Heiner Müller

Leestijd 7 — 10 minuten

Manifest

Manifest is een rubriek die klassieke teksten en andersoortige fragmenten opdiept uit het geheugen, opdat we onze relaties ermee zouden kunnen bezien, herzien. Het gaat om ijkpunten in de geschiedenis van de podiumkunsten. Heiner Müller is in deze rubriek dan ook ontegensprekelijk op zijn plaats. Enkele Vlaamse theatermakers die Heiner Müllers werk op de bühne brachten, kozen een citaat. Deze tekstfragmenten laten we voorafgaan door een aantal fragmenten uit De waarheid, zacht en ondraaglijk, een interview dat Peter von Becker had met Heiner Müller. We horen de auteur over de tijd, kunst in de DDR, zijn laatste voorstelling en de nieuwe tekst waaraan hij schreef.

Heiner Müller: Er bestaat altijd minder heden dan verleden. Nu eens meer, dan weer minder toekomst. Het heden is iets zeer duns, en het verleden heeft meer tijd, meer diepte en veel meer massa. Het heden is zo snel geschreven. Vooral in de DDR. Ik had op een bepaald ogenblik het gevoel dat ik alles geschreven had wat men over deze onderneming kon schrijven –

Peter von Becker: Of de rest is journalistiek
Heiner Müller: – en dat interesseert me niet. Ik had de indruk dat de DDR literair ten einde was, al tien jaar voor haar daadwerkelijke einde. […]

Peter von Becker: Vroeger klonk u alsof catastrofen en conflicten ook een levenselixir zouden vormen voor een toneelschrijver. Veel theatermensen in het Oosten en het Westen klagen erover dat ze ten laatste sinds de val van de muur hun lievelingsvijanden verloren zouden hebben. Is dit confrontatie-denken voor het schrijven, voor het ensceneren steeds nodig?

Heiner Müller: Het spookbeeld is het vacuüm. De utopie is weg, een vijandbeeld is weg en nu zet een vertwijfelde zoektocht in, niet naar de utopieën maar naar nieuwe vijandbeelden. Dat leidt tot zelfgenoegzaamheid en hatelijkheid. Niet enkel tegen het Oosten. Het heeft weinig te maken met Oost of West. Het gaat tegen iedereen.

Peter von Becker: Kunnen veel opgewonden reacties niet in verband gebracht worden met het zakken van de vroeger vanzelfsprekende waardering van kunst in de maatschappij?

Heiner Müller: Van de kunst en van het denken. Het loont niet meer de moeite om te denken. Er is gewoon een verlies van waarden. Van zin. Geen normen voor een uiteenzetting. Een voorbeeld, schijnbaar slechts in de marge: het slot van mijn Arturo Ui-opvoering. Ik heb Martin Wuttke, die de rol van Ui vertolkt, gezegd: ‘Maak zo naar het parket een Hitlergroet, wacht dan af of iemand teruggroet – en dan een kushand.’ Ik besef dat dit zeer cynisch overkomt. Maar dat is een realistische reactie op een situatie. Er is geen confrontatie meer, dus heeft men ook geen communicatie meer nodig.

Peter von Becker: Enkel nog een kushand.

Heiner Müller: Een kushand.
[…]

Peter von Becker: Uw nieuw stuk gaat over Hitler en Stalin. Zijn beide in een niet-docu-mentair stuk ook zoiets als mythische figuren?

Heiner Müller: Zeker. Ja. Bij Stalin was voor mij de centrale zin een uitspraak van Stalin zelf, die maarschalk Schukow uit één van zijn laatste gesprekken met Stalin citeert. Hij zou gezegd hebben: ‘Schukow, ik ben de ongelukkigste mens ter wereld. Ik heb angst voor mijn eigen schaduw.’ Zo is Stalin natuurlijk ook een Shakespeare-figuur.

Peter von Becker: Alleszins wat poëtischer dan in de realiteit. Hoe verschijnt Hitler daarnaast of daartegenover?

Heiner Müller: Hij is moeilijker op de bühne te brengen. Als het niet als bullebak is, zoals in Ui.

Peter von Becker: Hitler volgens Chaplin, Lubitsch en Brecht?

Heiner Müller: Is moeilijker dan Stalin.

Peter von Becker: Waarom?

Heiner Müller: Misschien ook daarom, omdat Stalin meer gezwegen dan gesproken heeft. Hitler heeft zoals bekend bijna aanhoudend gepraat.

Peter von Becker: Bezit hij daarom als theaterfiguur te weinig geheimen.

Heiner Müller: Ja.

Peter von Becker: En u brengt hem nogmaals aan het spreken.

Heiner Müller: Het is me niet meegevallen.
[…]

Peter von Becker: In de microfoon van interviewer André Müller hebt u eens gezegd, dat u ongetwijfeld ‘de grootste nog levende toneelschrijver’ zou zijn. Men heeft vervolgens nagerekend en vastgesteld: ook Beckett leefde destijds nog.

Heiner Müller: Ach, u kent André Müller toch zeker wel. Die werkt je zo lang op de zenuwen tot je murw wordt.

Peter von Becker: Dat is zijn fabelachtige methode.

Heiner Müller: Ja, en dan krijgt hij wat hij wil. Na vier of vijf uren gesprek met hem was ik rijp voor zo’n zin. Dat wordt je dan aangewreven. Overigens zou ik Beckett te allen tijde één van de grootste auteurs van deze eeuw noemen. Maar niet noodzakelijk de grootste toneelschrijver. Beckett is voor de theaterkunst eerder te vergelijken met de plotse daling van het geboortecijfer door de pil. Dat is echt het probleem met Beckett. De Pozzo-Lucky-scène in Godot bijvoorbeeld, de meester en de knecht, dat is de volledige Brecht in een notedop. En Brecht heeft zich kapotgewerkt, tientallen jaren lang, om van deze scène acht tot twaalf stukken te maken. Dat is het beangstigende probleem met Beckett.

Peter von Becker: De daling van het geboortecijfer door de pil: de anticonceptie voor traditioneel theater.

Heiner Müller: Inderdaad. Wie in het Oosten geleefd heeft, had nog geschiedenis, een teveel aan geschiedenis; toen was er nog een historische materie die men kon gebruiken, maar die nu verbruikt is. En nu zijn we in het Oosten bij Beckett aanbeland. Waar er geen geschiedenis meer is. Dat geldt zeker niet voor Australië, Oost-Azië of Afrika. Slechts voor ons geldt: geschiedenis is nu ergens anders. Ik weet niet of men Beckett in Djakarta of Nairobi begrijpt. Maar wij begrijpen hem intussen veel te goed. Daarom moet men iets anders zoeken.

Peter von Becker: Een slotwoord.

Heiner Müller: Misschien was dat ook onzin. Hoewel die idee rond de geboortedaling me veel duidelijk maakt. Hoe snel je je verveelt, wanneer iemand je in een stuk de wereld verklaart. Het gaat erom weer geheimen tot stand te brengen. Geheimen ook als hindernissen voor een te snel denken. Sneller schrijven dan denken. Novalis zegt: het poëtische is het absoluut reële. En hij zegt: geen polemiek. Weinigen zijn het waard dat men hen tegenspreekt.

Uit: Theater Heute: Das fahrbuch 1995.
Vertaling: Kurt Vanhoutte

Anne Teresa De Keersmaeker koos enkele replieken van Heiner Müller op vragen van de beruchte interviewer André Müller:

André Müller: Wilt u nog een grap vertellen?

Heiner Müller: Er schiet mij juist één te binnen die het probleem waarover wij de hele tijd praten zeer duidelijk veraanschouwelijkt. Staat een man ‘s morgens op, gaat de badkamer in, kijkt in de spiegel en zegt: ‘Ken ik niet, was ik niet.’ Dat zou u toch aan het lachen moeten brengen.

André Müller: Welke rol speelt de erotiek in uw leven?

Heiner Müller: Ik denk dat ik wat dat betreft zeer ongecompliceerd ben.

André Müller: U had de eerste maal gemeenschap in 1951, juist op de dag waarop uw vader uit protest tegen Stalin de DDR verliet.

Heiner Müller: De simpele reden daarvoor was dat daardoor de ouderlijke slaapkamer vrij was. Een vrouw die meekomt, vindt men altijd.

André Müller: Is liefde echt zo eenvoudig?

Heiner Müller: Voor mij wel. Ik kan de problematisering van dit thema niet begrijpen. Ik voel me soms als een olifant in een porseleinwinkel wanneer ik hoor over de problemen van andere mannen met vrouwen, omdat ik – misschien bij gebrek aan sensibiliteit – daar niet ontvankelijk voor ben.

André Müller: Klopt het dat u uw dode vrouw wou uitgraven om haar knoken te kunnen voelen?

Heiner Müller: Dat heb ik in een gedicht geschreven.

André Müller: U hebt daar ook over gesproken in een interview.

Heiner Müller: Dat was gelogen.

André Müller: Waarom spreekt u zo zelden de waarheid?

Heiner Müller: Omdat men voor de waarheid de meeste fantasie nodig heeft. Ik ben immers geen documentalist. Wat ik schrijf, is altijd dichtkunst en waarheid, een mengeling van document en fictie. Ik beleef iets en druk het uit in een poëtische formulering, om afstand te creëren. Wanneer ik dat later lees, is het voor mij als de tekst van een dode.

André Müller: Koesterde u ooit zelfmoordgedachten?

Heiner Müller: Neen, ik wist nooit waarom ik mij van kant moest maken.

André Müller: Doodsangst zou een reden geweest zijn.

Heiner Müller: Hoezo?

André Müller: Omdat de enige verlossing daarvan de dood is.

Heiner Müller: Overleven is ook een oplossing.

Uit: Die Zeit, 14/8/1987.
Vertaling: Kurt Vanhoutte

Sam Bogaerts voorzag zijn keuze van deze commentaar:

In het NRC-Handelsblad van 5 januari schreef Pieter Kottman naar aanleiding van het overlijden van Heiner Müller: ‘Ik durf te voorspellen dat Müllers werk, anders dan gebruikelijk na de dood van een schrijver, nauwelijks nog uitgevoerd gaat worden.’

Zo’n onnozele veronderstelling treft mij van voor én van achter. Van voor, omdat een beetje steun (beschouwing, inzicht, analyse, waardebepaling anders dan oppervlakkig,…) van professionele toneelkijkers de theatermakers kan helpen om ‘moeilijke’ teksten en onderwerpen toegankelijk te maken voor een breder publiek. Van achter, omdat het zinnetje impliceert dat wie ooit werk van Müller geënsceneerd heeft, zich liet leiden door een modieuze trend.

Gelukkig ben ik goed gepantserd tegen kinderlijk geweld. Van voor, door de boekjes Gesammelte Irrtümer (Verzamelde vergissingen; of is Gesprokkelde stommiteiten in dit verband een betere vertaling?), drie bundels vraaggesprekken met Müller, die ik elke professionele toneelkijker die het werk van Müller alleen maar cynisch en hermetisch vindt van harte aanbeveel als wc-lectuur; van achter door mijn slagzin ‘Ik ben zo wijs en zo slim als mijn toehoorder (-schouwer) kan begrijpen’.

Het fragment dat ik heb gekozen komt uit Anatomie Titus. Voor mij is het de poëtische samenvatting van een oeuvre.

gras barst de steen de muren krijgen knoppen

de fundamenten zweten slavenbloed

roofkattenadem waait in het parlement

met hete wolk met stank van kadaver

hyenaschaduw waart en giervlucht

door de lanen en bevlekt de zegezuilen

de panters springen geluidloos door de banken

alles wordt oever wacht op zee

in de modder van de riolering trompetten

de dode olifanten van hannibal

de spionnen van atilla stappen als toeristen

door de musea en bijten in het marmer

meten de kerken op voor paardestallen

en dwalen gulzig door de supermarkt

de roof van de koloniën die over een jaar

de hoeven van hun paarden zullen kussen

thuishalend in het niets de eerste wereld

Uit: Heiner Müller, Anatomie Titus Fall of Rome.
Vertaling: Sam Bogaerts

Ivo van Hove bezorgde ons de beginregels van Wolokolamsker Chaussee 1

Russische openbaring

We lagen tussen Moskou en Berlijn
In de rug een woud voor ons een stroom
Tweeduizend kilometer verder Berlijn
Honderdtwintig kilometer Moskou
In schuttersputten uit bevroren slijk
En wachtend op het bevel tot de aanval
En op de eerste sneeuw En op de Duitsers
Overdag hoorden we het front ‘s nachts zagen we het
De Duitsers hadden waaraan het ons ontbrak tanks vliegtuigen de
hoogmoed van de overwinnaar
Mijn soldaten hadden angst niets meer

Uit: Heiner Müller, Wolokolamsker Chaussee 1: Russische Eröffnung.
Vertaling: Ivo van Hove

Pol Dehert wist meteen welk tekstfragment hij wou laten afdrukken: de eerste paragraaf uit De opdracht.

Galloudec aan Antoine. Ik schrijf deze brief op mijn sterfbed. Ik schrijf namens mijzelf en namens burger Sasportas die opgehangen is in Port Royal. Ik deel u mee dat wij de opdracht terug moeten geven, die de Conventie ons via u gegeven heeft, omdat wij niet in staat zijn geweest de opdracht te voltooien. Misschien kunnen anderen meer uitrichten. Van Debuisson zult u niets meer horen, hij maakt het goed. Met verraders schijnt het goed te gaan als de volkeren in bloed waden. Zo steekt de wereld in elkaar en het is niet goed zo. Mijn excuses voor het handschrift; ze hebben mij een been afgezet en ik heb koorts terwijl ik u dit schrijf. Ik hoop dat deze brief u in goede gezondheid aantreft en verblijf met republikeinse groet.

Uit: Heiner Müller, De Opdracht. Herinnering aan een revolutie.
Vertaling: Marcel Otten

 

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#54

15.02.1996

14.05.1996

Heiner Müller

artikel