Stefanie Wenner (l.) als middernachtspreker met Lars Eidinger (Schaubühne)

Leestijd 6 — 9 minuten

Wat is curateren?

Bericht uit het buitenland

Zo’n veertig jaar geleden richtte Harald Szeemann het Agentschap voor intellectuele gastarbeid op, als alternatief voor en antwoord op de praktijk van de curator als hoeder van het culturele erfgoed in instellingen. Daarmee introduceerde hij, naar eigen zeggen, in de beeldende kunst een praktijk die in het theater al lang gangbaar was: intendanten nodigden gastregisseurs uit en gingen op toernee met eigen producties. Daardoor was het instituut theater beweeglijker dan het museum. Kunstenaars stelden de kunst in vraag, museumlui de musea, theatermakers het theater. De relaties moesten beweeglijker worden en de tentoonstellingen meer volgens thema samengesteld. In de beeldende kunst oefent de curator sedertdien in thematische tentoonstellingen een soort iconoclastische functie uit, want hij brengt een verhaal en laat de beelden niet voor zich spreken. De volgorde die de curator voor de tentoonstellingsbezoeker opstelt, vertelt een verhaal dat het afzonderlijke beeld of werk overtreft. Daarmee hebben curatoren zoiets als een kunstenaarsstatus verworven.

De onnauwkeurigheid is in geen geval een benadering, integendeel, ze is het precieze verloop van de gebeurtenissen.
Gilles Deleuze

Sinds een jaar ben ik curator bij Hebbel am Ufer (HAU) in Berlijn en sindsdien vraag ik mij af wat dat eigenlijk is, curateren in het theater. Hebbel am Ufer is een huis zonder ensemble, eigenlijk zijn het drie huizen waar er onder de artistieke leiding van een intendant en twee curatoren een programma wordt gemaakt met werk uit de Duitse vrije scène (de zgn. ‘freie Szene’, dit zijn onafhankelijke groepen die niet aan een stadstheater verbonden zijn – red.) en met internationale gastvoorstellingen. Sinds 2003 heeft performancekunst hier een plaats, net als documentair theater en werk van buitenlandse regisseurs. Er waren festivals die de relatie tussen theater en economie, tussen theater en beeldende kunst uitdiepten, of Pools, Afrikaans, Brits of Frans werk een kader gaven. Vaak worden er voorstellingen getoond die site-specific zijn. Het kader van de klassieke theaterproductie wordt op velerlei wijze doorbroken en in vraag gesteld. Bijna elke maand vindt er in HAU een thematisch weekend of een festival plaats, gecurateerd door de vaste curatoren, door de artistiek leider of door externe curatoren. Maar wat betekent curateren eigenlijk? Dat is een vraag die telkens opnieuw in haukringen wordt besproken, een vraag die mij vaak gesteld wordt, iets dat ik moet toelichten, dat ik verklaar door mijn werk te beschrijven. Een stukje geschiedenis.

Curatoren zijn eigenlijk bestuurders. Volgens het burgerlijk recht is een curator een door het gerecht aangestelde opzichter voor een persoon die niet aanwezig is. Het culturele erfgoed verzorgen is de taak van de curatoren in musea die een collectie beheren of tentoonstellingen organiseren. Een curatorium is een bewakend orgaan; wie ziek is, rust nodig heeft of volledig moet genezen, volgt een kuur. Als curator in het theater ben ik verantwoordelijk voor het programma. Ik reis naar festivals en premières, bekijk nieuwe stukken, beslis wat interessant zou kunnen zijn voor een Berlijns publiek en bij ons huis past, ik ontwikkel thematische lijnen voor het hele seizoen of deelthema’s. In dramaturgievergaderingen, die drie keer per week plaatsvinden, bespreken wij samen de thema’s en de planning. Met andere woorden, ook wij breien aan een verhaal dat de afzonderlijke opdrachten, de afzonderlijke werken of performances overstijgt. Daarmee zijn wij in zekere zin de concurrenten van de kunstenaars met wie wij samenwerken, want zij ontwikkelen zelf thema’s. Om een coherent plaatje te maken met vrije groepen en internationale gastvoorstellingen, lijkt het echter zinvol om een raamvertelling te ontwikkelen, en dat is wat ik als curator doe. Of dat gerechtvaardigd is of niet, is een andere kwestie, het is mijn praktijk.

Onlangs vond bij ons 100° plaats, een marathon van groepen uit de vrije scène, met opvoeringen om het uur in alle drie de huizen gedurende vier dagen. 100° is de chaotische poging die jaarlijks plaatsvindt om het theater een verlengd weekend lang aan de vrije groepen over te laten. Een anticuratorische praktijk in zekere zin, want er wordt niet geselecteerd. Samen met de Sophiensaele bieden wij ongeveer 150 groepen de mogelijkheid om te tonen wat ze willen tonen. Zonder voorselectie: wie eerst komt, krijgt een plaats in het programma. Er zijn fantastische
dingen te zien, er zijn verrassingen bij, maar er zijn ook mislukkingen en momenten van verveling. Het publiek houdt van dit platform. En zij die het geluk hebben om iets op de podia van de deelnemende huizen te kunnen tonen, vinden het ook geweldig. Critici zeggen dat 100° niets anders dan een castingshow is, televisie kopieert en bijgevolg in strijd is met de kritische theaterpraktijk waarvoor HAU staat. De winnaars – door een onafhankelijke jury gekozen – krijgen de kans om hun werk nog eens in de huizen te tonen, deze keer met de gebruikelijke aankondiging in het reguliere programma van het theater. Tijdens die vier dagen ontmoeten de kunstenaars curatoren, programmatoren en vertegenwoordigers van Europese festivals, zogenaamde middernachtsprekers vatten de dag samen, en bij ‘100 Raad’ kan de jongere generatie aan gevestigde theatermakers om raad vragen. De installaties, de klokvaste voorstellingen en de nachtelijke feestjes dragen bij tot een soort gemeenschap voor vier dagen, er wordt besproken welke interessante dingen er te zien waren, en daarmee ontstaat zoiets als het klassieke festivalgevoel met zijn momenten van uitwisseling, verveling en extase. De zoektocht naar nieuw werk is zeker een motivatie om de theaters op die manier open te stellen, maar ook een verlangen naar anarchie en onrust, een drang om niet volgens thema te selecteren, maar gewoonweg te kijken naar wat er komt. Zonder een omlijstend verhaal op te dringen aan de voorstellingen, die zelf wel zullen vertellen wat ze te zeggen hebben.

‘Het curateren cureert de onmacht van het beeld, zijn onbekwaamheid om zichzelf te tonen. Het kunstwerk is aangewezen op hulp van buitenaf, het heeft een tentoonstelling nodig, het heeft een curator nodig om op poten te worden gezet. De tentoonstellingspraktijk is een geneesmiddel dat het oorspronkelijk zieke beeld gezond, dat wil zeggen present en goed zichtbaar doet verschijnen.’1 Als curateren en cureren etymologisch samenhangen, zoals Boris Groys beweert, dan is 100° zoiets als ontsnappen uit de kliniek van het theater. Ofwel gelijk te stellen met de vrije kunstmarkt, en dus toch een showcase van mogelijkheden voor de vrije groepen die zich voorstellen aan het publiek, aan programmatoren en curatoren.

Men kan gerust stellen dat het postdramatische theater net als film of beeldende kunst functioneert als een machine die beelden produceert. Curatoren moeten dan misschien toch, zoals Groys zegt, de taak van iconoclasten uitoefenen – niet in de zin van een permanent twijfelen en in vraag stellen van het beeldende van het beeld of de theatraliteit van theater of de performativiteit van performances, maar wel in de zin van een performatieve bepaling van en verhouding tot het artificiële van de theatrale ruimte die voor performancekunst misschien een even goede als slechte ruimte is als de white cube voor de kunst. Tussen de productie van kunst en het installeren van ruimtes voor het kijken pendelt dus de activiteit van de curator in het theater. De theatermachine gebruikt hij of zij voor de totstandkoming van een discursieve ruimte, die geen verhaal in de klassieke zin opzet, maar een resonantieruimte is, of een reflectie van onze tijd.

De originele Duitse versie kunt u lezen op www.e-tcetera.be.

 

1Boris Groys, ‘Der Kurator als Ikonoklast’, in: Die Kunst des Denkens, p. 93

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

column
Leestijd 6 — 9 minuten

#116

01.04.2009

—

31.05.2009

Stefanie Wenner

Stefanie Wenner (1968) was mede-oprichtster van de Diskursive Poliklinik (dpk) en is sinds februari 2008 programmamedewerker in HAU (Hebbel am Ufer), Berlijn.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!