’ en de ‘splendid isolation van een bepaald kuituur circuit’ is ‘s mans antwoord wel duidelijk.

De column is een ondubbelzinnige eis tot medezeggenschap in de cultuur zelf, niet zozeer organisatorisch, maar specifiek inhoudelijk — de cultuur moet immers van een maatschappij-afgewendheid worden gered. De tekst bevat een duidelijke oproep om de cultuur te stroomlijnen naar een complex waarvan de economie slechts één onderdeel is. Het geheel moet naar het oordeel van Van de Perre immers passen in ‘onze volksaard’, want ‘elk volk met een staatkundige dimensie bouwt zijn samenlevingsmodel uit op de drie pijlers: politiek, ekonomie, kultuur’.

De embryonaire Vlaamse Staatsraison heeft, sinds Gaston Geens’ Flanders’ Technology, altijd een uitgesproken economische dimensie gehad; alleen managers en yuppies schenen toen achtenswaardige, creatieve Vlamingen te zijn. Daarin waren Vlaamse staatsopbouw en vrije-markteconomie innig vereend, in schril contrast met het collectivisme van socialistisch Wallonië. Meer en meer groeit daaruit een nationalistische logica (‘identiteit’, ‘volksaard’) die ook een claim legt op de cultuur. Toen hij in de Vlaamse Raad over de Ambassadeurs werd ondervraagd, verklaarde Van den Brande dat haast met zoveel woorden: de begunstigden moeten ‘representatief (zijn) voor het Vlaams cultureel leven’ en vanuit die representativiteit de plaats van Vlaanderen afbakenen in het ‘Europa van de culturen’ (3). De antagonismen zijn daarbij duidelijk aangegeven en ze zijn van politiek-structurele orde: ‘Op het ogenblik dat er in Europa een cultureel centralisme ontstaat en dat meer en meer wordt gesproken van Belgische cultuur, willen wij wijzen op de culturele eigenheid van Vlaanderen’ (4).

V-woord

Er schuilt nogal wat gebakken lucht in die verklaring, maar de tendens is wel even duidelijk als bedenkelijk: er wordt van de cultuurmakers gevraagd dat ze een bewuste keuze zouden maken voor wat Van den Brande denkt wat de Vlaamse identiteit is. Tot in het absurde toe, want het Ambassadeurschap bevat een positieve discriminatie voor al wie het woord (het etiket) ‘Vlaanderen’ letterlijk in zijn naam draagt. I Fiamminghi is dus prima, maar La Petite Bande stelt grote problemen, want niet alleen komt het V-woord er niet in, de naam van het gezelschap is bovendien Frans.

Wat dat cultureel centralisme van Europa dan mag zijn, is praktisch niet zo makkelijk voorstelbaar (tenware Van den Brande het louter over taal zou hebben), maar het schijnt een Vlaams kunstenaar in alle geval door de minister-president verboden te zijn voor een Belgische cultuur te kiezen, en dat kan men zich al wat makkelijker voorstellen. Als er al een geografische term bij bedacht moet worden, zou ik de poëzie van Geert van Istendael of de films van Marc Didden best als ‘Belgisch’ kunnen beschouwen. Maar Rosas en Ultima Vezworden in Groot-Brittannië wel eens als Euro-crash omschreven en dat is dus niet zo best… Maar heeft dat wel enig belang? Maakt de cultuur niet haar eigen identiteit, iets waarvan wij achteraf eens kunnen gaan bekijken welk etiket wij daarop kunnen kleven, als wij dat al zouden willen doen?

Vooral dat Van den Brande het nog nooit nodig heeft gevonden om zijn opvatting van de Vlaamse culturele eigenheid te definiëren, stemt tot nadenken. Achter de idee — en ik kan slechts hopen dat ik mij vergis — schuilt een erg zelfvoldane neiging tot vanzelfsprekend unitarisme, dat geen oog heeft voor de culturele pluraliteit of zelfbeschikking, en dat de kunst meer bepaald klem wil zetten tussen heel specifieke politieke en economische opties. Wat dat precies inhoudt, blijkt dan zo evident (vandaar die arrogantie) dat er blijkbaar niet eens over gesproken moet worden. Het resultaat daarvan is dan wel dat Van den Brande schijnt te pleiten voor een artistiek Vlaams-realisme, een term die ik hier gebruik als een variant op het meer bekende sociaal-realisme van de vroegere communistische landen.

Dit is geen goedkope beschuldiging; het volstaat een ander recente beleidsdaad van Van den Brande in herinnering te roepen, de televisieshow waarmee hij zijn project ‘Vlaanderen-Europa 2002’ publiek maakte, een project waarvan de Culturele Ambassadeurs trouwens een onderdeel zijn. De show bevatte louter propaganda, was geproduceerd door vriendjes uit de nomenclatura en de publieke omroep was verplicht het zwik uit te zenden (de BRTN kon dat nu eenmaal niet afwijzen omdat zij niets mag weigeren aan haar voogd en financier, de executieve). Als informatie vermomde propaganda op de staatstelevisie: ook dat is een praktijk die men tegenwoordig alleen nog maar in Noord-Korea denkbaar acht.

 

(1) Geciteerd in Het Laatste Nieuws, 14 juli 1993, p. 2

(2) Godfried Van de Perre, ‘Heisa om kuituur’, in Trends, 10 juni 1993, p. 58.

(3) Het is niet duidelijk wat Van den Brande met dat Europa der culturen bedoelt, maar het situeert zich ergens halfweg enerzijds het Europa van de regio’s of volkeren en anderzijds het huidige, officiële Europa van de EG-lidstaten. Met ‘culturen’ bedoelt hij niet al te grote, etnisch of linguïstisch min of meer homogene gebieden, die over een geïnstitutionaliseerde, autonome politieke structuur beschikken. Hij bedoelt dus niet de Basken of Bretoenen, maar wel Catalonië of de Duitse Länder, maar ook nationale staten als Nederland, Denemarken, of, buiten de EG, Tsjechië. En natuurlijk ook de Vlaamse Gemeenschap.

(4) Vlaamse Raad, Beknopt Verslag, 6 juli 1993, Zitting 1992-1993, nr. 67, p. 6.

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

#43

15.11.1993

14.02.1994

Marc Reynebeau

artikel