Dirk Pauwels

Leestijd 9 — 12 minuten

Manifest: Ze zien er zo gelukkig uit

Dirk Pauwels, artistiek directeur van Victoria, pleit geheel ten persoonlijken titel om het jeugdtheater af te schaffen.

‘Vrijwel iedereen heeft een mening, maar bijna niemand stelt vragen.’ (Ladalle)

De jeugdtheaters zagen er gelukkig uit toen de voormalige minister van cultuur – nog vóór de potjes verdeeld werden – meedeelde dat hij de jeugdteaters positief zou discrimineren’. Dat laatste zou zich vertalen in een subsidiair inhaalmanoeuvre waardoor een aantal jeugdtheaters zouden kunnen opereren als de ‘groten’, met min of meer te vergelijken middelen… En zo geschiedde ongeveer.

Zo omstreeks die tijd deed ik mijn intrede in deze jeugdige gemeenschap. Op zich had ik niet veel op met ‘het jeugdtheater’, maar, zoals men dat zo origineel pleegt uit te drukken: het was tijd voor een nieuwe uitdaging. Let’s go dus.

Mijn eerste cultuurschok kreeg ik toen het tot mij doordrong dat alle oude kompanen uit ‘het echte theater’ waar ik vroeger zo veel mee te maken had en waar ik zowel liefde als jaloezie mee deelde, rondom mij verdwenen waren en vervangen door anderen die ik minder goed of zelfs nauwelijks kende. Stuk voor stuk niet onaardige en ook geen onbekwame mensen, hoewel er hier en daar nog een enkeling rondliep waarbij het nonkel Bob en tante Terry-syndroom nog niet volledig uitgeblust leek.

We zijn nu alweer een paar jaartjes verder en ik merk dat de jeugdtheaters ondertussen nog altijd speelhuisjes zijn gebleven, zo ergens achterin de tuin. Speelhuisjes die niet, of slechts bij hoge uitzondering (en vaak door eigen schuld – inclusief dikke bult) opgenomen zijn in de globale podiumcontext. Ze hebben hun eigen bijeenkomsten, hun eigen colloquia, hun eigen organen, theateruren, prijzen en onderscheidingen (die ze aan zichzelf uitreiken) en ze organiseren hun eigen festivals – het prijskaartje dat eraan vast hangt is doorgaans minder groot dan bij die van de ‘grotemensentheaters’ – en ze hebben natuurlijk de scholen om het gerief aan te slijten. In het normale avondcircuit infiltreren ze maar moeizaam of zeer occasioneel. Beide terreinen blijven bijgevolg nogal hermetisch voor elkaar, ze hebben alleen de naam ‘theater’ gemeen. En zoals met alles in het leven: ook hier bevestigen de uitzonderingen de regel.

Ik heb natuurlijk gemakkelijk praten: Victoria is een gesubsidieerd jeugdtheater en toch heb ik alles wat kindjes betreft subiet als een appendix weggeopereerd. Een resolute keuze dus voor adolescenten en jongvolwassenen, én voor het motto dat theater zich het beste laat consumeren op tijdstippen waarvoor het van oudsher is bedoeld, namelijk na de dagtaak en bij wijze van ontspanning.

Het moet gezegd dat, voor ik in de jeugdsector intrad, door een aantal voorgangers serieus en toegewijd aan de weg is getimmerd om het jeugdtheater te verheffen tot een niveau, vergelijkbaar met dat van het volwassenentheater. (Het au-sérieux-willen-genomen-worden-offensief).

De vraag blijft natuurlijk in hoeverre zich, na deze (financiële) nivellering, een wérkelijk emancipatorische golf heeft doorgezet in deze sector.

Ik stel vast, tenzij iemand mij het tegenovergestelde kan aantonen, dat er sinds geruime tijd een zekere lethargie heerst in jeugdtheaterland. Die wordt, naar mijn bescheiden inzicht, vooral veroorzaakt door de mentaliteit van zelfgenoegzaamheid bij allen die er van ver of van dicht mee te maken hebben. De oogst is blijkbaar binnen en men laaft zich vooral aan de vaste, bijna principiële afname van de goederen, alsof het maken en produceren van theater niet meer inhoudt dan dat.

Sedert mijn intreden is er namelijk maar weinig structureels veranderd, weinig nieuws bedacht, en ik heb evenmin het gevoel dat daar ook maar iemand last van heeft…

Ik merk niets van een hoogstnoodzakelijke radicale discussie over het wezen van het jeugdtheater of zijn werkelijke plaats in het veld, noch van een termijnvisie voor de toekomst van de sector binnen het globale plaatje. Of het ware natuurlijk dat er geheel buiten mijn weten om, ergens in de catacomben, toch een beweging zou zijn ontstaan die in een sfeer van samenhorigheid en solidariteit een dergelijk overleg voorbereidt. In sporttermen gesteld: het is gewoon nodig samen van onze sector iets krachtigers en interessanters te maken dan een jeugdploeg die altijd maar op eigen veld voor eigen supporters speelt…

Als we er binnenkort geen werk van maken om de verroeste krukassen tussen de versleten thuishaventjes eindelijk eens te vervangen, zou het wel eens kunnen dat het jeugdtheater het nieuwe millennium tegemoet gaat als een gammele automobiel met een reeds meermaals vruchteloos gereviseerde motor.

Het is toch onwaarschijnlijk paradoxaal – of overdrijf ik weeral, dat uitgerekend die mensen die beroepsmatig vanaf de voorlinie door creativiteit zouden moeten worden gedreven en bezeten zijn, en van wie toch verwacht zou mogen worden dat juist zij voortdurend de vibraties en veranderingen in de maatschappij teweegbrengen, zichzelf zijn gaan inbetonneren in wat ze voorheen met zoveel lef hebben verworven. Is dit simpelweg een symptoom van vermoeidheid (er zijn stilaan heel wat veertigplussers onder ons) of is er iets meer aan de hand?

Het is goed mogelijk, nu ik openlijk het pad van de controverse kies, dat een aantal mensen uit het vak terecht en met te begrijpen verontwaardiging zullen argumenteren en aantonen dat er (door hen) wél initiatieven zijn ondernomen om een aantal dingen te doorbreken. Dat zal wel: ook ik zal niet nalaten mijn eigen huis als model op te voeren om mijn opvattingen te staven. De vraag blijft echter of dit wegneemt dat alle goedbedoelde en grensverleggende initiatieven weinig fundamenteels hebben bijgedragen tot de werkelijke ontwikkeling van een breed, coherent, dynamisch en solidair jeugdtheaterveld.

Langer dan een decennium al streeft de jeugdtheatersector én naar autonomie én naar een volwaardige plek onder de zon…

Het eerste hebben ze met brio bereikt, wat eigenlijk een beetje spijtig is, want het is naar mijn gevoel geen goede zaak autonoom te zijn als een annex van iets dat groter is, een sector die het jeugdtheater altijd zal blijven zien als iets dat kleiner is, iets dat in het beste geval een goede oefening of een springplank kan zijn voor ‘later’.

Ook al ontkent men het, het is nog steeds zo dat onze sector nooit deel mag hebben aan het grote, ware, echte theaterfeest. Deze scheiding der krachten is noch voor het jeugdtheater noch voor het volwassenentheater een goede zaak gebleken. Misschien – ik was er toen nog niet bij – was destijds de strijd voor een volwaardige autonome deelsector een eerste stap naar een tweede. In dat geval is het nu stilaan hoog tijd om de allerlaatste resten betutteling uit de weg te ruimen.

Over het tweede, het verwerven van een volwaardige plek onder de zon dus, kunnen we kort zijn: het is rigoureus mislukt. Het heeft enkel geleid tot het bemachtigen van een soort van kneuterig plekje in de schaduw, maar dat heeft dan weer alles te maken met het eerste punt.

Laat mij een poging ondernemen om terzake te komen: diegenen die zich al een tijdje in de diverse gebieden van het jeugdtheater ophouden zullen zich waarschijnlijk nog herinneren dat toen de culturele centra uit de grond schoten, een sluitend systeem werd bedacht om ook ‘de kleine man’ zonder moeite, geheel vanzelfsprekend en ook massaal naar het theater te loodsen.

Dat was een uitstekend plan: de afname werd gegarandeerd – de inkomsten waren navenant, de uitkoopsommen wel een beetje aan de lage kant, maar bon. Er werd één voorstellinkje om 10u00 ‘s ochtends gespeeld en ook nog eentje ‘s namiddags. Cultuurplicht volbracht en voor de gezelschappen werk op redelijk regelmatige basis.

Ook voor de scholen werkt het systeem voortreffelijk; meer dan een jaar vooraf wordt – in naam van de scholieren – een keuze gemaakt uit een op maat gesneden artistiek aanbod… Een goed geoliede machine dus. Doch, geen paniek, de scholen kunnen nog steeds beslissen om een voorstelling niet te laten doorgaan of om niet af te komen in het geval dat de voorstelling in kwestie niet zou blijken te stroken met hun filosofische overtuiging en/of normatief levensbeschouwelijk stelsel.

De verantwoordelijke gedupeerde, de maker himself, wordt bij een dergelijke beslissing bijna nooit betrokken en de culturele centra staan dan meestal voor een voldongen feit. De dag dat zij voor hun vast cliënteel moeten beginnen vrezen, zouden ze zichzelf wel eens een heel klein beetje precensuur durven toe te staan, de kerk – ge weet wel – in ‘t midden, nietwaar.

En de doelgroep, ja, de doelgroep die heeft daar zéker niets mee te maken, die missen uiteraard alle maturiteit om zelf te beslissen wat ze graag willen zien en wat niet. Ze mogen blij zijn dat er intermediairen bestaan die beroepsmatig beslissen welk soort theater het beste bij hen past en welke voorstellingen ze precies moeten consumeren. De criteria variëren wel een beetje, soms afhankelijk van de geografische inplanting van de organiserende instantie, soms ook van de ideologie.

Is er nu geen enkel argument dat voor dit zestigerjarenverschijnsel pleit? Is dit alles dan zomaar voor niets bedacht? Hebben schoolvoorstellingen geen nut (meer)? Moeten schoolvoorstellingen dan verdwijnen?

Het zou nogal doorzichtig zijn deze polemiek (laten we hopen) over theaterconsumptie voor jonge mensen te herleiden tot de simplistische vraagstelling of schoolvoorstellingen al dan niet moeten worden afgeschaft. Ik zie de lawine van overbekende educatieve en pedagogische argumenten al op mij afkomen.

Waarschijnlijk, en in bepaalde omstandigheden, zijn schoolvoorstellingen erg nodig, meer nog, ze zouden een belangrijk onderdeel kunnen worden van een nieuw te bedenken fris, stoutmoedig en aan de tijd aangepast plan.

Theater, dames en heren, moet er zijn vanaf het ogenblik dat iemand er iets van begrijpt en wel tot aan het intreden van de seniliteit. En het is de schone opdracht van alle cultuurspreiders en -colporteurs om dit adequaat te realiseren, zodat iedereen uit vrije wil, aangepast aan de eigen mogelijkheden, behoeften en smaak kan worden ‘bediend’. Deze mooie, utopische gedachte kan echter slechts in de praktijk worden gebracht wanneer de jeugdprogrammering een volwaardig deel wordt van het globale theaterveld. Dit houdt ook in dat de discussie rond deze materie fundamenteel zou worden gevoerd — een mogelijkheid die ik uiteraard al bij voorbaat betwijfel – en dat allen die het theaterveld in Vlaanderen modelleren bondgenoten/gesprekspartners moeten worden. Dat er in dat verband gesprekken worden gevoerd tussen het Paleis en het Toneelhuis in Antwerpen is bijvoorbeeld al zeer betekenisvol. Ook de overheid, in de veronderstelling dat ze in dit naïef plan zou geloven, zou een cruciale rol kunnen spelen in deze complexe materie.

Louter mathematisch bekeken beschikken we per week over drie dagen waarop voldoende ruimte zou kunnen worden gemaakt om complementair aan de avondprogrammering een jeugdprogrammering te ontwikkelen. In dit verband: mocht men het globaal aantal georganiseerde schoolvoorstellingen eens vergelijken met het aantal vrije theaterpresentaties, men zou wel eens tot behoorlijk beschamende conclusies kunnen komen. En ook hier beste vrienden: de uitzondering etc…

Statistisch gezien mogen al diegenen die in het schoolcircuit de dienst uitmaken natuurlijk een grote pluim op hun hoed steken; op jaarbasis worden duizenden en duizenden kinderen en jeugdigen aangevoerd en met het theater in contact gebracht. De vraag die hierbij kan rijzen is natuurlijk in hoeverre hier geen sprake is van enige marktvervalsing?

Iedereen uit het vak weet dat er in bepaalde buitenlanden een jeugdtheatercultuur bestaat waar jeugdvoorstellingen gewoon opgenomen worden in een globale, evenwichtig uitgebalanceerde programmering, en waar op woens-, zater- en zondagen kinderen vanuit alle lagen van de bevolking ‘en masse’ naar theater komen – weliswaar ook niet geheel vanzelf, maar kom.

Indien het alle betrokkenen menens is met een nieuwe ‘theaterkijkcultuur’ voor de jeugd, die aangepast is aan zowel normen als mentaliteit van jonge mensen van deze tijd, is het wel duidelijk dat een aantal heilige huisjes zal moeten sneuvelen.

Bij een grondige analyse van ons huidige ‘systeem’ zou wel eens kunnen blijken dat er eerder economische dan pedagogische argumenten ten grondslag liggen aan het feit dat het jeugdtheaterveld nooit echt serieus is omgeploegd.

Zo kan ik mij levendig voorstellen dat gezelschappen die 80 tot 90 % van hun voorstellingen in het schoolcircuit slijten mijn mening niet zullen delen. En ook die culturele centra met een drukke schoolprogrammering zie ik niet onmiddellijk applaudisseren voor wat ik hier neerschrijf.

Tenzij natuurlijk dat er onder deze collega’s ook zijn die, zoals ik, vinden dat het allemaal een beetje saai aan ‘t worden is en dat het eens hoog tijd wordt om aan een nieuw, stoutmoedig plan te werken. Natuurlijk zal er een beetje aan onze gevestigde opvattingen en artistieke mentaliteit moeten geschaafd worden… De gedachten zullen rijker moeten zijn dan onze zorgen omtrent de praktische en materiële gevolgen eigen aan iedere omwenteling.

Maar, dat vooral niemand zich zorgen maakt, want het is slechts een droom. De noodzakelijk discussie die deze polemiek zou moeten opleveren zal toch niet gevoerd worden, want er is moed, veel moed nodig om al wat je hebt opgebouwd in vraag te durven stellen. Nochtans durf ik met stellige zekerheid te beweren dat het allemaal veel ‘boeiender’ kan. Zolang we niet het lef hebben iets nieuws te bedenken, moeten we ermee stoppen ons af te vragen hoe het komt dat er zo weinig (interessant) jeugdtheateraanbod is, en moeten we ons ook niet afvragen of en waarom pas afgestudeerde acteurs geïnteresseerd zijn in het jeugdtheater en of ze er al dan niet willen in werken. Ik ben er overigens van overtuigd dat als het veld aantrekkelijker wordt er vanzelf een nieuwe generatie mensen zal opstaan die zich zullen geroepen voelen het allemaal weer een beetje boeiend en fris te maken.

Maar ja… Zoals Jo Roets van Blauw Vier zei: “s Morgens om tien uur al te moeten sterven is noch voor diegene op de scène noch voor diegenen die ernaar moeten kijken een aangename bezigheid.’

Tiens, ik vraag mij opeens af waarom ik mij hier nu zo dik aan ‘t maken ben? Victoria vaart op zijn eentje zijn eigen koers en bepaalt zelf in welke omstandigheden het wil en niet wil opereren; we treffen onze doelgroep waar we hen moeten hebben, en we zijn gelukkig.

Maar, wij hopen natuurlijk van iedereen hetzelfde… Waar het hart van vol is, ziet u… en, mocht alles nu eens ten gronde worden omgeploegd en een beetje ‘juister’ gesitueerd, wie weet zouden wij dan ook misschien onder het gekende voorbehoud eens een schoolvoorstellingske willen spelen, en wie weet zouden wij misschien ook (weer) voorstellingen maken voor kinderen. Maar, zover zijn we nog niet. Toch nog eens duchtig klappen eerst.

Gelukkig, het moet gezegd, zijn er onder ons nog enkele witte raven die er evenzeer van overtuigd zijn dat het allemaal niet echt meer klopt en zo. Misschien wordt het wel tijd dat we hen ook eens gaan hóren…

 

statement
Leestijd 9 — 12 minuten

#63

15.03.1998

14.06.1998

Dirk Pauwels

Dirk Pauwels is een Belgisch theatermaker -en producent. Van 2008 tot 2011 was hij artistiek directeur van CAMPO.  

statement