De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
Els Dottermans en Jan Decleir – “Wolfsklem”
Wolfsklem is het verhaal van de relaties tussen twee bouwvakkers en een vrouw. Jan Decleir speelt Jeanke, een Vlaamse arbeider; Els Dottermans is zijn vrouw en Marc Van Eeghem een Noordafrikaanse gastarbeider. Het verhaal is er een van naijver, achterbaksheid, ontreddering, bedrog, domheid en af en toe een vleugje genot of “kameraadschap”. De nauwkeurige observator vult aan met tal van andere menselijke trekjes.
Auteur Pjeroo Roobjee haalde met zijn stuk enige inspiratie bij het twaalfde-eeuwse Ysengrimus (een voorloper van Reynaert de Vos) en bij Louis-Paul Boons Wapenbroeders. Aan deze laatste werd overigens het motto van de voorstelling ontleend – “… en dat er geen andere demonen zijn dan deze van vlees en bloed, / dat zijn zij die hier nederwaarts met scepters zwaaien, / en dat er geen andere spoken bestaan dan de vuil microben / die ons duistere ziekten zenden en ons weg willen maaien gelijk strontvliegen, / en geen ander dwaallicht dan dat der droevigste onwetendheid.”
Méér dan een aanzet heeft Roobjee echter niet willen vinden in deze teksten. Zijn Wolfsklem staat op zichzelf. Wat van bij de aanvang duidelijk wordt. Vanaf het eerste woord (“Specie!”, eist Jeanke) word je als toeschouwer neergemept door een niet meer aflatende woordenstroom. Roobjee heeft zich uitgeput in het zoeken (en vinden) van talloze rijmelarijen en woordspelletjes allerhande. Het ene al leuker dan het andere, vooral wanneer hij begint te delven in een door de conventie verdrongen vocabularium. Al vlug ga je steevast op zoek naar de grappigheid in de tekst en laat je al de rest links liggen. Maar een toeschouwer assimileert vlug, en het vulgaire vagebondstaaltje verliest snel zijn spankracht. Een obsceniteit is komischer en krachtiger in een hoofse context, dan wanneer ze baadt in een aaneenrijging van platvoerse statements. Na een half uurtje noteer ik voor ’t laatst hilariteit in de zaal, wanneer Jeanke en zijn metgezel, op een vrolijk wijsje van Jean Blaute, volgend refrein aanheffen:
“Sukkels beloeren sukkels,
Trekken malkaar af een kloot,
Kloten kloten kloten totterdood.
Sukkels doen sukkels sukkelen.”
Nu hoeft het taalidoom van Pjeroo Roobjee niet per se een goede voorstelling in de weg te staan. Het wordt pas problematisch wanneer deze verbale krachtpatserij leegheid camoufleert.
In Wolfsklem wordt er nochtans alles aan gedaan – en dat is niet weinig – om het geheel enige diepgang mee te geven. Decleir & co tonen overduideljk hoe de drie protagonisten verstrikt geraken in het web van de moraliteit, hoe hun verlangens botsen met de morele codes. Ze laten zich leven, zou je kunnen zeggen. Of meer politiek: ze laten zich verdelen en dus overheersen. Het politieke apparaat lacht in zijn vuistje wanneer arme drommels als deze bouwvakkers zich laten leiden door opportunisme en zelfingenomenheid, wanneer een hun vreemde ethiek inzet wordt van een gevecht tussen lotsgelijken. Het web van de moraliteit wordt daardoor een vervaarlijke wolfsklem.
Daarover wordt Wolfsklem verondersteld te handelen. En over de onmogelijkheid van het individu om doorheen het bos de bomen nog te zien, over de chaos die zich vandaag permanent in het eigen hoofd nestelt, over de verwarring en verscheurdheid van de hedendaagse mens. Alleen: deze intenties blijven beginselverklaringen en werken slechts door tot in het programmaboekje. De voorstelling zelf laat zich slechts bekijken als een oppervlakkige farce, die je nergens bij je nekvel grijpt.
Hoe komt dat toch? Het heeft, denk ik, te maken met een doorgedreven effectjagerij. Niet in zijn pejoratieve betekenis, maar letterlijk. De drift om bij het publiek wat los te weken, leidt naar een te expliciete theaterproduktie. Er is weinig ruimte voor suggestie, associatie en interpretatie. Het decor mag daar illustratief voor zijn. Centraal op de toneelvloer ziet men een halve wereldbol, waarop de aktie zich doorgaans afspeelt. Daarachter een kraanmast met een lift waarlangs de acteurs opkomen en afgaan. In de lucht bengelt een zware metalen stutbalk, die later ook enige scenische functies meekrijgt. Het geheel staat dus voor een universele bouwwerf, zo neem ik aan (bij het einde van de voorstelling zal blijken dat men er de Toren van Babel bouwt). Het beeld is zo eenlijnig dat men er spoedig op uitgekeken raakt. De groep probeert dat te omzeilen door te maneuvreren met de steunbalk of door de werf in een mum van tijd om te toveren tot een Egyptisch piramidenlandschap of tot een hemelbed. Meer dan een blik op enig technisch vernuft wordt daardoor echter niet bereikt. Probleem is namelijk dat het decor een louter illustratieve functie heeft. Het voegt niets wezenlijks toe aan wat men reeds in de tekst leest. Er gaat geen autonome tegenkracht van uit, het draagt geen spanning in zich.
Hetzelfde geldt voor het spel. Dat Jan Decleir één van onze beste acteurs is, hoeft geen betoog. Dat Els Dottermans en Marc Van Eeghem eenzelfde energie etaleren, is een verrassing. Maar van enige subtiliteit is bij geen van allen sprake. Het lijkt erop alsof men constant vecht om het woord te hebben, alsof men bevreesd is zich te zeer bekeken te voelen door het publiek, alsof men de stilte niet aandurft. De dialoog is hier werkelijk een surrogaat geworden voor een fysieke présence op de scène. Het mag duidelijk zijn dat dit grote monotonie en eenduidigheid tot gevolg heeft. Een goed regisseur, die enige afstand weet te houden van het gebeuren, zou hier wonderen kunnen verrichten.
Wat me uiteindelijk dus het meest stoort aan deze voorstelling is de totale afwezigheid van enige concrete theaterrealiteit. Ondanks een grote machinerie en een aantal bezielde acteurs, gebeurt er eigenlijk bitter weinig in die ruim twee uur durende voorstelling. De betrachting om – met inzet van alle beschikbare middelen – een rijk geschakeerd tableau te schilderen, vervalt volkomen in zijn tegendeel. Er wordt onverzettelijk, met grote halen en met een hele dikke stift, onderstreept in de tekst. Als toeschouwer word je dan ook uitsluitend overgeleverd aan Roobjees taalambachtelijkheid. En dan valt er aanvankelijk wat te lachen, maar eens de mondhoeken in de goede plooi, leest men alleen nog een zich kundig ontwikkelend vertelseltje.
WOLFSKLEM
auteur: Pjeroo Roobjee; enscenering: Jan Decleir, Pjeroo Roobjee; decor: Jan Decleir, Ercola; muziek: Jean Blaute; met Jan Decleir, Els Dottermans en Marc Van Eeghem; produktie: Ishidoor V.Z.W. i.s.m. Cultureel Centrum van Strombeek-Bever.
Gezien op 30 oktober in CC Strombeek-Bever en op 7 november in de Stadsschouwburg, Leuven.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.