© Pieter Dumoulin

Evelyne Coussens

Leestijd 4 — 7 minuten

Matisklo – Bosse Provoost

Bosse Provoost en zijn ploeg zijn niet bang van de grote greep. Hun Matisklo beoogt niets minder dan te vertellen over het onzegbare, over het nulpunt waarop de mens belandt wanneer hij glijdend langs modderige hellingen aankomt in de hedendaagse hel, die van gaskamers en schoorstenen. Maar ook een voorstelling over het wezenlijk duistere dient helder te spreken.

Het oeuvre van Bosse Provoost (en van de groep die zijn werk mee draagt) is erg pril, toch zijn er al een aantal lijnen in te ontdekken. In vorm zou dat kunnen zijn: de weigering om taal op een traditionele manier te behandelen als taal, of een lichaam als een lichaam, of licht als licht. In zijn bekroonde debuut Moore Bacon! (2015, samen met Kobe Chielens) is licht materie, heeft kleur een volume, zijn lichamen objecten. Die keuze om alle disciplines een gelijkwaardige zeggingskracht toe te kennen valt samen met Provoosts fascinatie voor hybride wezens: ze zijn tegelijk vast en vloeibaar, mens en ding, dood en levend. In die zin gaat het werk misschien wel altijd over het streven naar grenzeloosheid, ongrijpbaarheid of zelfs: onsterfelijkheid.

Zo bezien zijn de gedichten van Paul Celan (1920-1970) met het werk van Provoost een natuurlijke match. Celan deelt Provoosts liefde voor hybridisering: taal behandelt hij als beeld, zijn verzen zijn synesthesieën waarbij kleur, vorm en textuur van het blad spatten. Bovendien is de spreker (en soms de geadresseerde) in zijn gedichten een halfwezen: levend en dood tegelijk, sprekend van op de ene oever maar al met één been aan de overkant. De oorsprong van deze zijnstoestand is gekend: Celan was een overlever van de holocaust, zijn hele poëtica staat in het teken van dit nulpunt van menselijkheid en is een weerslag van zijn eigen existentie. Zo verbrokkeld, gefragmenteerd en duister als zijn gedichten aandoen, zo moet ook Celans ziel zijn geweest.

Toch, zo duidt vertaler Ton Naaijkens in een voorwoord bij de tekstuitgave van Matisklo, is dit “lallen” van de taal geen poging om een barrière op te zetten tussen dichter en lezer, maar juist een handreiking. Dit is de grote paradox van Celan: hij lalt om iets duidelijk te maken, hij verduistert om te verhelderen, om zijn lezer beter te bereiken. Het is die paradox waarop Provoost en de zijnen hun tanden stuk bijten. Een theatervoorstelling die de duisterheid wil vatten mag zelf niet duister zijn. Op Matisklo zit een talige ruis die de ontmoeting met het publiek bemoeilijkt. Daardoor gaat de pijnlijke ervaring verloren van die andere, wezenlijke ruis, die precies het onderwerp vormt van Matisklo.

Nochtans bevat de voorstelling heel wat beelden die wél ‘spreken’. In het eerste deel verhoudt performer Benjamin Cools zich tot een ruimte gevuld met licht, objecten en figuren. Cools start met het rechtop zetten van een grijze PVC-buis, waardoor er plots een schoorsteen oprijst uit het diepste van de aarde. Geplaatst tegenover een relict van gruwel kan je alleen gaan liggen, met je gezicht plat op de grond. Al wat volgt verhoudt zich tot de schaduw van deze schoorsteen. Enter een soort Chewbacca uit Star Wars (kostuums: Max Pairon) maar met een vacht van houten latjes: een versplinterd wezen dat voortdurend stukjes van zichzelf verliest. Cools tracht deze desintegrerende on-mens zijn onderdelen terug te geven, maar het wezen retourneert het gebaar, alsof het wil zeggen: dit is mijn zijnstoestand, ik val niet te helen, bovendien behoren mijn splinters ook jou toe.

Na een changement waarbij de zwarte speelvloer wordt vervangen door een witte evolueert Matisklo vanuit de duisternis naar het licht – al gloort aan de einder niet bepaald een warme gloed, eerder het verblindende wit van een ijzige sneeuwvlakte. Dit keer verschijnen een grote prop aluminiumfolie en een reusachtige carwash-borstel – ze komen kluchtig van achter de achtergronddoeken gestommeld. Cools beweegt zich achteruit lopend tussen de creaturen, een beetje zoals Walter Benjamins ‘engel van de geschiedenis’, die met zijn gezicht naar het verleden de toekomst wordt ingeblazen. Die toekomst komt hoopvol in beeld, want uit de PVC-buis groeit nu een groene tak. Wanneer het licht (Ezra Veldhuis) vervolgens de regie overneemt wordt Cools een boom-sculptuur, bevroren in een wisselend kleurenpalet van verglijdende seizoenen. Terug ontdooid staat hij in een witte vlakte, alleen met het gierende geluid van de wind. Bedremmeld kijkt hij naar zijn handen. Is dit een mens?

“In deze beelden openbaart zich in de hoofden van de toeschouwers een wereld die groter is dan de beelden zelf, en waarin het onuitsprekelijke tastbaar wordt.”

In deze beelden – en zo zijn er nog – gaat Matisklo open, openbaart zich in de hoofden van de toeschouwers een wereld die groter is dan de beelden zelf, en waarin het onuitsprekelijke tastbaar wordt. Tastbaar, want de betekenis wordt nergens benoemd, de beelden blijven cirkelen rond het zwarte gat, vloeibaar zoals ook de media – beeld, lijf, licht – inwisselbaar blijven in een voortdurend muterend geheel. Maar je voelt waarover het gaat. Hoe ongelukkig dan dat bovenop deze openheid aan betekenissen een dikke laag van taal wordt gesmeerd, die koppig weigert – hoe on-Provoosts, hoe on-Celans – zich te integreren met de rest. Bijna de hele voorstelling lang worden de gedichten van Celan gereciteerd. Ze veroorzaken een intellectualistische ruis die als een vervelende filter bovenop de voorstelling ligt. De woorden werpen een barrière op omdat ze geen lijf krijgen; ze weigeren koppig te transformeren tot iets anders dan gereciteerde woorden.

Ik krijg er maar moeilijk de vinger op gelegd hoe dat komt. Joeri Happel en Benjamin Cools doen hun uiterste best om Celans verzen van vlees te voorzien, maar het blijft kijken naar een wat educatieve poëzie-avond, met in zichzelf gekeerde performers die nauwelijks communiceren met het publiek – daar verhelpt het aanlaten van zaallicht niets aan. Is het omdat Celans gedichten werden geschreven om gelezen te worden? Laat de wet van het geschreven woord (ook: het geschreven woord-beeld) zich niet zomaar ‘performatiseren’? Eerlijk waar: ik ben er niet uit. Het is verder onderzoek waard, misschien, als ze dat wensen, ook voor Provoost en zijn ploeg.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

recensie