© Anna Westphal

Leestijd 11 — 14 minuten

Verbinding met en in taal

Over Alma Söderbergs en Mette Edvardsens dansante omgang met tekst

De laatste decennia lijkt tekst meer aanwezig dan ooit binnen dans en choreografie. Ondanks verschillende inhoudelijke impulsen hebben recente voorstellingen die rond tekst en beweging cirkelen één ding gemeen: ze bevragen hoe connectie tussen performers en het publiek tot stand komt via taal. Wanneer wordt dans literatuur en vice versa? Rosa Lambert keek én luisterde naar Alma Söderbergs Entangled Phrases (2019) en Mette Edvardsens No Title (2014).

1

Hoe baanbrekend en vernieuwend het ooit geweest mag zijn, van dansers die beginnen spreken valt vandaag niemand nog van zijn theaterstoel. En toch wil ik het in deze tekst over sprekende dansers hebben, want wat opmerkelijk is niet zozeer dat er gesproken wordt in recente dansvoorstellingen, maar wel de vorm die dat spreken aanneemt. In het werk van choreografen als Mette Edvardsen, Alma Söderberg, Daniel Linehan, Chloe Chignell en Bryana Fritz, maar evenzeer bij theatermakers die de grens met dans opzoeken zoals Abke Haring, Hannah De Meyer, of Dounia Mahammed, doet tekst niet langer dienst als commentaar, narratieve of inhoudelijke toevoeging op de bewegingen, maar zijn tekst en beweging op een fundamentelere manier vervlochten met elkaar.

“Deze makers zetten de tekst zelf radicaal in als choreografisch materiaal.”

Meer zelfs: deze makers zetten de tekst zelf radicaal in als choreografisch materiaal. Zo fungeert tekst, op uiteenlopende manieren, als een medium voor beweging: sommigen verkennen hoe de tekst (naar analogie met een muziekstuk) een impuls kan zijn voor lichamelijke beweging, anderen onderzoeken hoe beweging tot stand komt in de tekst via het ritme of het geluid dat de woorden voortbrengen, of hoe tekst visueel in beweging gezet kan worden in een digitale projectie.

Die hernieuwde interesse in het choreografisch potentieel van tekst laat zich daarom het best situeren in een spreidstand tussen twee schijnbaar tegengestelde kunstvormen, tussen dans en literatuur. In haar inleiding op twee kunstenaarsbijdragen van Bryana Fritz en Mette Edvardsen in Etcetera stuurt Charlotte De Somviele aan op iets gelijkaardigs door hun teksten voor te stellen als ‘poëzie, met een grote choreografische gevoeligheid.’ Hier wil ik verder inzoomen op de voorstellingen Entangled Phrases (Söderberg 2019) en No Title (Edvardsen 2014) om die literaire omgang met dans (of choreografische omgang met tekst) uit te diepen. Via het samenspel tussen dans en literatuur verbeelden beide voorstellingen immers een niet-dwingende vorm van collectiviteit en maken ze tastbaar hoe een poging tot connectie kan berusten op – en in – frictie.

 2

In Entangled Phrases zitten drie performers (Alma Söderberg, Anja Muller, en Angela Peris Alcantud) op een rij van drie stoelen tegen de coté cour van het podium, terwijl hun blik op de coté jardin is gericht. Na een moment van geconcentreerde stilte strekt Söderberg, die in het midden zit, haar armen voor zich uit en maakt ze een beweging die lijkt op het trekken aan een (onzichtbaar) touw. Haast gelijktijdig begint ze te spreken: ‘the time that, the time that, the time that.’ Kort nadien neemt Muller de touwtrekbeweging over en valt ze in met iets dat lijkt op ‘needs that, needs that, needs that.’ Wanneer Alcantud hen vervoegt, is het onmogelijk om nog te onderscheiden wat zij en de twee andere performers zeggen. Zo gaan ze ongeveer een halfuur door, en verweven ze geluid, tekst en beweging tot een hypnotisch en ritmisch geheel aan klanken. Op sommige momenten vangen we als toeschouwers een glimp op van de tekst die de basis vormt van de soundscape: wanneer twee performers plots dezelfde zin zeggen, of wanneer één van hen kort pauzeert alvorens in te vallen, kunnen we woorden zoals ‘institution,’ ‘problem,’ of ‘solution’ onderscheiden. Maar het is pas op het einde van de voorstelling dat we volledig toegang krijgen tot de tekst, namelijk wanneer we bij het naar buiten gaan een papier ontvangen waarop een gedicht van Söderberg staat gedrukt. Het blijkt het gedicht te zijn dat de basis vormde voor het klankenspel aan het begin van de voorstelling: in het gedicht verschijnen dezelfde zinnen en woorden die de toeschouwer kon herkend hebben in de soundscape.

In No Title staat Mette Edvardsen alleen op een leeg podium en zijn haar ogen gesloten wanneer ze de eerste woorden uitspreekt: ‘the beginning–is gone, the space is empty–and gone, the prompter has turned off his reading lamp–and gone.’ Geleidelijk aan ontstaat er een ritmisch patroon in de tekst waarbinnen elk object, elke actie, of elke situatie die wordt geïntroduceerd daarna onmiddellijk als ‘gone’ wordt verklaard. Sommige verdwenen elementen zijn moeilijk voor te stellen, zoals ‘going straight to the point,’ ‘the beginning of time,’ of ‘unshaped openness.’ Andere zaken blijven dan weer heel generisch, zoals ‘visions are gone, image is gone, outlines are gone, colours are gone, reflections are gone, emission is gone.’ Doorheen de voorstelling ontvouwt er zich een ruimte die veel verder reikt dan de zaal waarin de voorstelling zich afspeelt. Hoe verder de voorstelling vordert, hoe meer de denkbeeldige ruimte gevuld raakt met allerlei beelden, en hoe groter het contrast wordt met de leegte van het podium. De beweging die deze tekst evoceert bevindt zich dus vooral in de verbeeldingswereld van de toeschouwer, waar er op het ritme van Edvardsens tekst voortdurend objecten naar binnen en buiten worden gebracht.

Zowel de tekst van Söderberg als van Edvardsen gedraagt zich op een grillige en eigenzinnige manier in de performances zelf. In Söderbergs voorstelling is die grilligheid vooral voelbaar in de manier waarop de soundscape zich duidelijk als een tekst profileert, zij het één die bijna voortdurend onbereikbaar is. De tekst wordt voor ons achtergehouden, maar wordt daardoor precies net aanweziger als tekst, als een object dat zich in wezen (ook, of misschien zelfs, vooral) elders, buiten de opvoering bevindt. In No Title zit het ‘m vooral in hoe in Edvardsens zegging nauwelijks interpretatie doorklinkt, ze klinkt als een verteller die zichzelf uitgomt en die erop gericht is onze aandacht van zichzelf af en naar de tekst toe te leiden. En daarom voelt het van belang om de tendens om tekst opnieuw binnen te brengen in dans te situeren op het snijvlak tussen dans en literatuur–en het te herkennen en erkennen als een vorm van schrijven.1

3

Het spreken van de dansers in Entangled Phrases en No Title mag dan wel volkomen anders klinken, de literaire omgang met dans lijkt in beide gevallen een gelijkaardige (haast utopische) geste te behelzen. Op een aftastende en niet-dwingende, maar tegelijkertijd volhardende en trefzekere manier zoeken beide voorstellingen naar een vorm van collectiviteit waarin er voldoende ruimte blijft voor individualiteit.

In Entangled Phrases toont de vorm van collectiviteit tussen de performers zich in de interactie tussen de tekst als klankenspel en de bewegingen die ermee corresponderen. De drie aparte stemmen van de performers vervlechten zich in de soundscape tot één heterogeen en meerlagig geluid. Ergens halverwege het eerste deel van de performance klinkt plots iets dat lijkt op ‘re-a-lation, it’s a re-lation, re-a-lations,’ en op dat moment lijkt de voorstelling expliciet te maken waar het over wil gaan. Niet alleen hun zinnen raken verstrengeld (zoals de titel suggereert), de performers zelf raken ook verweven met elkaar in en via het geluid dat ze produceren waarbinnen het moeilijk, zo niet onmogelijk, is om verschillende stemmen te onderscheiden. De bewegingen lijken het aftasten en elkaar zoeken, het verliezen en weer terugvinden, te structureren en te ondersteunen. Zo veruiterlijkt Entangled Phrases hoe connectie tot stand komt in een lichamelijke en tekstuele afstemming tussen individuen, waarin de individuele stem zich voortdurend moet verhouden tot het klankenspel van het collectief geluid waar het aan bijdraagt.

Terwijl we visueel uiteraard drie verschillende performers aan het werk zien, is het auditief moeilijk om hun stemmen van elkaar te (onder)scheiden. Ook al spat er voornamelijk plezier van het klankenspel af, de zoektocht naar afstemming is er één die een grote portie inspanning vergt. Bij elk nieuw of veranderend woord/geluid dat de performers aan de soundscape toevoegen, moeten ze de connectie en afstemming opnieuw herdefiniëren en -ontdekken. Daarnaast ontstaat er ook meermaals een ritmische frictie, en zijn er momenten waarop je het gevoel krijgt dat de soundscape even niet meer helemaal rolt en het samenzijn ontmanteld raakt, alvorens het zichzelf weer in balans probeert te krijgen. Zo toont de voorstelling menselijke connectie niet als voldongen feit, maar als een onophoudelijke poging, als iets waar telkens opnieuw naartoe gewerkt moet worden. De vorm van collectiviteit die Entangled Phrases veruiterlijkt, is daardoor allesbehalve naïef of ongecompliceerd; het ziet eruit als een proces dat geen voltooiing of eindpunt kent en waarbinnen het collectief zich steeds weer moet afstemmen op de singulariteit van de verschillende stemmen.

“De voorstelling toont menselijke connectie niet als voldongen feit, maar als een onophoudelijke poging, als iets waar telkens opnieuw naartoe gewerkt moet worden.”

No Title van Edvardsen onderneemt een gelijkaardige poging om de afstand tussen individuen op een zachte manier te overbruggen via tekst, zonder dat de particulariteit van de individuen zich dwingend laat opslokken in het collectief. Anders dan in Entangled Phrases ontvouwt deze collectiviteit zich nu exclusief tussen performer en toeschouwer en kan de voorstelling gezien worden als één grote poging van Edvardsen om de individuele toeschouwer te betrekken in het gemeenschappelijke denkexperiment. Hoewel de verbeelding van een individuele toeschouwer een belangrijke rol speelt in zowat elke voorstelling, is het appel op de verbeelding van de toeschouwer in het geval van No Title nadrukkelijker aanwezig in keuzes op niveau van de tekst. Het is voornamelijk de tekst zelf die aanstuurt op een gedeelde, collectieve ruimte die evenwel voortdurend in dialoog treedt met de individualiteit van de persoonlijke verbeelding.

De beelden die Edvardsen in vrij hoog tempo na elkaar opsomt, zijn niet in de diepte uitgewerkt, verschijnen nooit in hun volledigheid en zullen dus onvermijdelijk andere associaties evoceren in de verbeelding van verschillende toeschouwers – en toch zijn de mogelijkheden niet helemaal eindeloos: de grenzen van de individuele verbeelding zijn tegelijkertijd afgebakend door de tekst die Edvardsen brengt. Door de tekst te laten steunen op de individuele verbeelding van de toeschouwer omzeilt Edvardsen elegant de positie van controle of autoriteit: ze geeft uitsluitend de aanzet voor het beeld alvorens het beeld te ontkennen, en vermijdt zo de positie van degene die beslist waar haar tekst over moet gaan. In haar reflectie op de rol van verbeelding in Edvardsens werk omschrijft Bojana Cvejić het als volgt: ‘No Title [beveelt] het publiek niet om bepaalde beelden op te roepen. Er schuilt iets heel sterks in de onverschilligheid van het generieke en in de spaarzaamheid van kale contouren (in plaats van (kleur)rijke beelden)’.2 Wanneer Edvardsen met gesloten ogen voorzichtig door de ruimte begint te wandelen, belichaamt ze de gedeelde onwetendheid waar dit werk op rust – zowel toeschouwer als performer verkent de imaginaire ruimte die de tekst oproept, terwijl geen van beide de ruimte in z’n volledigheid kan zien.

Op een vergelijkbare manier als in Entangled Phrases speelt de lichamelijkheid waar Edvardsens tekst aan appeleert een sleutelrol in hoe de tekst het samenzijn tussen performer en toeschouwer structureert. In haar uitnodiging om onze verbeelding los te laten op haar tekst betrekt Edvardsen niet alleen onze cognitieve verbeelding, maar vooral ook ons zintuiglijk voorstellingsvermogen. Soms beschrijft ze dingen die maar moeilijk visueel voor te stellen zijn, zoals bijvoorbeeld ‘the distinction between thinking and doing is gone’ of ‘orientation is gone.’ Ze bespeelt ook meermaals onze auditieve (‘silence / deep trembling sound / my breath, surprisingly loud, and heartbeats – gone’) en tactiele (‘not not feeling’ of ‘warmth is gone’) verbeeldingsregisters. Net als in Entangled Phrases maakt tekst ook in No Title een lichamelijke connectie mogelijk tussen individuen, en actualiseert de wisselwerking tussen individu en collectief zich in en rond de tekst.

“Het samenspel tussen tekst en beweging raakt een fundamenteel aspect van onze menselijke conditie: hoe connectie tussen individuen tot stand komt in een duet tussen taal en lichaam.”

Zo raakt dat elegante samenspel tussen tekst en beweging dat de twee voorstellingen kenmerkt een fundamenteel en inherent aspect van onze menselijke conditie aan: het laat ons, letterlijk, aan den lijve ondervinden hoe connectie tussen individuen tot stand komt in een duet tussen taal en lichaam. Als lezing van een werk mag dit banaal klinken, evident zelfs, maar de fijnmazige evenwichtsoefening tussen tekst en beweging waarbinnen die sensatie tot stand komt is dat allesbehalve. Die evenwichtsoefening gaat immers voorbij aan een louter cognitief of cerebraal begrip van taal – als iets dat de complexiteit van de werkelijkheid bevriest in starre categorieën en dat zich onderscheidt van het lichamelijke dat volgens diezelfde logica dan eerder doelt op het intuïtieve of het onbenoembare. In de connectie tussen individuen in Entangled Phrases en No Title, daarentegen, toont het talige zich als de opening naar het intuïtieve en lichamelijke. Bovendien: geen van beide voorstellingen presenteert dit inzicht over connectie als de ‘boodschap’ van het werk – de tekst in beide voorstellingen omzeilt eenduidigheid en situeert zich vooral op het niveau van het niet-nadrukkelijke.3 De tekst dient voornamelijk om een ruimte te ontvouwen waar collectiviteit mogelijks kan ontstaan (en belangrijk: mogelijks ook niet).

In de spreidstand tussen dans en literatuur waar deze werken op rusten verschijnt tekst als iets dat zichzelf kan ontmantelen zonder in relativiteit te verzanden, als iets dat tegelijkertijd eenduidigheid uitsluit en toch een wezenlijke connectie tussen lichamen kan bewerkstelligen. Er schuilt iets radicaals en verfrissend in het soort taalgebruik dat gericht is op (lichamelijk) afstemmen – net omdat het mijlenver verwijderd lijkt van een retoriek gericht op overtuigen, ompraten, of, in het slechtste geval, verdelen. Naar mijn aanvoelen heeft de choreografische interesse in tekst ons daarom vandaag (misschien zelfs meer dan ooit) iets te vertellen dat van wezenlijk belang is.4

1De literaire aard van dit choreografisch experiment wordt nog duidelijker wanneer de choreografische omgang met tekst zich ook letterlijk op een blad aan ons presenteert. Na afloop van Entangled Phrases gebeurt dit vrij expliciet – we krijgen de tekst mee op een blad papier. Ook Edvardsen gaf in 2019 de tekst van No Title uit als deel van de bundel Not Not Nothing, samen met de teksten van haar voorstellingen Black (2011), We to be (2015), en oslo (2017). Niet toevallig hebben de andere hierboven vermelde makers ook de tekst na hun voorstellingen meegegeven of achteraf gepubliceerd: zowel Hannah De Meyer, Abke Haring en Dounia Mahammed brachten hun voorstellingen op papier uit. Net als Söderberg na Entangled Phrases en ook Edvardsen na afloop van de prequel op No Title, Black (2011), gaf ook Chloe Chignell na afloop van Poems and Other Emergencies (2020) het dichtfragment dat werd voorgedragen tijdens de performance op papier mee aan haar publiek. Meer dan een uitnodiging om de tekst door iemand anders te laten spelen, onderstrepen deze publicaties dat het snijpunt tussen tekst en beweging niet (alleen) in de belichaming (of de opvoering) van de tekst wordt verkend, maar ook in de compositie van de tekst zelf. De publicaties van dit werk nodigen een mogelijke lezer uit om in literaire procedés een choreografische inzet te herkennen: een schrijver met een scherp gevoel voor timing, ruimte en ritme, die de compositie van beweging in de vingers heeft, die de aanwezigheid van de toeschouwer meeneemt in het bewustzijn van een tekst, en die met/in de tekst ook zichtbaar aan die toeschouwer appeleert.2Cvejić, B. (2018). Naar een poëtica van de verbeelding. Over de poëzie van Mette Edvardsen, die de clandestiene kant der dingen wil zien. Etcetera, 154.3Niet toevallig is wat Cvejić daarover schrijft in de context van Edvardsens werk ook bijna rechtstreeks van toepassing op Söderbergs voorstelling: Edvardsens voorstellingen, zo schrijft Cvejić ‘verlangen van hun publiek dat het luistert. In de nadrukkelijke zin heeft luisteren iets onderdanigs (degene die luistert, gehoorzaamt). En toch ervaar ik het tegengestelde in de context van deze twee werken: de druk om mee te doen valt weg, net als de druk om te praten of om eender welke actie te ondernemen om mijn rol als kijker te verifiëren’4Veel dank aan Lieze Roels voor de inzichten in en aanmoedigingen rond deze tekst, maar ook voor onze langere praktijk van teksten uitwisselen, waarin we de betekenis kunnen ondervinden van waar deze specifieke tekst rond draait: dat tekst een ruimte kan openen waarbinnen een duurzame connectie tussen individuen zich kan ontwikkelen.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 11 — 14 minuten

#176

01.06.2024

04.09.2024

Rosa Lambert

Rosa Lambert behaalde vorig jaar haar doctoraat in Theaterwetenschap en Intermedialiteit aan de Universiteit Antwerpen met een proefschrift over de spanning tussen tekst en beweging in hedendaagse podiumkunsten. Momenteel is ze verbonden aan New York University voor een onderzoeksproject over Judson Poets’ Theater – podiumkunstenaars die in de jaren 1960-1970 ook op zoek gingen naar waar choreografisch en literair experiment elkaar kunnen vinden.

RECENT VERSCHENEN

essay

RECENT VERSCHENEN

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!