Artiesteningang: Lien Thys
Lien Thys
‘Woyzeck’, RO Theater © Leo van Velzen
Het onafgewerkte toneelstuk Woyzeck van de jonggestorven Duitse schrijver Georg Büchner (1813-1837) blijft fascineren. De recentste Nederlandse enscenering, afgelopen najaar voor het RO Theater, was van Gerardjan Rijnders. Dramaturg Tobias Kokkelmans hield voor Etcetera een repetitiedagboek bij.
25 augustus 2008. De eerste repetitiedag.
Vandaag begint Gerardjan Rijnders’ engagement als vaste gastregisseur bij het RO Theater. Zijn eerste productie, Georg Büchners Woyzeck, is meteen ook een kleine reünie. Het team van ontwerpers dat hij heeft meegenomen, zijn collega’s van de vroegere Toneelgroep Amsterdam. Aan een lange leestafel schuiven Janine Brogt (vertaling en dramaturgie), Rien Bekkers (kostuums), Reinier Tweebeke (licht) en Paul Gallis (decor) aan.
Zes acteurs telt de cast. Rogier Philipoom zal Woyzeck spelen, Fania Sorel zijn geliefde Marie, Bart Slegers zijn kompaan Andres, Michiel Blankwaardt zijn rivaal de Tamboer-Majoor, Marc Decorte zijn zenuwlijdende Kapitein en Jacqueline Blom zijn fanatieke Dokter.
Dit zijn de belangrijkste rollen, maar omdat de personagelijst van de tekst veel langer is, zal er gedubbeld moeten worden. Gerardjan Rijnders geeft aan dat het besluit over de resterende rollen zich tijdens het repetitieproces zal aandienen. Eén personage zal in elk geval niet door een acteur ingevuld worden, maar door een pop: het kind van Woyzeck en Marie.
Het decorontwerp van Paul Gallis heeft als uitgangspunt twee op het publiek gerichte tribunes die samen een halfronde cirkel vormen. De betekenis van deze ruimte is meerduidig. Rijnders somt een aantal mogelijkheden op: een auditorium van een anatomische les? Een circusterrein? Een kroeg? Deze tribunes zullen overvleugeld worden door een immens zeil van een circustent, dat zich in de loop van de voorstelling steeds verder uitvouwt. Hoe deze tentconstructie precies gebruikt gaat worden, en of dit idee überhaupt zal werken, kan pas laat in het repetitieproces aan de orde komen. De huidige repetitieruimte is te klein om het zeil op te hangen.
Rijnders licht toe: ‘Ik denk aan de sfeer van een armzalige kermis, bij wijze van spreken met twee poedels en een schaap. Woyzeck is een eenvoudige soldaat. Om rond te komen, moet hij er veel baantjes bij nemen en rent hij dus van hot naar her. Zoiets zie je nu nog in een stad als New York, maar ik moet ook sterk denken aan bijvoorbeeld Poolse arbeiders die in Nederland de kost verdienen. In de portieken van het centraal station in Amsterdam kun je geregeld muzikanten uit het voormalige Oostblok aantreffen. Hun muziek is prachtig, maar ook heel treurig.’
Op het podium zal Rijnders diezelfde sfeer zoeken, onder andere met behulp van vier muzikanten. Aanvoerder is de Moldavische accordeonist Oleg Fateev, geflankeerd door Jasper Leclerc (viool), Dion Nijland (contrabas) en Tobias Klein (klarinet). Repertoire uit Oost-Europa is uiteraard een gegeven, maar ook nieuwe composities en arrangementen zullen de ruimte krijgen. Een ander aanknopingspunt, en niet in de laatste plaats, zijn de volksliedteksten die Büchner in Woyzeck veelvuldig heeft gehanteerd. Rijnders: ‘De muziek speelt een verbindende rol in en tussen de scènes. Woyzeck maakt als het ware een reis en ontmoet steeds andere personages. De muzikanten begeleiden hem op die reis.’
De kostuumontwerpen van Rien Bekkers gaan verder in op het Balkanmotief. Zo kan de kleding van de muzikanten met Romazigeuners geassocieerd worden. Opmerkelijk is de aanwezigheid van schmink: slordig witgekalkte gezichten, brokkelig oogzwart en morsige lippenstift. Bekkers heeft zich laten inspireren door de schilderijen van Marlene Dumas, die haar portretten altijd in een uitvergrote, troosteloze werkelijkheid plaatst: vlekken, vegen, grove zwart-witcontrasten en uitgelopen Oost-Indische inkt rond oogkassen die als zwarte gaten de toeschouwer het canvas in zuigen.
26 augustus 2008. Regisseur, dramaturg en acteurs lezen en analyseren Büchners tekst.
Janine Brogt neemt het voortouw door thema’s en passages nauwgezet te duiden. Gerardjan Rijnders geeft eerder aan welke passages of achterliggende ideeën hij het interessantst vindt. Het gesprek heeft een opvallend open karakter: acteurs krijgen alle ruimte voor eigen interpretaties, bedenkingen en vragen.
Woyzeck zegt tegen zijn kapitein: Ja, Kapitein, de deugd! Daar ben ik nog niet uit. Ziet u, wij gewone mensen, dan heb je geen deugd, dan overkomt het je allemaal zo, de natuur, maar als ik een heer was en ik had een hoed en een horloge en een lange jas en ik kon deftig praten, dan zou ik ook wel deugdzaam willen zijn. Die deugd, dat moet iets heel moois zijn. Maar ik ben een arme sloeber.
Later zinspeelt Woyzecks vriendin Marie op dezelfde gedachte:
Ons soort heeft maar een klein hoekje in de wereld en maar een stukje spiegel, maar toch is mijn mond net zo rood als die van grote dames met hun spiegels van top tot teen en hun mooie heren die hun hand kussen; ik ben maar een arme meid.
De groep discussieert. De teksten laten doorschemeren dat Büchner de moraal niet ziet als een universeel systeem van waarden dat de kloof in de sociale ladder zou kunnen dichten, maar eerder als een statussymbool dat die kloof juist in de hand werkt. Voor de kapitein is de moraal een machtsinstrument. Voor Marie is de moraal een onbereikbaar verlangen, een maatstaf waaraan zij niet kan voldoen en die alleen maar op haar onvolkomenheid wijst. Actrice Fania Sorel en damaturge Janine Brogt laten er geen twijfel over bestaan: Maries overspel met de Tamboer-Majoor is niet zozeer een teken van zwakte, niet een per definitie verwerpelijke, amorele daad. Het is eerder een ontsnappingspoging uit een impasse tussen de wereld die haar is toebedeeld en een voorgespiegelde, ‘betere’ wereld waarvan zij weet dat die nooit de hare zal zijn.
De gegoede burgers in Woyzecks universum hebben niet alleen bij voorbaat het morele maar ook het wetenschappelijke gelijk aan hun zijde. Büchner, zelf wetenschappelijk onderlegd als bioloog, moet zich flink hebben opgewonden over vakbroeders die wetenschap, status en macht met elkaar verwarden en zo een onrechtmatig patent op de waarheid dachten te hebben. Pseudowetenschap vond Büchner zo mogelijk nog erger. Woyzecks dokter laat zijn patiënt al drie maanden leven op een dieet van erwten, om ten overstaan van zijn studenten aan te tonen dat diens hartslag daardoor onregelmatig wordt. ‘Welk wetenschappelijk doel is daar nu mee gediend?’ vraagt Janine Brogt retorisch. Büchner maakt de karikatuur van de dokter compleet door hem het ene na het andere dure woord eruitte laten flappen (van ‘musculus constrictor vesicae’ tot het ‘centrum gravitationis’) zonder dat hij ook maar één waardevolle observatie doet. Büchner geeft de dokter een beter vocabulaire mee dan Woyzeck, die er met zijn gestamel maar niet in slaagt zijn gevoel onder woorden te brengen. Maar Woyzeck hééft in elk geval gevoel, de dokter is daarentegen zo hol als zijn frasen.
1 september 2008. Door Büchners ontijdige dood – 23 was hij toen hij stierf aan tyfus – is Woyzeck onvoltooid overgeleverd, in vier verschillende handschriften. Een definitieve, vijfde versie is nooit geschreven of nooit opgedoken. De kans dat deze daadwerkelijk bestaat, is ruim 170 jaar na datum zeer onwaarschijnlijk. Tot die dag, mocht hij ooit komen, zullen toneelgezelschappen het moeten stellen met ruim twee dozijn fragmenten waarvan de volgorde niet duidelijk is.
Gerardjan Rijnders had zich voorgenomen de loop van het repetitieproces de volgorde te laten uitwijzen. Sneller dan verwacht is die keuze al tijdens de eerste repetitiedagen gemaakt. De veranderingen ten opzichte van de script-versie die de acteurs op de eerste repetitiedag lazen, lijken in eerste instantie niet zo groot. Toch behelzen ze bij nader inzien een essentiële dramaturgische keuze. Rijnders en Brogt kiezen voor helderheid in de vertelling, een zuivere chronologie van de handeling. Zo zal bijvoorbeeld de relatie tussen Marie en haar Tamboer-Majoor nu stap voor stap ontluiken voor de ogen van het publiek: vanaf de eerste lonkende blikken, via het heimelijk overspel, via Woyzecks ontdekking van Maries ontrouw, tot aan de uiteindelijke confrontatie tussen de twee medeminnaars.
In een andere volgorde was er wellicht meer ruimte voor suggestie en spel van kennisachterstand tussen personages en publiek. Maar een dergelijke whodunit, waarin tijdspanne en perspectief vrij spel krijgen, is niet de voorstelling die Rijnders wil maken. Zijn keuze voor een eenvoudigere, maar in elk geval duidelijke oorzaak-gevolgstructuur was niet lastig. Volgens Rijnders is de vorm van de teksten zelf immers al abstract genoeg. Inderdaad, Büchners dialogen zijn uitgebeend, de scènes volgen een sober stramien waarin geen inkt verspild is aan lange introducties of uitleidingen. Elk fragment is als een snapshot, een momentopname waarin de essentie van de plot meteen aan de oppervlakte ligt. Gegoochel met de verhaalconstructie – overigens niet zonder precedenten in de opvoering-geschiedenis van Woyzeck – is er in Rijnders’ geval dus niet bij.
Nog erger vindt Rijnders het als regisseurs zich niet kunnen bedwingen om het karige stuk van onnodige opsmuk te voorzien. ‘Zo’n twee jaar geleden zag ik een enscenering van een IJslandse regisseur en een Londens gezelschap. Ik kon alleen maar denken: dat moet anders. In die voorstelling was er veel gedoe – keiharde popmuziek en zo – waardoor de hele tragiek van de figuur Woyzeck compleet aan mij voorbijging. Het gevaar van dit stuk is dat het zo kort is. Het is niet eens een stuk, het is een verzameling fragmenten die bij elkaar zo’n drie kwartier tekst opleveren. Dan is de verleiding groot om het geheel op te leuken met veel aankleding en effecten, ten koste van het verhaal. In onze versie proberen we het dan ook zo kaal mogelijk aan te pakken.’
De gebruikte vertaling van Janine Brogt is de tweede die zij van Woyzeck heeft gemaakt. Haar eerste, zo’n vijfentwintig jaar geleden, ging uit van het bondige vierde handschrift, het zogenaamde vorläufige Reinschrift. Wat ontbrak, vulde zij aan met materiaal uit de drie eerdere versies. In haar recente, tweede vertaling – die er overigens met zesentwintig scènes twee meer bevat dan de oude – vormen juist de eerdere handschriften het uitgangspunt, omdat de dialogen daarin vaak net iets uitgebreider zijn. Ze bevatten volgens Brogt ‘meer vlees op de botten van de taal’. Wat het Reinschrift voorheeft op de eerdere handschriften, is een zekere snelheid en daarmee een meer uitgesproken fragmentarisch karakter. Toch is Brogt er met deze nieuwe, rijkere vertaling van overtuigd dat snelheid sowieso gewaarborgd blijft, puur en alleen al door het dwingende stramien waarin Büchner zijn scènes heeft geschreven.
Büchners dialogen zijn uitgebeend, de scènes volgen een sober stramien waarin geen inkt verspild is aan lange introducties of uitleidingen. Elk fragment is als een snapshot, een momentopname waarin de essentie van de plot meteen aan de oppervlakte ligt.
8 september 2008. Dat Gerardjan Rijnders tijdens repetities nooit iets zegt en zijn acteurs alles maar laat uitzoeken, is een buiten alle proporties opgeblazen mythe. Sterker nog, hij gaat juist zeer gedecideerd te werk. Actrice Jacqueline Blom: ‘Gerardjan laat je weliswaar behoorlijk vrij, maar houdt tegelijkertijd sterk vast aan wat hij wel en niet wil. Als ik tijdens een repetitie een goede blik, beweging of toon voor mijn rol heb gevonden, zal hij me daar ogenblikkelijk aan herinneren als ik die de volgende keer nalaat te gebruiken. Wel levert hij zijn commentaar voornamelijk aan de hand van spaarzame opmerkingen en ogenschijnlijk kleine details in de tekst.’
Toegegeven, veel woorden heeft Rijnders niet nodig. Op wollige duidingen of dictaten over hoe een scène precies gespeeld moet worden, valt hij niet te betrappen. Als bijvoorbeeld blijkt dat Rogier Philipoom moeite heeft met het vinden van de juiste toon aan het begin – hoe gek moet Woyzeck dan al zijn? – antwoordt Rijnders kort maar krachtig: ‘Je tekst is: “Het waren de vrijmetselaars.” Dat is je insteek.’
Een nog absurdere mythe over Rijnders is dat zijn regies per definitie conceptueel zouden zijn. Voor de mise-en-scène van deze productie komen er geen van buitenaf opgeplakte ideeën en vormen aan te pas. De tekst blijft zonder meer de uitvalsbasis van waaruit de theatrale situaties en personageduidingen ontstaan.
Al vanaf het prille begin van het repetitieproces besteden zowel Gerardjan Rijnders als Janine Brogt duidelijk veel tijd aan exact taalgebruik en intonatie. Hun commentaar na gespeelde scènes gaat relatief vaak in op versprekingen of weggelaten zinsdelen. In het geval van Büchners Woyzeck kan dat ook bijna niet anders. Ondanks het nieuwe vlees op de botten van de taal blijft de tekst zeer compact, en bovendien doorspekt met literaire verwijzingen. Zo zijn Woyzecks angstvisioenen Bijbelcitaten die het niet verdragen om geparafraseerd of geschrapt te worden.
Net zoals voor de acteurs is Woyzeck voor accordeonist Oleg Fateev de eerste samenwerking met Gerardjan Rijnders. ‘Zijn manier van regisseren spreekt mij direct aan. Hij staat open voor alles wat er om hem heen gebeurt, hij is intuïtief, geduldig en steunend. Tegelijkertijd weet hij mij te verrassen door bepaalde accenten te leggen die in eerste instantie tegen mijn gevoel ingaan, maar uiteindelijk een extra, suggestieve laag aanbrengen. Daardoor ontstaat er meteen al een spannende broeierigheid tussen het spel en de muziek.’
19 september 2008. Naarmate het repetitieproces vordert, gaat de rol van het kind steeds meer intrigeren. De keuze voor een pop maakt het personage tot een monddode, stille getuige van alle taferelen die zich voltrekken. Dit kind is voortdurend op scène, niet alleen in het spervuur van de wanhopige ruzies van zijn ouders, maar ook op het moment dat zijn moeder door zijn vader wordt omgebracht. Gerardjan Rijnders: ‘Dat jongetje is misschien wel het grootste slachtoffer. Hij maakt alles mee, maar kan zich niet uiten, laat staan zich verweren. Toch zal hij voor de rest van zijn leven getekend blijven door wat er met Woyzeck en Marie gebeurt. Het verhaal van Woyzeck houdt dus niet zomaar op. Het gaat door, van generatie op generatie.’
Uiteindelijk zal de gek in het verhaal – een beminnelijke bijrol voor Marc Decorte – zich over het kind ontfermen. Rijnders: ‘In onze versie van het stuk is de rol van de gek zo samengesteld, dat hij de enige is die nog enigszins mededogen heeft met een ander. “Oeh, bloed”, zegt hij kort. Je zou nog kunnen denken dat als die man zich over het jongetje ontfermt, het wel goed komt. Maar hij is en blijft een zot. Als hij degene moet zijn die compassie toont? Alle anderen hebben het in elk geval te druk met likken naar boven en trappen naar beneden.’
25 september 2008. Vandaag vindt een eerste doorloop plaats. In de eerste scène, waarin Woyzeck zijn kapitein een scheerbeurt geeft, rent Rogier Philipoom als Woyzeck nerveus heen en weer, langs gestapelde limonadekratten die dienst doen als voorlopig repetitiedecor. Woyzeck zegt haast niets, af en toe een mompelend woordje. De muzikanten, zijdelings van het decor geplaatst, volgen zijn onrust met een snel staccatomotief dat tot in het oneindige herhaald lijkt te worden. Daarentegen spreekt Marc Decorte als Kapitein zijn teksten in een vertragende cadans uit, dwars tegen het tempo van Woyzeck en de muzikanten in. De toon is gezet.
Bart Slegers geeft een interessante lezing aan zijn rol Andres – Woyzecks maat – door een stoïcijn van hem te maken. Vrijwel constant is hij aanwezig, als een schijnbaar onaangedane getuige van het tragische handelingsverloop. Zonder op te kijken veegt hij met zijn bezem de speelvloer aan. De spaarzame momenten dat hij reageert op zijn omgeving gaan gepaard met een blikkerige, holle schaterlach. Met Woyzecks noodkreten weet hij weinig aan te vangen, het is alsof hij water ziet branden. Is Andres emotieloos? Of weet hij zich niet uit te drukken? In elk geval is hij bevangen door onvermogen, ook als het aankomt op zijn vriendschap met Woyzeck.
Na afloop van de doorloop is Gerardjan Rijnders opgetogen. De laatste dagen sloeg lichte paniek toe omdat met name de rol van Woyzecks dokter niet goed uit de verf kwam. Vandaag lijkt de oplossing een stap dichterbij. Daarnaast begint de structuur van de voorstelling te werken. Rijnders: ‘De scènes worden steeds meer miniatuurtjes. Nu moet elk miniatuurtje op zich nog helderder worden.’
Wat het aandeel van de livemuziek betreft, blijft het vooralsnog giswerk. De repetitieruimte is veel kleiner dan de grote zaal waarvoor de productie bedoeld is, dus valt er weinig te zeggen over akoestiek en de volumes. Ook weet Rijnders nog niet of de hoeveelheid muziek en de plaatsing ervan kloppen. Janine Brogt: ‘Het is nu alsof de muziek de hele tijd met de kleur van het spel meegaat. Moet zij niet een zelfstandigere plek innemen?’
7 oktober 2008. In deze tweede doorloop zet het vertraagde speeltempo, zoals de vorige keer al merkbaar in de openingsscène, zich door over de hele lengte van het stuk. Het resultaat is een drastische stilering van de theatrale ruimte. De scène waarin Woyzeck en Marie een bezoek aan de kermis brengen, lijkt nu wel twee keer zo langzaam als daarvoor. Een dompteur (Jacqueline Blom) spreekt het publiek lusteloos toe, terwijl zij een sombere aap en een zo mogelijk nog somberder paard dresseert. Juist door het trage tempo is dit circus allesbehalve bont, maar eerder apathisch, droefgeestig en grotesk. In Woyzecks kansloze bestaan biedt zelfs verstrooiing geen uitkomst.
Rijnders is blij met de trage speelstijl. ‘Daardoor stevent de voorstelling in één continu tempo onvermijdelijk door naar het einde.’ Met de stilering beginnen ook de kostuums hun werk te doen. Als Woyzeck de jood opzoekt om een mes te kopen waarmee hij Marie zal doodsteken, zet Jacqueline Blom een zwartvilten hoed op, met daaraan twee pijpenkrullen vastgeniet. Met dit soort archetypische uitvergrotingen, zoals de groteske pop dat in feite ook is, hoopt Rijnders dat het publiek de code meekrijgt dat het in deze wereld op het toneel niet zozeer om realisme draait, maar om theatraliteit.
22 oktober 2008. Nog drie dagen tot aan de première. Het team heeft een week technische montage in het Noord-Brabantse stadje Roosendaal achter de rug. Daar zijn op een groot podium voor het eerst alle voorstellingselementen – decor, licht, techniek, spel – samengevoegd. Traditiegetrouw noemen medewerkers van het RO Theater die week ook wel ‘de hel van Roosendaal’, juist omdat dan vaak rigoureuze beslissingen genomen moeten worden. Niets van dat alles in dit repetitieproces. Iedereen is opgetogen teruggekeerd van vlekkeloos verlopen dagen.
Vanavond vindt de eerste try-out in de Rotterdamse Schouwburg plaats. In het toneelbeeld domineert de halfronde tribune, geplaatst op een vloer in jute kleuren. Daarachter gaapt de zwarte leegte van het toneelhuis, waardoor het speelvlak aandoet als een eenzaam eiland. Lichtontwerper Reinier Tweebeke trekt die intieme ruimte herhaaldelijk open en accentueert de achterliggende leegte met grote, onheilspellende lichtbanen, met name op de momenten dat Woyzeck extatisch zijn apocalyptische visioenen prevelt.
Ook het decorontwerp van Paul Gallis laat de ruimte uitdijen en inkrimpen. Eindelijk kan de grote, wit-roodgestreepte circustent zich laten gelden. Deze hangt aanvankelijk slap in de nok, om zich vervolgens trapsgewijs te ontplooien. Nu eens doorklieft de tent het speelvlak, waardoor Woyzeck buitengesloten geraakt, dan weer slokt de tent het hele beeld op, met in het middelpunt Woyzeck als prooi in een vijandige arena.
Ook muzikaal zijn er belangrijke stappen gezet. Het geheel is meer doorgecomponeerd, melodieën zijn uitgedund tot bondige motieven die veelvuldig herhaald worden en zo de handeling voortstuwen. De muziek is abstracter, waardoor zij niet meer lukraak als emotieversterker werkt, maar eerder een eigen sfeerlaag toevoegt. Ook is zij minder zoetgevooisd: muzikale zinnen worden abrupt onderbroken door onverwachte rusten, dissonanten krijgen vrij spel en schrille, aangehouden noten op de accordeon gaan door merg en been. Juist door dit rauwe, rulle geluidsspoor worden de spaarzame, consonante rustmomenten die muziek ook kent des te fragieler. Zo klinkt een sober uitgevoerd oud Russisch volkslied, als Fania Sorel haar laatste, hartverscheurende monoloog van Marie uitspreekt:
Er was eens een arm kind en ’t had geen vader en geen moeder meer, alles was dood en er was niemand meer op de wereld. Alles dood en het is weggegaan en heeft gehuild, dag en nacht. En omdat er op aarde niemand meer was, wou het naar de hemel en de maan keek het zo vriendelijk aan en toen het eindelijk bij de maan kwam was het een verrot stuk hout en toen is het naar de zon gegaan en toen het bij de zon kwam was het een verwelkte zonnebloem en toen het bij de sterren kwam waren het kleine gouden muggen die zaten vastgeprikt, zoals eksters ze op sleedoorns prikken en toen het weer naar de aarde wou was de aarde een omgevallen pot en het was helemaal alleen en toen is het gaan zitten en gaan huilen en daar zit het nog en het is helemaal alleen.
Naarmate het repetitieproces vordert, gaat de rol van het kind steeds meer intrigeren. De keuze voor een pop maakt het personage tot een monddode, stille getuige van alle taferelen die zich voltrekken. Dit kind is voortdurend op scène, niet alleen in het spervuur van de wanhopige ruzies van zijn ouders, maar ook op het moment dat zijn moeder door zijn vader wordt omgebracht.
9 december 2008. Woyzeck is al anderhalve maand op tournee langs de Nederlandse theaters, waaronder gisteren in de Stadsschouwburg Amsterdam. Eerstejaarsstudenten van de Amsterdamse Theaterschool hebben de voorstelling gezien en doen verslag van hun bevindingen. In vergelijking met de in hun ogen moeilijk volgbare, van tevoren gelezen tekst, valt hun op hoe helder deze voorstelling is geworden. De muziek wordt een rode draad genoemd, die van alle fragmenten een geheel weette smeden.
‘Nu lukt het me om Woyzecks verhaal te volgen, die als een trein door blijft stomen en uiteindelijk tegen een muur aanloopt’, vertelt een van de studenten. Veel complimenten gaan naar Rogier Philipoom, omdat hij van de protagonist een invoelbaar, menselijk personage heeft weten te maken. ‘Met hem blijf ik voortdurend sympathie voelen’, zegt een ander.
Er ontstaat ook discussie. Wat was nu Woyzecks motief om de moord te plegen? Een student zegt een scherpe interpretatie te missen.Was het de jaloezie die Woyzeck dreef? Zijn schizofrenie, uitgelokt door onmenselijke wetenschappelijke experimenten? Of was deze doodslag toch eerder een poging om te ontsnappen aan een harteloze, vastgeroeste maatschappij? Andere studenten kunnen juist heel goed overweg met het uitblijven van één sluitend motief. ‘Voor mij is het hele punt dat gemaakt wordt, juist niet het bieden van pasklare antwoorden, maar eerder het stellen van vragen. In hoeverre is deze man toerekeningsvatbaar? Is hij de enige die verantwoording moet afleggen en schuld moet dragen voor wat er is gebeurd? Hoe zit het dan met de wereld om hem heen? In wat voor wereld leven wij eigenlijk?’
Tekstpassages uit Woyzeck:
© Janine Brogt, 2008
www.rotheater.nl
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.