Stef Ampe

Leestijd 8 — 11 minuten

Manifest: De slag om geld, hondenpoep en Schone Kunsten

Stef Ampe, directeur van het Gentse Nieuwpoorttheater, houdt een pleidooi voor een gezond en ethisch verantwoord discours over de besteding van de financiële middelen. En vindt dat de sector eerst in eigen boezem moet kijken.

2001-2005

De volgende subsidieronde dient zich aan en alle gegadigden maken zich op voor de subsidieslag. Inzet is de vierjarige financieringsenveloppe voor de periode van juli 2001 tot en met juni 2005. Pittig detail is dat, voor het eerst, alle dossiers tegelijk moeten ingediend worden en dit per 1 november 1999. En dat gaat over veel geld, zéér veel geld. Een eerste veldslag werd intussen geleverd. Het Decreet op de Podiumkunsten onderging een paar wijzigingen. Alhoewel men de kwantitatieve normen hier en daar afzwakt, blijft het bij een – naar mijn smaak – te technische en te administratieve benadering. We ‘zagen’ nu al bijna tien jaar over de noodzaak om de schotten tussen teksttheater, danstheater, muziektheater en kunstencentra in dat Decreet open te breken. Veel verder dan de obligate lippendienst aan die zogezegde noodzaak geraken we blijkbaar niet. Dat is jammer, maar tegelijk relatief. Het Decreet is immers niet meer, ook niet minder, dan ‘regelgeving’ om aan ‘cultuurpolitiek’ te doen.

Laten we niet uit het oog verliezen dat de regelgeving op de podiumkunsten altijd achterop hinkt op de praktijk. Dat was in ’74 en ’93 zo, dat is nu opnieuw zo, dat zal in de toekomst ook zo zijn: op het moment dat een nieuw Decreet onder druk van een dynamisch landschap gestemd wordt, incorporeert het de voordien ontwikkelde praktijk en is dus meteen achterhaald. De uitdaging voor advies- en subsidieverstrekkers is steeds of ze zich naar de letter van de wet gedragen of, integendeel, bijdragen tot de bevraging van het institutionele, wetgevende kader. Ik heb de stellige indruk dat – méér dan bij de vorige subsidieronde -het beleidsvoorbereidende werk van adviesraden en administratie aan betekenis kan winnen.

Die vorige subsidieronde vond plaats in de context van een nieuw decreet, uitzicht op meer middelen (o.a. voor tewerkstelling via de Collectieve Arbeidovereenkomst), een minister die er voor ging,… Het door adviesraden geleverde huiswerk werd grosso modo gevolgd, lelijke uitschuivers niet te na gesproken; uitschuivers die overigens eerder op conto van de Vlaamse Regering dan van minister van Cultuur Luc Martens moeten geschreven worden.

De context nú is anders. De grote lijnen van het Decreet bleven onveranderd, de financiële middelen stagneren, de rol van adviesverstrekkers en administratie is grondig anders gedefinieerd. In het najaar maakt bovendien een nieuwe minister van Cultuur zijn opwachting, mogelijk van een andere kleur, mogelijk binnen een anders samengestelde coalitie. Ten slotte laat het zich raden dat, indien we op 13 juni 99 een tweede Zwarte Zondag meemaken, de prioriteiten van de Vlaamse Regering elders zullen liggen dan bij de Schone Kunsten. Jammer voor de Liefhebber in ons, maar hondenpoep draagt meer bij tot het gevoel van onveiligheid bij de burger dan dat de Schone Kunsten dat doen.

Met dit alles kan ik mij, nogmaals, niet van de indruk ontdoen dat het beleidsvoorbereidende werk meer dan ooit van belang is. Op de schouders van adviesraden en administratie ligt daarom de zware verantwoordelijkheid de antwoorden die de sector op het terrein zelf aanreikt ernstig te nemen.

Met scherp

Op dat terrein vechten de troepen ondertussen menige veldslag uit. Kijk daar: ze schieten zelfs met scherp. Het Toneelhuis in Antwerpen geldt nu eens als ideaal, dan weer als te verguizen model voor respectievelijk het Gentse ntg en de Brusselse KVS. Er kan veel over Het Toneelhuis gezegd worden. Mij moet van het hart dat ik de hele operatie veel liever in Gent met Blauwe Maandag Compagnie en NTG had zien plaatsvinden: het zou Het Toneelhuis ongetwijfeld veel kopzorgen en verkeerde gevechten bespaard hebben. Voor de rest moet men over het door Het Toneelhuis gevoerde beleid niet te veel zaniken. Het eerste seizoen is nauwelijks rond en de mensen die Het Toneelhuis leiden, zijn verstandig genoeg om hun beleid gestadig bij te sturen. Tegelijk vind ik absoluut niét dat Het Toneelhuis als hét enige referentiemodel moet gaan dienen. Men ziet al te makkelijk over het hoofd dat Het Toneelhuis nü het resultaat is van een jarenlange praktijk die Blauwe Maandag Compagnie aanvankelijk vanuit de marge en gaandeweg meer en meer in het centrum ontwikkelde.

In Gent onderhandelde het ntg, geïnspireerd door het model van Het Toneelhuis, over een grote fusie tussen NTG, Arca en Kopergietery/Speeltheater. Aan die onderhandelingstafel wou het niet vlotten (dixit NTG-baas Jean-Pierre De Decker). Toen tot overmaat van ramp Arca en Nieuwpoorttheater wel tot een akkoord kwamen, bleek dat Nieuwpoorttheater, waar ik zelf werk, plots de grote dwarsligger. Althans, dat vernam ik samen met u via de media. Het is maar dat u het weet: met Nieuwpoorttheater zaten we geen seconde, ook geen centimeter aan die geciteerde onderhandelingstafel. Daarentegen ging aan het tussen Arca en Nieuwpoorttheater bereikte akkoord vier volle maanden onderhandeling vooraf. Daarbij tastten de partijen grondig de modaliteiten af van een mogelijke samenwerking – géén fusie, zo stelden de betrokkenen duidelijk.

De mythe van de fusie

De nuchtere vaststelling dat de middelen van overheidswege stagneren, laat staan zullen toenemen, noopt de sector tot het zoeken van antwoorden op het terrein zelf. Op zich is daar niets verkeerd aan. Het debat over de financiële middelen en hoe die moeten ingezet worden is een volstrekt legitieme aangelegenheid. Maar tot nu toe hebben we ons daar met zijn allen weinig mee ingelaten. De collectieve roep om meer geld kon er nog net door. Maar de stap verder, met name het discours over hoeveel meer geld, en vooral hoe dat dan moet besteed worden, hebben we nooit durven zetten. Nochtans ben ik ervan overtuigd dat we in staat moeten zijn te berekenen wat het ‘theaterbedrijf’ kost. Dat lijkt mij alvast een meer realistische benadering dan het boudweg lanceren van de fusie als zaligmakende oplossing.

Wat mij tegenstaat is dat een (juridische) fusie een ondertoon van rationalisering en schaalvergroting in zich draagt. Het samen gooien van, pakweg, boekhoudingen, spots en wagenparken zou het theaterbedrijf goedkoper en effectiever maken. Dat moet voor mijn part nog bewezen worden. Het grootste gemeenschappelijk kenmerk van de theaterbedrijvigheid is dat ze zeer arbeidsintensief is. Bij een beetje productie doe je toch al snel een beroep op behoorlijk wat mensen. Om hun ding te maken en te spelen zijn ze daar snel een paar maanden zoet mee. Die arbeidsintensiteit kost veel geld, zodat het mogelijk kostenbesparend effect van een fusie zwaar moet gerelativeerd worden.

Het begrip fusie zou wel eens gevaarlijke proporties kunnen aannemen. Het gevaar is niet denkbeeldig dat boekhouders en zakelijk leiders (mea culpa) het de overheid makkelijk maken door allerlei constructies op te hoesten die het perfecte alibi vormen om ook deze sector te gaan rationaliseren. En blijft dan voldoende ruimte voor initiatieven die niet zozeer op expansie maar op kwaliteitsverbetering gericht zijn? Het is toch geen schande om te poneren dat we niet méér, maar vooral béter werk moeten afleveren? En ligt hier niet het begin van een antwoord op de jarenlange klaagzang van de sector?

Productie- en presentatiedwang

De sector klaagt nu al een hele tijd steen en been over de zogeheten productie- en presentatiedwang. In mensentaal: de producenten klagen dat ze te veel voorstellingen moeten maken en dat ze die te veel moeten spelen. Ze wijzen daarbij de beschuldigende vinger vooral in andermans richting: overheden zouden vooral kwantitatieve normen opleggen, theaterbureaus de markt vervalsen, afnemers te veel op veilig spelen,…

Wordt het, nogmaals, niet hoog tijd dat we de hand in eigen boezem steken en het debat over de financiële middelen zelf aanzwengelen? Kunnen we niet, om te beginnen, aan de advies- en subsidieverstrekkers reële begrotingen voorleggen i.p.v. twee keer te veel te vragen om dan de helft te krijgen? En waarom cultiveren we de onhebbelijke gewoonte om, een keer de subsidie toegezegd, daar twee keer zoveel voor te doen dan ons eigenlijk gevraagd wordt? Moeten we dus eerst niet zelf afstappen van de perceptie dat de kwantitatieve normen uit het Decreet per definitie minimumnormen zijn? Om dan een fundamentele beleidsdiscussie aan te gaan over wat je met het door de overheid toegekende geld werkelijk kan aanvangen.

Ik vind dat ik een zeker recht van spreken heb. Ik ben inmiddels aan mijn derde ‘carrière’ toe en het is me ook drie keer overkomen dat ik met een andersoortig discours ook meteen in het financiële verdomhoekje terechtkwam. Wel, dat is triestig. Tweede helft de jaren ’80 toog ik in Gent aan de slag met Guy Cassiers in Oud Huis Stekelbees (nu Victoria). Begin de jaren ’90 stapte ik over naar de Brusselse Beursschouwburg. En sinds half ’96 ben ik opnieuw bezig in Gent, nu met Johan Dehollander en Arne Sierens voor het Nieuwpoorttheater.

Ik mag er de lezer attent op maken dat ik nooit een zinkend schip heb verlaten, wel integendeel. Maar, om in de maritieme beeldspraak te blijven, de beste stuurlui – van de collegae, over de theaterkritiek tot en met de beleidslui – bleven wel aan wal staan. Toen ik met Cassiers in Gent begon, kreeg ik te horen dat het met Cassiers (die toen nog niets ‘bewezen’ had) nooit wat zou worden. Toen ik in Brussel begon, kreeg ik te horen dat ik de Beursschouwburg kapot maakte. Toen ik met Dehollander en Sierens in Gent begon, kreeg ik te horen dat dit toch wel een smalle basis was. Doorheen die drie ‘carrières’ loopt voor mijzelf een opvallend rode draad. Samen met mijn kompanen maakte ik in de drie gevallen telkens opnieuw hetzelfde mee: de buitenwacht reageerde aanvankelijk fundamenteel argwanend, legde gaandeweg meer begrip aan de dag, om uiteindelijk zijn appreciatie uit te drukken voor het afgelegde traject. Voor het na vijf jaren keihard werken zover was, had ik al een andere horizont gekozen. Niet omdat het niet goed ging, wel omdat mijn werk er gedaan was. Maar zelfs dat – dat je je stoel op tijd vrijmaakt voor anderen – word je niet altijd in dank afgenomen. En dat je individuele verdere stap van een andere orde kan zijn dan hoger op de prestigieuze ladder, tja, dat kan er al helemaal niet in. Buitenstaanders kijken dan ook raar op, wanneer ik zelf stel dat het Nieuwpoorttheater het moeilijkste is van wat ik ooit gedaan heb. Misschien is het door mij afgelegde parcours te particulier om daar generaliserende uitspraken aan te verbinden. Ik stel alleen vast dat een dergelijk parcours je een veel kwetsbaarder positie oplevert dan zo lang mogelijk een zelfde constellatie aan te houden en je zo van een steeds toenemende subsidie te verzekeren.

De enige objectiverende verklaring die ik kan vinden, schuilt in de behoudsgezindheid van het theaterveld. Deze behoudsgezinde, soms ronduit conservatieve reflex, maakt het je niet gemakkelijk om dit soort fundamentele keuzes te maken. Ik herhaal: drie keer is het me overkomen dat ik met een andersoortig discours in het financiële verdomhoekje terechtkwam. Dat is triestig omdat je net op dat moment de financiële middelen nodig hebt om te investeren. Zodat zich iets kan ontwikkelen om na verloop van tijd het nodige artistieke en financiële rendement op te brengen. De boutade dat het makkelijker is een subsidie te verwerven dan er vanaf te geraken, is één ding. Maar waarom subsidies per definitie lineair moeten groeien, is mij een raadsel. De in zwang zijnde lineaire benadering kent m.i. artistieke, noch financiële gronden. Waarom zou een nieuw initiatief artistiek minder spannend zijn en financieel minder kosten dan een reeds gevestigd initiatief?

Het liegen in ontbinding

Met dit alles pleit ik voor een gezond en ethisch verantwoord discours over de besteding van de financiële middelen. De sector is mans genoeg om dat discours met andere dan alleen maar rationele, cijfermatige, lineaire en expansieve criteria te voeden. De advocaat van de duivel in mij waarschuwt voor een puur kwalitatieve benadering die de deur naar een hypersubjectieve aanpak wagenwijd openzet. Dat hoeft niet zo te zijn. Elke weldenkende instelling moet toch in staat zijn voor zichzelf het traject uit te stippelen dat ze de komende jaren wil afleggen. Welke doelstellingen ze vooropzet en welke middelen ze daarvoor nodig heeft. Net zoals de sector zelf niet gebaat is met ondersubsidiëring, is de overheid dat niet met oversubsidiëring. Het komt er op aan over het uitgestippelde traject op een transparante manier te onderhandelen met adviesraden en administratie. De uitkomst van die onderhandeling moet resulteren in een adequate subsidieverstrekking waarbij beide partijen het eens zijn over de consequenties. Dat vergt moed van de sector: we zullen moeten ophouden de overheid voor te liegen dat we met minder middelen hetzelfde traject kunnen afleggen. Dat vergt moed van de overheid: ze zal moeten ophouden met voor te liegen dat ze deze sector, net zo min als de samenleving, kan sturen vanuit het principe van de ‘maakbaarheid’. Jammer voor de overheid, maar het zal toch weer anders uitpakken.

statement
Leestijd 8 — 11 minuten

#68

15.06.1999

14.09.1999

Stef Ampe

Stef Ampe begon aan de zijde van Guys Cassiers bij Oud Huis Stekelbees (Gent). Daarna werkte hij voor kunstencentra Nieuwpoorttheater (Gent), Beursschouwburg (Brussel) en Compagnie Cecilia en HETPALEIS (Antwerpen).

statement