Hier, ik als keizerin. Molenstraat 103/bus 5 – Veerle Baetens & Bo Spaenc
Radicale eenzaamheid
Klaas Tindemans
(A)
Filosofie is de laatste tijd bijzonder populair op onze podia. Hedendaagse wijsgeren worden uitgenodigd voor lezingen of debatten, en hotshots van de Griekse Oudheid tot nu – van Socrates over Montaigne tot Wittgenstein-vind je terug op de affiche van menig CC Voor het Kaaitheater vormt filosofie de rode draad doorheen het programma van dit seizoen. Staat na alle oproepen tot ‘doen’, nu het ‘denken’ voorop? We vroegen ons ook af of de wijsbegeerte in plaats van als eenmalig onderwerp ook als methode kan worden ingezet? Impliceert dit een specifieke blik op de wereld, een andere manier van vragen stellen, met kennis en kunst omgaan? Etcetera polste bij twee podiumkunstenaars, beiden opgeleid als filosoof, naar welke rol filosofie speelt in hun artistieke praktijk. Choreograaf Noe Soullier geeft een inkijk in zijn onderzoek rond hoe het denken onze ervaringen kan beïnvloeden; theatermaker Pieter De Buysser greep onze uitnodiging aan om te speculeren rond de spanning tussen een kunstwerk en haar filosofische gehalte.
Noé Soulier
In 2011 maakte ik een voorstelling getiteld Ideography. Het was een poging om een choreografie van ideeën te creëren. Mijn streefdoel was niet om ideeën uit te drukken via bewegingen maar het denken zelf te choreograferen. Het was niet meteen duidelijk welke vorm deze conceptuele choreografie zou aannemen, maar ik begon gedachte-experimenten, bewijsvoeringen en verklaringen te selecteren die tot verschillende domeinen behoorden: de taalwetenschap, fenomenologie, analytische filosofie, theologie, ethologie, enz. Vervolgens bracht ik deze verschillende denklijnen samen. Geleidelijk aan spitste de poging om een conceptuele choreografie te ontwerpen zich toe op de manier waarop theorie onze ervaring van dingen beïnvloedt, en meer specifiek de ervaring van de verschillende aspecten van mijn voorstelling terwijl ze zich ontvouwt.
Elke theorie en elk gedachte-experiment kan een diepgaande impact hebben op de manier waarop we gebeurtenissen ervaren. Als je een fenomenologisch standpunt inneemt (waarbij je vanuit de directe ervaring iets probeert te zeggen over de werkelijkheid) of een natuurkundig standpunt (door vanuit de wetenschap de ervaring van de werkelijkheid te analyseren) zal je alles op een dramatisch andere manier waarnemen en ervaren. De choreografie van ideeën waar ik naar zocht, werd uiteindelijk een choreografie van aandacht. Verschillende theorieën werden gebruikt om de ervaring die de toeschouwer van een situatie had, plots te laten veranderen.
Dit was geen theoretische aanpak, aangezien ik niet probeerde om een coherente en overtuigende verklaring te geven van een welbepaald fenomeen. Integendeel, ik gebruikte tegenstrijdige theorieën om tot een dramatisering te komen van de verschuivingen in het perspectief op de gebeurtenissen die zich ontvouwden (voornamelijk ik die op het podium praatte). In plaats van ervaringen te gebruiken om tot kennis te komen, trachtte ik kennis te gebruiken om ervaringen te vorm te geven. Deze beweging van kennis naar ervaring, met name hoe verschillende manieren om een gebeurtenis te denken, de manier kunnen veranderen waarop we ze benaderen en ervaren, is een centraal gegeven in mijn werk.
De filosofie heeft kunst op verschillende wijzen benaderd. Soms probeert ze te definiëren wat kunst is en welke betekenis we haar moeten geven, zoals in Hegels esthetica (om maar één voorbeeld te noemen). Recenter hebben filosofen als Nelson Goodman trachten aan te tonen dat kunst zelf een praktijk is die kennis voortbrengt en ons in staat stelt de manier te veranderen waarop we de dingen begrijpen. Kunst moet bijgevolg worden beschouwd als een partner van de filosofie in de zoektocht naar inzicht en niet louter als een onderzoeksobject van de filosofie. Wellicht moeten we als kunstenaars dankbaar zijn voor deze opwaardering, maar zelf proef ik er nog steeds een theoretisch vooringenomen opvatting in van wat kunst is.
Ik denk niet dat we het specifieke karakter van kunst kunnen vatten als we trachten aan te tonen dat haar hoofddoel het genereren van kennis is. Kunst draait om het teweegbrengen van specifieke ervaringen en niet om het bijbrengen van kennis. Je leest Romeo and Juliet niet om te leren wat liefde is, maar om een prachtig liefdesverhaal te beleven. We leren ondertussen mogelijkerwijs heel wat bij over de liefde, maar we doen deze ervaring niet op louter om die kennis te vergaren. We zijn uit op de ervaring zelf. Ook de meest doorgedreven conceptuele kunst heeft meer te maken met de ervaring van ideeën dan met de kennis die ze ons aanreiken. Ik weet dat ‘ervaring’ een vaag begrip is, maar als we het doel van kunst te sterk afbakenen, zullen we relevante kunstpraktijken uitsluiten.
Uiteraard gaan kennis en ervaring hand in hand. Ervaring impliceert kennis. Ze berust op verworven kennis en leert ons meestal iets. Evengoed berust kennis op eerdere ervaringen en verandert ze de ervaringen die we nog zullen hebben. Het is een kwestie van klemtoon en hiërarchie. Wanneer men het genereren van kennis tot het doel maakt van kunst, om haar zo hetzelfde belang te geven als filosofie en wetenschap, houdt dit in dat men uitgaat van een impliciete hiërarchie tussen kennis en ervaring: kennis is het doel en ervaring het middel. En deze houding is dan weer gebaseerd op de veronderstelling dat het doel van het leven erin bestaat de wereld op de meest volledige en coherente manier te begrijpen.
We zouden ook het tegenovergestelde standpunt kunnen innemen. We zouden kunnen zeggen dat kennis alleen waardevol is als middel tot ervaring. Voor de stoïcijnen was de studie van de fysica een manier om in een bepaalde mentale staat te komen in het streven naar een specifieke levenshouding.Theorieën zouden dan geëvalueerd worden op basis van de ervaringen die ze mogelijk maken. Zelf vind ik het interessanter om geen hiërarchie te bepalen tussen kennis en ervaring. Dat is moeilijker dan men aanvankelijk zou denken, omdat we de mogelijkheid verliezen datgene wat we doen vanuit een eenduidig standpunt te evalueren, en we de onzekerheid en het geschipper die daarmee gepaard gaan, moeten aanvaarden.
Deze opvattingen over kunst en theorie heeft al mijn projecten geïnspireerd. Ik leg momenteel de laatste hand aan een boek genaamd Actions, Movements and Gestures.1 Het is een verlengstuk van Movement on Movement (2013), een voorstelling waarin ik reflecteerde over zowel de manieren waarop bewegingen gedefinieerd worden als over de ervaringen van het lichaam die ontstaan door deze verschillende wijzen van definiëren. Een beweging kan geometrisch of mechanisch gedefinieerd worden, of door zichzelf een praktisch doel op te leggen kan de beweging beschouwd worden als een probleem dat de performer moet oplossen of als een model dat hij moet imiteren-deze definitie kan op het hele lichaam slaan of alleen op een specifiek lichaamsdeel, enz.
Al deze verschillen zullen een diepgaande impact hebben op de ervaringen van zowel de performer als de toeschouwer. Het verkennen van deze wijzen van definitie kan je in staat stellen je ervaring te verruimen: dingen zien die je voorheen niet kon waarnemen en transformeren wat je al hebt waargenomen. Het levert instrumenten om ervaringen op te doen, waarbij men actiever wordt in het vormen van zijn eigen perceptie. Ik probeer niet de betekenis van dansstukken uit te leggen of te tonen hoe ze kennis kunnen genereren, maar instrumenten aan te reiken om de manier waarop men ze mogelijk beleeft te verrijken.
Dit boek is net zozeer een kunstproject als een theoretisch werk. In Simone Forti’s Dance Reports 1 vindt de dans plaats in de manier van bekijken en beschrijven van een gebeurtenis die tot dan nog geen dans was. In Actions, Movements and Gestures probeer ik dansconcepten voor te stellen: manieren om bewegingen te concipiëren die productief kunnen zijn bij het uitvoeren of percipiëren van bewegingen. Afhankelijk van de situatie en de eigen interesses, kan de ene aanpak meer interessante ervaringen opleveren dan de andere. Het zijn manieren om je aandacht op beweging te concentreren.
In mijn choreografische praktijk wil ik de aandacht van de toeschouwer richten op de beweging door de beweging zelf. Hoe kan de organisatie van bewegingen en de manier waarop ze gebracht worden de blik van de kijker richten naar specifieke aspecten van beweging? Het laatste deel van Removing, een stuk voor zes dansers dat in 2015 in première ging, bestaat uitsluitend uit voorbereidende bewegingen. De danser rent weg om te springen, maar net vooraleer hij los zal komen van de grond snijdt hij een nieuwe beweging aan, bijvoor beeld een rotatie, die op haar beurt wordt onderbroken door een volgende beweging. De intentie is overdadig vergeleken met de uiteindelijke beweging. Dit stelt de toeschouwer in staat de intentie zelf waar te nemen. Het beïnvloedt de blik: de handen die al op de beweging anticiperen en de algemene houding die een onnodige paraatheid vertoont. Je ziet de anticipatie precies omdat de beweging waar men zich naar richt nooit komt. Ik tracht zulke systemen te bedenken om aspecten van de beweging zichtbaar te maken die anders onopgemerkt zouden blijven. Het staat heel dicht bij wat ik wil bereiken met Actions, Movements and Gestures. Er is geen duidelijke grens tussen mijn theoretisch en mijn artistiek werk. Het gaat om hetzelfde werk, uitgevoerd via verschillende kanalen.
1 Actions, mouvements et gestes wordt in 2016 in het Frans gepubliceerd door het Centre National de la Danse in Parijs.
2 Simone Forti, Dance Report, Dance Construction and Dance Instruction, in An Antology, La Monte Young and Jackson MacLow, New York, published by,La Monte Young and Jackson MacLow, 1965. Het boek is een verzameling van korte beschrijvingen van gebeurtenissen die een diepe indruk nalieten in het geheugen van Forti.
Over waarheid en speculatie
Pieter De Buysser
De invasie van de waarheid
Toen Harold Pinter in 2005 de Nobelprijs voor literatuur kreeg, gaf hij een lezing die afgelijnd haar boekje te buiten ging: ‘Er is in de kunst niet één waarheid, er zijn er meerdere, ze dagen elkaar uit, verblinden en weerspiegelen elkaar. De waarheid ontglipt, but en vanaf dan wordt hij een smeerpoes, ‘the search is clearly what drives the endeavour. The search is your task.‘
Twee alinea’s verder spijkert hij Bush, Blair en de hele 20ste-eeuwse buitenlandpolitiek van de VS tegen de muur. De wreedheden van het Oostblok en het communisme zijn tot in de details gedocumenteerd. Over de waarheid van de Westerse wreedheden wordt amper bericht. Ook al is de schrijver doordrongen van de hopeloos ambigue transactie die taal altijd is: hij weet dat er waarheid is, ‘and the search for it is compulsive‘.
Pinter heeft zich zelden ingelaten met filosofische auteurs, noch met de geschiedenis van de filosofie. Maar deze tekst, die op het eerste zicht eerder blijk geeft van zin voor burgerschap en politiek bewustzijn, is een eminent voorbeeld van hoe een verhouding tussen een artistieke praktijk en een filosofisch concept het artistieke werk oprekt. Zijn werk wil ‘leven in de waarheid’. De relatie tot het filosofische concept van de waarheid zet zijn hele werk onder hoogspanning. Zijn stukken blijven ongrijpbaar en gelaagd, taal is eerder een indicatie van wat de personages niet gezegd krijgen. Op de zoveelste vraag van een journalist waar zijn werk eigenlijk over ging, antwoordde hij : ‘over de wezel onder de cocktailbar’. Wist die journalist veel dat hij daar inderdaad een ongezouten wezel heeft zitten die er geen doekjes om windt.
Doorprikt
Waarom zou een toneelschrijver zich gebonden weten aan een filosofisch concept als de waarheid? Je kan nochtans theaterzalen vullen met filosofen die het als hun taak beschouwen iets gevaarlijks als de waarheid onderuit te halen. Moet de waarheid dan niet dringend ontmand? Nee. Integendeel, we moeten alleen wat meer naar haar spleetje luisteren. De aristocratische heraut van de waarheid, ja, die mag neergelegd worden, het laken over zijn hoofd. En op dat laken kunnen we beginnen tekenen: kleurrijke, huiveringwekkende, vriendelijke maskers. En dan spelen we voort, want de geschiedenis van de waarheid is met de dood van deze boodschapper niet aan een einde gekomen.
Wie nog een zekere hang naar waarheid heeft, bevindt zich vandaag in slecht gezelschap. Recent hoor je in Europa wel meer stemmen die vragen om de notie ‘waarheid’ en andere Verlichtingsidealen terug centraal te stellen. In een wanhopige poging onze Europese waarden en identiteit te barricaderen, wordt die oude, schele, tweeslachtige waarheid weer opgetrommeld.
En in de lommer wordt zij rap kreupel geklopt zodat ze alleen nog maar rechts af kan slaan. Wanneer deze hedendaagse waarheidlievende filosofen proberen in een maatschappelijk debat illusies te doorprikken en de waarheid aan het licht te brengen, blijkt dat vooral een voorwendsel om de eigen politieke, ideologische kaarten niet op tafel te leggen. Ze verstoppen hun eigen agenda achter de brede gebaren waarmee ze andermans agenda ontmaskeren. It’s comedy on its own. Ik begrijp de bezorgdheid van deze waarheidlievende hoeders van de Verlichting die vandaag in heel Europa opduiken: het geweld, het onrecht, de manipulatie en de verwarring tuimelen van onze schermen de straten in en weer terug.
Maar bevlogen filosofische concepten aandragen helpt hier niet. Pinter heeft het dan ook niet over Het Verval van alles waar Onze Cultuur voor staat. De mond hoeft niet gespoeld van Waarheid en Humanisme. Hij heeft het over iets heel concreet: ‘We were told that Iraq threatened the security of the world. We were assured it was true. It was not true.’ Deze oude, klassieke toneelschrijver, die van meerduidigheid zijn beroep heeft gemaakt, laat zien hoe hij zich niet kan afkeren van de vraag wat het is te ‘leven in de waarheid’. Zijn relatie tot dit filosofisch concept heeft ethische en, onlosmakelijk daarmee verbonden, esthetische consequenties: het is een criterium waarmee hij zijn eigen en andermans werk wenst af te wegen. ‘Leven in de waarheid’, de woorden zijn van Pinters collega-toneelschrijver en generatiegenoot Vaclav Havel, gaat over veel meer dan verdoken feiten of leugens aan het licht brengen. Het is een filosofische, politieke en artistieke praktijk. Hoe concreet dit is, liet Pinter zien: hij haalde op het juiste moment zijn nobele wezel boven, paraat om de waarheid over Irak te komen vertellen.
Hars
Natuurlijk is filosofie niet te herleiden tot trouw aan een waarheidsbegrip. Maar het is niet onjuist om de geschiedenis van de filosofie te beschouwen als een voortdurend herschrijven van mogelijke verhoudingen tot de waarheid. De filosofie probeert een inzicht, een weten, een zo waar als mogelijke kennis te conceptualiseren. Filosoferen, schreef Deleuze, is het scheppen van concepten. Met deze concepten wil men inzicht verwerven en dichter bij de oplossing van een vraagstuk komen. Hoe groot ook de verwantschap met de kunst en de literatuur, ze zijn fundamenteel anders. De echt geslaagde kunst, de literatuur waar ik van houd en mijn leven aan geef, faalt in het overbrengen van een dergelijk conceptualiseerbaar inzicht. Als bij een dergelijke mislukking alles prachtig in elkaar valt, dan is dat de grootst mogelijke triomf voor een werk. Alleen in dit tekort opent zich de waardigheid van het werk. Want de grens die zich hier openbaart, is hoewel gesloten toch open. Deze grens is productief.1 Deze kunst slaagt erin de wereld te decoderen terwijl jammer genoeg de sleutel van de code kwijt is. Het is een permanente slag aan de grenzen, een veldslag die je wint door hem te verliezen. En wel hierom: dit soort kunst, waarbij je letterlijk begrijpt wat er staat maar tegelijk van fundamenteel verlossend begrip verstoken blijft, roept op om te speculeren. De verbeelding die aan het werk wordt gezet, heeft niets te maken met een losgeslagen fantasie. Het is waarheidlievende speculatie.
Judith Butler schrijft in How to read Kafka dat ze een parabel van Kafka begrijpt, maar zonder dat ze een antwoord krijgt op haar vragen. Die man die voor de Wet staat, vraagt ze zich af, gaat hij naar een ander land, gaat hij naar een utopisch paradijs of naar de hel, en zal hij uiteindelijk wel gaan? Niemand weet wat er gebeurt. Een verhaal van Kafka lezen, schrijft Butler, is de dwang ondergaan om te speculeren. We zijn tot vermoedens en creatieve verbeelding veroordeeld. Wanneer het tekort onvermijdelijk heeft ingehakt, is de speculatie als het hars dat uit een boom lekt. Vanaf dan is hars noodzakelijk voor de boom om te overleven.
De grens van de waarheid die ik in mijn werk zoek, is dezelfde als die van de conceptualiserende filosofie, met dit verschil dat het grensverkeer voor mij essentieel is. Schrijven is het overschrijden van de grens van de conceptualisering. De siddering die de transgressie met zich meebrengt, is een bevestiging van het bestaan van de grens. In fantasy-literatuur bijvoorbeeld is ieder bewustzijn van die grens weg, daar tiert een losgeslagen escapisme.Terwijl voor het werk dat ik me droom, de overschrijding van de grens van onze kennis net de bevestiging van die grens is.
Was
Wie zich met de volledige waarheid wil inlaten, is gedoemd als Icarus neer te storten. De waarheid laat zich enkel kennen als trauma. De vraag naar de ware aard van de zon kan alleen worden beantwoord door een stille vinger gestoken in de gesmolten was van Icarus’ vleugels. Veel van de filosofen die getekend zijn door het trauma van de waarheid, maken de keuze zich dan niet langer met de waarheid in te laten: ze willen bijvoorbeeld dat de filosofie een gereedschapskoffer is om de macht te ontregelen, of een oefening om goed te leven.
Maar er zijn ook filosofen die zeggen: wat waar is, is dat er geen waarheid is. Het niet-bestaan van de waarheid, dàt is de waarheid. Dan krijg je de filosoof als hond die zich in de eigen staart bijt. Het is waar dat het niet waar is dat het waar is dat het niet waar is dat het waar is … Deze hond heeft zijn weg naar de theaters, de musea en de uitgeverijen alvast gevonden. Het is een immens populair figuur: de hond die voortdurend moet blijven vinden dat hij het niet vindt. Deze artistieke hond verkoopt zich uitstekend als poëtische mijmerij, of als genuanceerde kijk.Terwijl het in feite een al bij al sympathiek maar simpel dier is gebleven.
Goed gezelschap
Waar ik naartoe wil, is een werk dat je een verhouding laat aangaan met een waarheid die zich niet zomaar laat verifiëren. Ik denk in de eerste plaats aan Kafka.
Er zijn weinig schrijvers die voor zoveel verschillende denkrichtingen zijn ingezet als hij. Geen filosofie die de laatste honderd jaar uit het ei brak of ze pikte op slag naar Kafka. Het existentialisme, de negatieve theologie, de Joodse mystiek, het socialisme, het liberalisme, het nihilisme, het messianisme, het absurdisme: iedereen vond er zijn gading. Dit heeft hem postuum veel roem opgeleverd, maar helaas, zoals Adorno opmerkte over Kafka, foute roem is een fatalere variant van vergeten worden. En dat voor een man die schreef : ‘Ik ben slechts literatuur en ik kan en wil niets anders zijn’.
Vincent Van Quickenborne, ooit minister van ondernemen en administratieve vereenvoudiging, heeft hier de eer om de toe-eigening van Kafka zo op de spits te drijven, dat hij alle mogelijke verdere aanspraken feestelijk aan flarden prikt. Hij installeerde aan de gevel in de Wetstraat een Kafka-meter, deze moest aan de willekeurige voorbijganger zichtbaar maken hoever hij al gevorderd was in het Milton Friedmaniseren van Franz Kafka. En dat ging daar serieus zijn gangetje. Hoe meer administraties werden afgebouwd en hoe minder oud-socialistische bureaucratieën werden verpulverd, hoe hoger de Kafka-meter piekte.
Dit idee is zo briljant dat we het onmogelijk alleen aan de bedenker mogen overlaten. Ik wil me daarom niet Kafka toe-eigenen, maar ik wil wel graag deze Kafka-meter achteroverdrukken. Laat me u de ware Kafka-meter introduceren: een instrument dat de spanning tussen een kunstwerk en haar filosofische gehalte opmeet. Een hoge score op de Kafka-meter, is een kunstwerk dat filosofisch veel te bieden heeft. Een lage score wijst op filosofische bloedarmoede. De gebruiksaanwijzing gaat als volgt:
Lees je een tekst of bekijk je een voorstelling, stel dan de vraag: valt uit wat ik hier voorgeschoteld krijg een filosofisch concept te distilleren? Is het antwoord ‘ja, heel makkelijk, dit werk wil met name de filosofische waarheid X aan het licht brengen (x staat dan voor: achter het laagje vernis van de beschaving zit…, het kapitalisme is echt wel…, enzovoort), dan houd je je waarschijnlijk met rommel bezig en scoort het werk heel, heel laag op de Kafka-meter. Een werk dat je kan samenvatten in een filosofisch rijke betekenis hoeft niette bestaan. De samenvatting volstaat en het werk mag in de versnipperaar. Helaas is dit de meest voorkomende kunst.
Is het daarentegen moeilijk, zo niet onmogelijk om een filosofische vraag te distilleren uit wat je ziet, dan piekt de Kafka-meter. Dit kan wijzen op een werk van een genereuze banaliteit waar verder niet bij wordt nagedacht. Dit levert een hele goede score op. Het alledaagse onbesmeurd door gedachten kunnen weergeven is een meesterzet. Het kan leiden tot vele, rijke interpretaties en aanzet geven tot nieuwe filosofische terreinverkenningen, ook al houdt het werk zich zelf ver af van ieder gefilosofeer. De maker van dit werk heeft het filosoferen hoogstwaarschijnlijk achter zich gelaten, en heeft getracht de werkelijkheid die hem of haar beroerde te omarmen, te vertekenen en uiteindelijk vorm te geven. Het denken is voor nadien, of voor vooraf. Een dergelijk werk scoort uitstekend op de Kafka-meter, maar het is niet het hoogste. Het werk met het hoogste filosofische gehalte, is het werk waarin waarheid en speculatie tot elkaar veroordeeld zijn, en zij over eikaars grenzen worden getild. Wordt er in innige trouw aan de waarheid verbijsterend knap en verregaand gespeculeerd, dan schiet de Kafka-meter tot in het hoogste karaat. Waarheid en speculatie zijn onafscheidelijk. Einde verhaal. Begin van het verhaal. Het speculatieve verhaal is gebonden aan de waarheid, de waarheid laat het verhaal oplichten zoals niets anders dat kan. Zoals. Alsof. Dit verhaal is alsof het waar is. Dit is niette conceptualiseren. Waarheid en speculatie, de filosofische maateenheden die voor mij de essentiële kwaliteiten van het kunstwerk uitmaken, laten zich niet in een concept vangen. Ik kan erenkei over schrijven alsof het een verhaal is.
Alfred Knipper stapt uitbij metrohalte Kunst/Wet. Het is half vier, zijn laatste haren waaien op in de wind. De kans bestaat dat hij de bank waarvoor hij werkt vandaag heeft gered. Maar niemand weet het. Net na de koffie van half negen speculeerde hij op een onverwachte stijging van een sinds lang verwaarloosde onderliggende waarde. Deze rukte vanochtend zo snel, onverwacht en majesteitelijk op dat hij misschien miljarden binnenhaalde. Het was een gevaarlijke gok geweest, en hij heeft nood aan frisse lucht. Hij weet dat hij over de grens is gegaan, maar bij goede afloop kraait daar geen haan naar. Bij slechte afloop wachten hem hoogst vervelende tijden. Maar niemand weet het. Kon hij maar een voet krijgen in het onderscheid tussen goede en slechte afloop! Hij steekt de Wetstraat over, daar waar het niet mag, en bij iedere stap die hij zet, ziet hij de waarheid helderder: hij zal nooit meer terugkeren naar zijn werk. Het is sterker dan hemzelf, hij weet niet eens waar hij de onverwacht grootse kracht vandaan haalt en zegt tegen zichzelf: ‘en morgen word ik een sperwertje.’ Hij zet een volgende stap, de auto’s toeteren. ‘En dan maak ik een duikvlucht’, nog een stap, ‘en zo weer hop de lucht in.’ Chauffeurs schelden maar hij is onverstoorbaar, dit is de over-tochtvan zijn leven, hij maakt een sprongetje en nog een. Een wezel steekt de kop op, kijkt naar Alfred en rent dansend, alle zekerheden ontlopend, op hem af, een aankomende auto wijkt uit, verliest de controle over het stuur, botst tegen de gevel van de Wetstraat 16 en de daarin door betonrot en roest loshangende Kafka-meter schiet uit de pluggen, valt in de richting van het hoofd van de nu samen met de wezel zigzag-dansende Alfred Knipper.
Nooit was het Nieuwe Jeruzalem zo dicht bij.
1 Ik denk aan Gombrowicz en zijn onzuiverheid, zijn onvolwassenheid. Ik denk aan Roberto Bolano’s onbeteugelbare literaire woekering. Ik denk aan de wanhopig komische, theoretische hysterie in het theater van René Pollesch.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.