© Nastia Krasinskaia

Leestijd 11 — 14 minuten

Visies voor het veld: Lauranne Cleenwerck

CC zkt. kunstenaar zkt. CC

In Visies voor het veld vraagt Etcetera aan sleutelfiguren naar hun perspectief op de podiumkunsten van morgen. Wat loopt goed, wat moet dringend anders? Wat zouden ze veranderen als ze morgen een almachtige minister van cultuur waren, met onbeperkte middelen en bevoegdheden? Deze week: Lauranne Cleenwerck, podiumprogrammator bij CC Brugge.

In de Landschapstekening 2025: Podiumkunsten wordt een passage gewijd aan productiedwang en zichtbaarheidsdruk bij artiesten. Artiesten signaleren dat de focus in ons podiumkunstenveld steeds meer op het snel-verwachte-eindresultaat – ‘de voorstelling’ – ligt. Even kort door de bocht: als CC-programmator boek je een voorstelling, pakweg een jaar later hoor je de artiest/booker opnieuw om in huis alle voorbereidingen te treffen, de voorstelling wordt gespeeld en daarna gaan alle partijen weer hun eigen weg. Een geroutineerd patroon, op naar de volgende.

In deze doorgedreven va-et-vient-cultuur lijken wij, als ontvangend huis, het contact te verliezen met al datgene dat ‘het eindproduct’ vooraf gaat. We vervoegen ons pas bij het artistieke parcours aan de eindmeet, op het moment dat de marathon bij wijze van spreken al gelopen is. Ieder blijft wat op zijn eigen eiland, een gemiste kans als het over wederzijdse betrokkenheid en uitwisseling van praktijken gaat.

Wat zou er gebeuren als we onszelf wat vaker de toestemming geven om die va-et-vient-routine te doorbreken, om een versnelling terug te schakelen en andere manieren van samenwerken te onderzoeken? Ontstaat er dan (opnieuw) ruimte voor een ander soort gesprek, voorbij het onderwerp van die ene voorstelling? Spoiler alert: het antwoord is ‘ja’ – en daarvoor moeten we buiten de lijntjes durven kleuren – of beter gezegd: breken met verouderd vakjesdenken.

Een eerste coproductie die smaakt naar meer

Toen ik begin 2023 net op post was als podiumprogrammator bij CC Brugge, werden we benaderd door theatermaakster Julie Delrue: of we geen coproducent wilden zijn voor haar eerste solovoorstelling Mamamanie? Op dat moment had ik nog nooit een coproductie getrokken. Blanco blad. We kozen ervoor om niet uitsluitend financieel te investeren, maar ook ruimte te creëren voor residenties, try-outs en uiteindelijk de première. Al snel werd duidelijk dat deze samenwerking een veel grotere betrokkenheid van ons, als CC, zou vragen dan wanneer we gewoon een afgewerkte voorstelling programmeren.

Het klinkt misschien banaal, maar er was bijvoorbeeld nog geen technische fiche. Mamamanie heeft technisch vorm gekregen in onze zaal. Voor onze technische ploeg, die het (voor het gros van onze programmatie) gewend is met kant-en-klare technische fiches te werken, was dat best een aanpassing. Er werden dingen uitgeprobeerd, bijgeschaafd en weer overboord gegooid. Er kon minder snel worden doorgewerkt, dit procesmatig werken dwingt een zekere traagheid af. Dat hoeft, voor alle duidelijkheid, geen struikelblok te zijn. Het vraagt wel een andere mindset. Plots heb je artiesten in huis die voor langere tijd aan één en hetzelfde project komen werken. De theaterzaal is tijdelijk niet beschikbaar voor andere programmatie, eigen of extern. Meteen rijst de vraag: hoe kunnen we dit verlies aan potentiële inkomsten verantwoorden? Je voelt dat deze manier van werken niet inherent is aan het DNA van een cultuurcentrum. De return van een residentie is niet tastbaar, niet in centen meetbaar, en daardoor moeilijker te duiden.

“Mamamanie was een samenwerking met veel ruimte voor trial and error die artiest, ontvangend huis en publiek ongezien dicht bij elkaar bracht.”

Maar de return is er wel degelijk. Niet alleen intern, maar ook richting het publiek. Met Mamamanie werd van bij het begin al een andersoortige betrokkenheid geïnstalleerd. Dat ging heel organisch. De artistieke ploeg had het idee om try-outs te organiseren voor een klein publiek, met na afloop ruim de tijd voor een babbel. Het waren ijsbrekers van formaat. Wanneer er openlijk naar ongezouten feedback wordt gevraagd, voel je je als toeschouwer meteen verbonden en misschien zelfs mede verantwoordelijk voor de voorstelling. Veel mensen  waren er opnieuw bij tijdens de première. Net als wij, de medewerkers van het cultuurcentrum, zagen ook zij de voorstelling groeien en vorm krijgen. Mamamanie was een samenwerking met veel ruimte voor trial and error die artiest, ontvangend huis en publiek ongezien dicht bij elkaar bracht. Ik weet nog dat ik toen dacht: “Dit is zo belangrijk, dit wil ik nog!”

En dat doen we. Vandaag volgen we nog steeds het werk van Julie die intussen, samen met Ilse De Koe, de vzw Another Hero oprichtte. Een professioneel creërend theatercollectief met uitvalsbasis in Brugge, dat is behoorlijk uitzonderlijk. Het is opnieuw een blanco blad dat ik in de komende jaren, samen met hen, helemaal wil volkrabbelen. Kan Brugge een uitvalsbasis worden voor hun toekomstige premières? Is er vanuit de stad ruimte om hen structurele steun te bieden, los van de individuele projectsubsidie-aanvragen bij de Vlaamse overheid? Zijn er bepaalde ideeën of projecten die op maat van de stad kunnen uitgerold worden – al dan niet met een vervolgverhaal in andere steden en gemeenten? Hoever kunnen wij springen in het faciliteren van residenties? Kunnen we bouwen aan een publiek dat langere speelreeksen mogelijk maakt? Kort gesteld: is er ruimte voor een praktijk die ons toelaat na te denken op de lange termijn, los van (of niet uitsluitend gebonden aan) het ‘concrete eindproduct’ – met name een voorstelling voor publiek?

Eigen kweek, een brug tussen jonge makers, CC’s en publiek

Een soortgelijke werking, die weliswaar de grenzen van de stad Brugge ver overschrijdt, is Eigen Kweek. Eigen Kweek is een ontwikkelingsplatform voor jonge makers en aspirant-zakelijk leiders dat sinds haar oprichting in 2015 door maar liefst 55 (!) cultuurcentra gedragen wordt, in samenwerking met Trappelend Talent, Theater Aan Zee en GOOD COMPANY. Het is een plek waar pas afgestudeerde of beginnende makers via een open call tijd, ruimte en advies krijgen voor de creatie van een eerste eigen podiumwerk, met daaraan gekoppeld een solide tournee langs de verschillende CC’s en TAZ. Helaas staat deze werking momenteel op inactief, omdat er vanuit Vlaanderen geen bovenlokale middelen meer zijn.

“Waarom wordt er geen ruimte gecreëerd om cultuurcentra – vanuit hun expertise – een bijdrage te laten leveren aan het podiumwerk dat in Vlaanderen wordt gemaakt?”

Eigen Kweek schuift de cultuurcentra naar voor als producerende instanties. En daar wringt volgens mij het schoentje. In het vertrouwde verhaal is het CC immers de afnemer van wat elders, vb. in de kunstencentra of stadstheaters, gemaakt wordt. Het advies van het kabinet van cultuurminister Caroline Gennez (Vooruit) luidt dan ook dat Eigen Kweek – wil het een kans op een toekomst hebben – in zee moet gaan met de kunstencentra, dat de cultuurcentra zich hoofdzakelijk moeten engageren om het werk te presenteren dat door kunstencentra geproduceerd wordt. Echter, zonder dat hiervoor extra middelen worden vrijgemaakt vanuit het Kunstendecreet. Geen extra budget dus om die open call te faciliteren of om andere voorstellingen mogelijk te maken dan degene die de kunstencentra sowieso al zouden produceren. In dit scenario borduren we voort op het vertrouwde discours: het kunstencentrum produceert, het cultuurcentrum presenteert. Het Eigen Kweek-label wordt dan compleet overbodig.

Waarom wordt er geen ruimte gecreëerd om cultuurcentra – vanuit hun expertise – een bijdrage te laten leveren aan het podiumwerk dat in Vlaanderen wordt gemaakt? Het beleid lijkt vast te lopen op de idee dat cultuurcentra ook iets wezenlijk te bieden hebben aan (jonge/startende) makers. Misschien niet in diezelfde grootorde als de kunstencentra, maar toch wezenlijk. Niet elk makersprofiel vindt immers aansluiting bij een kunstencentrumprofiel, sommigen mikken veeleer op het eerder laagdrempelige karakter van een cultuurcentrum, of beogen een breed publiek van zowel liefhebbers als leken. Denk hierbij aan de tendens waarbij kunstencentra zich meer en meer toespitsen op performatief werk, terwijl cultuurcentra de uitvalbasis blijven voor tekstgedreven toneel. Dit onderscheid vertaalt zich in onze programmaties: deels overlappend, deels totaal verschillend. Dit complementair potentieel huist óók in wat beide instellingen kunnen betekenen voor artiesten tijdens hun creatieproces.

Eigen Kweek was er in dat opzicht altijd als een brug tussen jonge/startende makers en cultuurcentra. Omdat een productie vanaf nul wordt opgestart, leren de makers de werking van een cultuurcentrum kennen – en omgekeerd krijgen cultuurcentra inzicht in de verschillende fases waarin een voorstelling tot stand komt. Het is zoeken, naar hoe die twee realiteiten elkaar kunnen vinden.

“Gemiddeld genomen is een cultuurcentrumpubliek niet bijzonder avontuurlijk. Onbekend is al te vaak onbemind, en dus is het hard werken om publiek richting de zaal te krijgen.”

Laat ons even kijken naar de residenties bijvoorbeeld. Voor cultuurcentra is het geen evidentie om voor een lange tijd een theaterzaal beschikbaar te stellen. Dit interfereert met onze eigen programmatie. Aan de éne kant hebben we veel aanbod op korte tijd (per seizoen programmeert CC Brugge zo’n 125 voorstellingen, nog los van onze schoolvoorstellingen en festivals, wat het aantal richting 225 stuwt). Aan de andere kant is er de realiteit dat er inkomsten uit zaalhuur moeten verworven worden. Daarom spannen de verschillende cultuurcentra zich in om afwisselend ruimtes beschikbaar te stellen aan de makers. Dit nomadische maakproces is misschien niet het gedroomde scenario. Tegelijk wordt hun netwerk op korte tijd sterk uitgebreid: veel residentie- en presentatieplekken, veel programmatoren, veel nieuw publiek. Wanneer er, na Eigen Kweek, een tweede (of derde of …) voorstelling volgt, dan is de drempel om de cultuurcentrumprogrammatoren aan te schrijven veel lager. Zij kennen ons, wij – programmatoren én publiek – kennen hen. Er kan verder gebouwd worden aan een gedeeld narratief. Marius Lefever, Senne Vanderschelden en Jef Van der Burght maakten in 2024 bijvoorbeeld de voorstelling Silly Symphonies onder de vleugels van Eigen Kweek. Volgend seizoen maken ze – volledig op eigen benen – een nieuwe voorstelling die gepresenteerd zal worden in verschillende CC’s. Wat een voorrecht om dit traject te kunnen volgen.

De toevoeging ‘én publiek’ is trouwens niet onbelangrijk. Gemiddeld genomen is een CC-publiek niet bijzonder avontuurlijk. Onbekend is al te vaak onbemind, en dus is het hard werken om publiek richting de zaal te krijgen. Een label als Eigen Kweek is op dat moment een dankbare kapstok: het bredere narratief prikkelt en maakt nieuwsgierig – meer dan wanneer de voorstelling geïsoleerd/contextloos in het programma wordt opgenomen. Bovendien is het een stok achter de deur, vooral bij kleinere cultuurcentra, om de presentatie van kleiner werk met een lagere publieksopkomst te verantwoorden richting een stadsbestuur.

Omgekeerd verwerven de cultuurcentra via een initiatief als Eigen Kweek inzicht in het maakproces van een voorstelling – van de schrijffase tot het afmonteren richting de première. Ik ben rotsvast overtuigd van de inherente meerwaarde hiervan. Het faciliteren van een creatieproces vergt meer dan het zuiver presenteren van een afgewerkte voorstelling – ook voor de technische en productionele medewerkers – maar de graad van betrokkenheid en uitwisseling is van een andere grootorde. Als programmator verwerf ik inzicht in de uitdagingen waar artiesten mee te maken hebben (en hoe er vanuit cultuurcentra steun kan geboden worden); hoe essentieel het is om in de theaterzaal aan een voorstelling te kunnen werken, maar ook hoe moeilijk het is om die ruimtes te vinden; hoe eigen verloning nog al te vaak  op de tweede plaats komt, hoeveel onbezoldigd werk er verzet wordt, enzovoort.

“Niet elk makersprofiel vindt aansluiting bij een kunstencentrumprofiel, sommigen mikken veeleer op het eerder laagdrempelige karakter van een cultuurcentrum.”

Door het wegvallen van de bovenlokale middelen op Vlaams niveau, en het uitblijven van toegang tot de middelen binnen het Kunstendecreet, kan Eigen Kweek geen stand houden – althans niet in de vorm zoals het vandaag bestaat. Het kabinet argumenteert dat de cultuurcentra een lokale bevoegdheid zijn. Het structureel subsidiëren van Eigen Kweek kan gelezen worden als een extra geldstroom naar die cultuurcentra, en die weg wil het kabinet niet inslaan. Op zich een solide argument, ware het niet dat er geen geoormerkte cultuurbudgetten meer zijn op stedelijk en/of gemeentelijk niveau en we dus niet op lokale gelden kunnen terugvallen. Eigen Kweek heeft die extra Vlaamse middelen dus echt nodig om haar voortbestaan te garanderen.

Kunstencentrum en cultuurcentrum, geen concurrenten

De samenwerking met Julie Delrue en het traject van Eigen Kweek draaien allebei om verbinding. Het zijn praktijken waarin het cultuurcentrum afstapt van haar geroutineerde programmapraktijk. Waarin ruimte ontstaat om duurzamere relaties met artiesten en publiek aan te gaan. Het zijn cases waarin het cultuurcentrum voor even de betwiste (co)producerende rol opneemt. Begrijp me niet verkeerd: er zit veel schoonheid in de snelle opeenvolging van podiumvoorstellingen. Telkens weer korte krachtmetingen om elke productie, elk gezelschap een fijne passage te geven. Ook daar komen waardevolle, soms hartverwarmende connecties uit voort.

“Over de bedenking of cultuur- en kunstencentra in elkaars vaarwater zouden komen, maak ik me geen zorgen. Daarvoor is ons veld meer dan divers genoeg.”

Alleen denk ik dat het geen of-of-verhaal moet zijn. Net als kunstencentra of creërende huizen steeds vaker niet-eigen werk gaan presenteren (denk aan Compagnie Cecilia, CAMPO …), zou er voor cultuurcentra legitieme, structurele ruimte mogen ontstaan om artiesten uitgebreider te ondersteunen in hun creatieproces – waarbij de cultuurcentra niet langer afhankelijk zijn van de goodwill van een stadsbestuur dat bepaalt of het zinvol is of niet om een dergelijk engagement aan te gaan. Door het verdwijnen van de geoormerkte budgetten voor cultuur kan dat vandaag twee richtingen uit. In een gunstig scenario impliceert dit veel vrijheid en vertrouwen om als huis je eigen koers uit te zetten. In het andere geval is er net sprake van een verregaande controle vanuit stedelijke of gemeentelijke besturen op het parcours dat een cultuurcentrum probeert uit te zetten.

Over de bedenking of cultuur- en kunstencentra in elkaars vaarwater zouden komen, maak ik me overigens geen zorgen. Daarvoor is ons veld meer dan divers genoeg, is er een overschot aan verhalen die verteld moeten worden, zijn er altijd stemmen die gehoord willen worden. Specifiek in Brugge vertaalt zich dit al in afstemmende gesprekken tussen kunstencentrum KAAP en CC Brugge: hoe leggen we elk onze accenten; welke makers vinden eerder aansluiting bij KAAP en andersom; waar zitten de raakvlakken en kunnen we in dat geval nadenken over copresentatie; etc. Hoe kunnen we elkaar aanvullen in plaats van beconcurreren, want daar hebben de artiesten geen boodschap aan, toch?

***

Tot slot: deze tekst werd specifiek geschreven vanuit mijn perspectief als CC-programmator, maar gaat in wezen over het erkennen/ruggensteunen van initiatieven die bijdragen aan het creëren van een meer duurzame en zorgzame kunstenpraktijk; die vertraging en dialoog tot een daad van rebellie kronen in een kunstenlandschap dat zich meer en meer laat verleiden tot winstbejag en commercieel georiënteerde verdienmodellen.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

toekomstvisioen
Leestijd 11 — 14 minuten

#181

15.12.2025

—

14.04.2026

Lauranne Cleenwerck

Lauranne Cleenwerck is programmator theater en maakte in 2023 de overstap van CC Blankenberge naar CC Brugge. Daarnaast maakt ze graag foto’s van podiumvoorstellingen, vooral voor amateurgezelschappen.

Dit artikel maakt deel uit van: Visies voor het veld

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!