Gene Bervoets en Ken Kélountang Ndiaye – Foto’s Arlette Stubbe

Luk Van den Dries

Leestijd 6 — 9 minuten

Met Ali op verschillende sporen

Tie3 zonder Tone Brulin

Ali, de 1001 nachtmerrie is de eerste voorstelling van Tie3 sinds Tone Brulin de leiding overliet aan Gene Bervoets. Op de scène staan een blanke en een zwarte acteur tegenover elkaar.

De meeste theatergezelschappen hebben een trouw publiek. Het gezellige geroezemoes van bekenden onder elkaar tijdens de pauze, het gekeuvel bij de laving, het hoort onafscheidelijk bij de sociale consumptie van theater. Dat eenheidsgevoel moet vroeger nog sterker geweest zijn, toen theater een zaak was van bepaalde sociale groepen, maatschappelijk ook strakker gedifferentieerd. Ook vandaag, gezeten tussen de gezellige abonnees van NTG of KNS, voel je de samenhorigheid die van theater een grotere “gemeenschapskunst” maakt dan b.v. van film. Het abonnementensysteem lijkt dan ook – los van de economische oorzakelijkheid waarop het is ingevoerd, een systeem van prefinanciering waardoor men over de noodzakelijke liquiditeit kon beschikken – organisch tot het theater te behoren.

Vandaag wordt de aanhorigheid aan een gezelschap nog door een aantal extra-middelen aangemoedigd. De promotie van de theatermiddenstand is gericht op de kweek van een vaste klandizie: de ene werft voor leden en steunende leden, de andere biedt je aan een stoel te kopen, bij nog een ander gezelschap kun je toetreden tot de vriendenkring, weer een ander roept op tot het belastingsaftrekbaar storten op een speciaal fonds waardoor je van anoniem toeschouwer opklimt tot symphatiserend lid. Het resultaat is nog meer gezelligheid, nog meer gekeuvel, meer samenhorigheid.

Nu variëren die verschillende publieken nogal ten opzichte van elkaar. Het publiek van het Kollektief-INS is niet te vergelijken met dat van de KNS. De abonnees van de KVS zie je niet in de Beurs. De Echt Antwerps Theater-getrouwen zijn overspelig wanneer ze ook naar de Singel gaan, maar misschien voelen ze zich wel op hun gemak in het Meirtheater, enz. Het zou interessant zijn om eens een “compatibiliteitsstudie” op te zetten van het theaterpubliek. Bij alle samenwerking tussen de verschillende theatergezelschappen (Raamteater met Nieuwe Scène, Akt/Vertikaal met De Witte Kraai, BKT en KVS, enz.) is het nog de vraag of ook het publiek even verwant is.

De oorzaken van de publieksvastheid zijn veelsoortig. De antropologisch-sedentaire aard van het beest zit er voor iets tussen en het regionale stamverband maakt dat je van een Brussels, Antwerps, Gents publiek kan spreken. De grove mediumselectie mobiliseert het typisch chique operapubliek of het mooie modieuze danspubliek. Het economische voordeel van een abonnement zorgt voor een kanalisering van het beperkte budget dat aan cultuur wordt besteed, maar lijkt minder een oorzaak: ook bij groepen zonder abonnementensysteem als de Nieuwe Scène, HTP, e.a. lijkt het publiek vrij trouw. Ik denk dat minder concrete, meer gevoelsmatige criteria doorwegen: vertrouwdheid met de ruimte b.v. (de koop-een-stoel-actie is daar het summum van) en vooral de verwachting van en vertrouwdheid met een bepaalde theaterschriftuur, een vormenrepertoire, een acteerstijl, een onderliggende ideologie. Vanzelfsprekend is ook de verwachting om geconfronteerd te worden met het onverwachte en haar onderliggende ideologie een publiekhomogeniserende factor. Hetzelfde slag (nieuwsgierige?, masochistische?) mensen zie je terug in Beursschouwburg, ‘t Stuc, Nieuwpoorttheater, …

Deze lange aanloop om maar te melden dat het vertrouwen wekkende handje afwezig bleef bij de voorstelling van Ali, de 1001 nachtmerrie van Tie3 in de Beurs. De Tie3-toeschouwer die normaal op de naam Tone Brulin afkomt (naar Tie3 gaan betekende toch op bezoek gaan bij Tone Brulin, genieten van zijn typische theatertaal) had bij deze produktie geen houvast: Brulin liet de groep aan Gene Bervoets, vooralsnog een kleurloze naam. Houvast aan ruimtelijke coördinaten heeft het publiek ook al niet, Tie3 beschikt niet over een eigen zaal. De pers, hoewel welwillend, vertoonde weinig animo. Het geruis dat een produktie normaal begeleidt, bleef stil, de verwachtingshorizon zwart. En ook het handje van de Beursorganisatie dat anders het onverwachte van het ongenode scheidt, er normaal borg voor staat dat het onverwachte wel genoeg aan de verwachtingen zal beantwoorden, kwam evenmin ter hulp. Tie3 had namelijk zichzelf uitgenodigd (of durfde de Beurs het risico niet aan?) In elk geval moest de Brusselse toeschouwer maar eens zelf beslissen. En zie, bij zo weinig toeschietelijkheid bleef hij thuis. En had ongelijk.

Perron

Beurs, 28 maart 1987. Een paar recensenten, enkele vrienden van de spelers, een enkele ongeïdentificeerde toeschouwer, verspreiden zich over de zaal. Ali, de 1001 nachtmerrie is al begonnen. Helemaal zonder houvast ben je niet. Het zou over Walraffs Ik, Ali gaan, wist ik. Maar had het boek niet gelezen. Paul Pourveur dan, auteur-scenarist: pleegde voordien al Le Diable au Corps en Tyrannie der hulpverlening bij De Witte Kraai. Hoe maagdelijk de welwillende blik zich ook richt, er vormen zich toch in het achterhoofd een paar trefwoorden: “sprookjes”, “fragmenten”, “metataal”. Dat laatste zit meteen goed: de man rechts in de sofa (lijkt zijdelings nogal op Müller, maar dat heeft er niets mee te maken) geeft de definitie “Prince: Amerikaanse zanger” op objectieve en subjectieve wijze, met uitroepteken en vraagteken al naar gelang van de fase in zijn leven. Zijn acteerpathos wordt onderbroken door de zwarte acteur die vraagt wat dat betekent, uitroepteken, vraagteken. Het achterhoofd triomfeert: taal over taal, theater als theater: klaar. Maar het heeft er niets mee te maken.

Van bij de aanvang spoort de voorstelling op verschillende sporen. Je probeert een eindje mee te rijden, merkt dan ineens een ander traject, tracht dat alsnog in te halen, voor je het weet zit je in een donkere tunnel. Dan toch maar op het perron blijven staan, daar heb je een beter overzicht op de verschillende lijnen en richtingen. Het aanvankelijke gevoel van ontreddering (waar gaat dit over?) gaat over in plezier: je neemt genoegen met de mooie beeldjes die gepresenteerd worden. Het scènebeeld b.v.: een immense hoge kooi die fysiek ingepalmd wordt door de blanke (gekleed in modieus zwart) en de zwarte (heel zwart) acteur. Er wordt geklauterd, geklommen, getrokken, bewogen, gedanst; volgt een balletgevecht met twee borstelstelen. Allemaal heel fraai op een goeie beat. Allengs worden de verhoudingen tussen de twee figuren duidelijk: de blanke leidt het spel, domineert, hitst de ander op tot steeds snellere ritmes. De ruimte wordt metafoor voor een leeuwekooi met de blanke als dompteur. Tot de zwarte die fysiek domineert, het niet meer pikt en reageert. De ruimte krijgt dan de allure van een boksring, de figuren verwerven representatiekarakter: dé blanke staat tegenover dé zwarte. En hier knoopt de voorstelling, ondanks het gebruik van een totaal andere esthetiek, toch weer aan bij het Tie3-goed: het intercultureel programma, de botsing van verschillende culturen. Maar ook thematisch wordt het anders ingekleurd: het gaat hem hier om het beeld dat de blanke heeft van de vreemde cultuur: het geheel van clichés over de jungle, Kuifje in Kongo, de expo ’58. Een houding bepaald door neerbuigende generositeit (“l’ami noir”), aantrekkingskracht van het “primitieve” en minachting voor de eigenheid. “C’est ca que tu veux” vraagt de zwarte en haalt een tam- tam boven waarop de ander “primitief” gaat zitten dansen.

Terug op het perron. Want zo lineair spoort de voorstelling niet met de gedachten. Intussen hebben we ook Alida Neslo gehad, de bekendste Vlaamse kleurlinge, die hier op video glimlachend en een beetje spottend af en toe de loop van de gebeurtenissen onderbreekt. Ze vertelt de blanke dat hij al twee keer door zijn rol gevallen is, geeft een eigenwijze versie van het scheppingsverhaal, levert commentaar op de rol van de vrouw. Intussen heeft ook de blanke niet stilgezeten: zijn verwarde verhaal, telkens aangezet door “Het is avond, rond het kampvuur gezeten, kwam een gedachte tot mij” gaat verder. Zo heeft hij het over zijn vrouw die alles tot sex herleidt, van een glas een vaginaal voorwerp maakt, en van een gebroken glas een politiek symbool. Hij heeft het over religie en de verlosser. En ja, de sprookjes/mythes zijn er weer bij. Triomf achteraan. Robin Hood is van de partij, en ook de Minotaurus en Ariadne. Hoogste tijd, want het kluwen groeide.

Nu klinkt dat op de scène allemaal minder moeizaam. De verschillende eindjes die afgewikkeld worden, maar nooit tot één draad verweven, geven aanleiding tot heel wat amusante kwesties. Zo b.v. de discussie “Wie is Ali?”: de zwarte, zwart en onderdrukt, of de derde “acteur” de man die alle rekwisieten aangeeft, blank en arbeider (met casque en kiel). Het theater-als-theater niveau met de zwarte die gedurig om vertaling vraagt van Vlaamse woorden, leidt tot een publieksinterventie: “walserij” krijgt de blanke niet vertaald. “Laminoire” roept iemand uit de zaal. De zwarte (Pami noire) begrijpt er niets meer van. Ik was geëngageerd voor Ik, Ali, zegt hij, niet voor Prince, laminoire, en andere onzin. En ook de ruimte deelt in het dubbelspel wanneer onder de kooi (die door de gestiek als werkruimte werd aangeduid) nog een souterrain vrijkomt waar men zich nauwelijks kruipend door kan bewegen, maar dat wel helemaal ingericht is als een miniatuurflatje. Waar is men dan het meest gevangen: thuis of op het werk? Op die manier krijgen de talloze eindjes een verrassende draai: terwijl je nog bezig bent ze aan mekaar te knopen, werpt men steeds nieuwe vragen op, over werkelijkheid en ideologie, taal en cliché, blank vs. zwart, etc. Zo blijf je als toeschouwer in beweging.

Overvloed

Ali, de 1001 nachtmerrie releveert een theaterploeg met veel feeling voor een hedendaags theateridioom. Zowel tekstueel als scenisch heerst aanvankelijk een schijnbaar ongestructureerde overvloed. Er zijn (te) veel verwijzingen, men speelt op (te) veel registers, er is (te) veel om volgen, je moet je aandacht versnipperen over vernaaieindjes, gebeur stukjes, TV-fragmentjes, kromme verhoudingen. Niek Kortekaas (decor) legt echter de “te” aan banden, met een dominante vormgeving die het hele gebeuren inkadert, het verbale en fysieke geweld in een strakke structuur dwingt. Bovendien bespelen auteur en regie zeer handig het eigentijdse koppel repetitie-variatie: een aantal elementen (tekst, geluid, gebeuren) wordt herhaald, krijgt motief status, zinnen krijgen visuele echo’s, verhoudingen tekstuele grond. Er ontstaan patronen die gevarieerd worden en, daardoor, steeds nieuwe betekenis. Het ongestructureerde wordt structurele gelaagdheid, met de vele dubbele bodems, die er ook een plezierige en mooie voorstelling van maken. Ook door de klemtoon op de fysieke presentatie van handeling, houding en verhouding knoopt deze produktie aan bij wat er elders in het Vlaamse theater gebeurt. De ontdekking van het gestructureerde karakter, van de thematische lijnen, van de mededeling en commentaar op onze samenleving, betekent niet dat je als toeschouwer de touwtjes in handen hebt. Er blijft evenveel dat je niet geplaatst krijgt: de talloze schoenen beneden- en bovenkamers. Of dat politiek vaginaal glas. “L’Enfer c’est l’interpretation de l’autre”, herhaalt de blanke intellectueel. En onder het applaus en bravo-geroep floept Neslo weer aan om te melden dat “de aftakeling van de hersenen maakt dat we alles vergeten.”

 

ALI, DE 1001 NACHTMERRIE
Groep: Tie3; auteur: Paul Pourveur; regie: Gene Bervoets; decor: Niek Kortekaas; spelers: Gene Bervoets, Ken Kelountang Ndiaye, Alida Neslo.

Gezien in de Beursschouwburg, Brussel, op 28 maart.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#18

15.06.1987

14.09.1987

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.

 

recensie