© Danny Willems

Leestijd 3 — 6 minuten

Malus – Igor Shyshko, Logan Lopez Gonzalez, Alain Franco / Kunst/Werk, De Munt & KVS

Lichamelijke zelfexpressie, bewegingsonderzoek, het lichaam ‘musicaliseren’…: het zijn bekende motieven binnen de professionele dans. Ondertussen raakte ook de discursieve wending ingeburgerd. Die zet het lichaam in als communicatiemedium, vaak in combinatie met andere media. Het babbelende lichaam spreekt, kritisch of ironisch, over hoe het maatschappelijk wordt betekend door gendercodes, raciale ongelijkheid of consumptieve lifestyles die altijd ook lijfstijlen zijn. Malus zit in een heel andere traditie, een die binnen de dans minoritair is maar daarbuiten in vele varianten sterk staat: het lichaam methodisch de-subjectiveren.

Bij het begin van de voorstelling creëren performer Igor Shyshko, die lange tijd bij Rosas danste, en de jonge contratenor Logan Lopez Gonzalez een vraagteken. Ze stappen gelijk op of staan stil, met de rug naar het publiek: wat zal er dan soms verder nog gebeuren? Bewegingen volgen, uiteraard, maar binnen een niet-dansant register. Terwijl Gonzalez blijft stilstaan, herhaalt Shyshko met zijn lange lichaam ritueel aandoende stretchbewegingen: het bovenlichaam, gezeten op de knieën, langzaam vooroverbuigen, of het rechtopstaand traag uitrekken. Eenvoudige handelingen – maar hun behoedzame uitvoering vereist een hoge mate van concentratie en spant het lichaam op tot een levend canvas waarop microscopische trillingen verschijnen en verdwijnen. Het begin van Malus roept inderdaad een sacrale sfeer op: kijken we naar yogaoefeningen?

Door haar onnadrukkelijkheid vestigt de openingsscène de aandacht op de niet-menselijke actoren die mee de voorstelling schragen: de atmosferische clair-obscur belichting van Caroline Mathieu; de twee scenografische objecten van Kathleen Vinck, die elkaar aanvullen door de juxtapositie van hangen en liggen, voor en achter, links en rechts; de kostuums, eveneens van Vinck, die de aanvankelijke religieuze ondertoon bekrachtigen: een yogi-broekje (Shyskho), een priesterachtig gewaad (Gonzalez – later in de voorstelling draagt ook Shyskho er een, zij het van deconstructieve snit).

De briljante muzikale montage van Alain Franco dwarst van meet af aan de sacrale sfeer. Ze creëert een filmisch klanklandschap door de afwisselend ingehouden en schelle, soms neutrale en dan weer dramatisch aandoende mix van elektronica, alledaagse geluiden, koorgezang, orkestrale kitsch… De logica van de breuk regeert: discontinuïteit als continuïteit, maar zonder echt abrupte overgangen. De muziekscore is middelpuntvliedend maar tegelijk systematisch, fragmentarisch en toch consistent. De samenhang zit vooral in de weerkerende suggestie van een latente dreiging – een naderend debacle dat zodanig nabij is dat we het eigenlijk al bewonen. Muziek als affectgerichte retoriek, los van direct effectbejag: klankcombinaties als sonore gemoedswisselingen die geen verhaal oproepen, maar elk op zich een narratief fragment zijn.

De sacrale stemming kantelt wanneer Gonzalez begint mee te zingen en bewegen met een vermalen versie van La vie en rose. De bewegingen van Shyshko, gemaakt voor de rechtopstaand zingende Gonzalez, blijven echter in het rituele register. Voorovergebogen schudt hij het bovenlichaam en de armen, die hij ook regelmatig kort om de schouders slaat. Bestraft hij zich zelfzelf voor begane zonden (malus verwijst naar het kwade en zondige)? Dans als boetedoening? Die connotatie verandert door het herhaalde uitputten van het lichaam in een boventoon. Shyshko die bijvoorbeeld ritmisch hinkelt, van achteraan naar vooraan het podium en terug: een kinderspel dat door de herhaling in een uitputtingsslag verandert. Tegelijk blijft die wedkamp met zichzelf ludiek en schalks, op het humoristische af. Het opvallendste contrapunt in de voorstelling is is de scène waarin Shyshko geconcentreerd heupwiegt in synchronie met de muziekscore: queering the body, zodanig zelfbewust dat de dans de geladenheid van voorstelling even volledig laat imploderen – waarna Shyshko opnieuw het register van het fysiek naar binnen keren opzoekt. Want dat is de hoofdtoon, met of zonder sacrale bijtonen: hier danst een lichaam dat tot inkeer wil komen, dat de eigen identiteit probeert te overstijgen.

De choreografie van Malus houdt consequent vast aan de mediale scheiding tussen stem, muziek en beweging. De contratenor beweegt regelmatig mee, schijnbaar unisono maar vaak in een gebroken spiegelverhouding met Shyshko omdat Gonzalez door minutieuze verschuivingen de mimesis subtiel verstoort. Zijn versterkte stem krijgt in de voorstelling een eigen plaats: het zingen haakt in op de soundscape, maar met eigen accenten die de autonomie van tekst en stem benadrukken. De klanken begeleiden of omwikkelen de stem, contrapuntisch of harmonisch – maar de stem leidt, zonder dat daarbij de muziek in een loutere hulpbron verandert. Meermaals lijkt de contratenor al zingend door een klanklandschap te wandelen dat hem afwisselend aanspreekt en onverschillig laat; diezelfde verhouding van afstand en nabijheid kenmerkt de wisselwerking tussen stem en dans.

Met aftrek van de religieuze connotaties is het danswerk in Malus een reeks oefeningen in gecontroleerde zelfondermijning: doorheen de aandachtige herhaling van eenvoudige bewegingen het ego beetje na beetje uithollen, tot het in het lichaam verdwijnt – niet extatisch, maar als langzaam uitgeperste materie. Het geeft de voorstelling meteen een context. Van oeroude religieuze rituelen tot bepaalde vormen van hedendaagse techno: de dansgeschiedenis, in de brede antropologische betekenis, omvat een belangrijke onderstroom waarin de fysieke productie van zelfvergetelheid staat. Deze traditie draait rond het creëren van een lichamelijke grenservaring die de-subjectiveert, tot op het punt dat het ik oplost in een anonieme lichamelijkheid van de orde van het loutere ‘er-zijn’.

Veel, niet alle, hedendaagse dans staat in het teken van identiteitsbevestiging, zonder (ik) of met politiek (wij) voorteken. De dans in Malus gaat radicaal voor het identiteitsverlies, de grenservaring van de ontlediging – van het lichaam als pure potentialiteit: een lichaam dat alles kan maar niets wil.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!