Artists’ Entrance: Meg Stuart
Meg Stuart
Gerard Walleyn, Nolle Versyp en Nicole Delvaux in ‘Poetsoek’ door Theater Vertikaal (1970)
Václav Havel was toneelschrijver, dissident – vijfjaar van zijn leven bracht hij in de gevangenis door – en politicus. Hij was de laatste president van Tsjecho-Slovakije en de eerste van Tsjechië. Hoe zal hij herinnerd worden? Zelfheeft Havel zich ooit grappend laten ontvallen: ‘Vroeg of laat word ik natuurlijk vergeten. Maar gelukkig is er nog altijd die foto waarop ik met Arnold Schwarzenegger sta.’ Marc Holthof blikt terug op leven en werk van een icoon uit de tijd van het gedeelde Europa.
Op 18 december aanstaande is het een jaar geleden dat de Tsjechische president, essayist en toneelauteur Václav Havel (1936-2011) overleed. Vandaag lijkt hij als politieke en literaire figuur tot het verleden te behoren, bijgezet te zijn in de geschiedenis. Gebeurtenissen waarbij hij een grote rol speelde, zoals de Praagse Lente in 1968 en Charta 77, lijken niet meer dan een voetnoot bij de val van het communisme. Toekomstige generaties zullen zich allicht niet veel meer herinneren dan het jaartal 1989 en de val van de Berlijnse Muur.
Was Václav Havel theatermaker of was hij politicus? Paste de rol van president hem, of niet? Is zijn theaterwerk alleen maar betekenisvol in een politieke context, of spreekt het ook vandaag nog aan? Is de impact die Havel heeft gehad een gevolg van zijn theaterwerk of van het feit dat hij een dissident was die toevallig ook schreefr Kortom: zal men, moet men zich Havel herinneren?
Wie de moeite neemt om Havels werk opnieuw te lezen en in zijn context te plaatsen merkt dat theater en politiek naadloos in elkaar overlopen. Tedereen die het woord neemt in het openbaar en probeert daar invloed mee uit te oefenen, zit in de categorie “drama”,’ zo stelde ooit de Nederlandse politicus Hans van Mierlo (die er als jongeman van droomde om acteur te worden). De ideeën – en een flink deel van de stukken – van Vaclav Havel zijn in elk geval nog altijd verrassend actueel. En niet alleen in Oost-Europa.
Odcházení (‘Vertrek’) is de titel van het laatste stuk van Vaclav Havel uit 2007. Het is het enige lange toneelstuk dat hij schreef sinds 1989, het jaar waarin hij president werd van de Tsjechoslovaakse en later de Tsjechische republiek. Odcházení vertelt, in een opmerkelijke mengeling van reminiscenties aan De kersentuin en King Lear, over de voormalige kanselier Victor Rieger die – net voor hij de macht doorgeeft – nog even in de fraaie regeringsvilla met kersentuin blijft wonen. Een villa die hij in de loop van het stuk moet afstaan aan zijn opvolger en aartsrivaal Patrick Klein. Die is echter niet van plan er zelf in te trekken:
Klein: ‘Hier; waar nu deze onproductieve boomgaard is, gaan wij een behoorlijk groot sociaal en commercieel centrum bouwen. Met drie cinema’s, vijf winkels, een massagesalon, een coiffeur, een boetiek,…, een beenhouwer, een benzinestation, een danszaal, een tattooshop,…, een antiekzaak…, en drie restaurants, waaronder een Thaise zaak. Daar in het koetshuis komt een casino. Casino’s maken onverbrekelijk deel uit van de tijd waarin wij leven, is het niet?… En tenslotte, daar in de villa, zal een moderne erotische entertainmentclub komen… Bij dit alles ga ik uit van het principe van “less government.” Daarom ga ik de club verhuren aan een vriend…, een privéondernemer die tonnen ervaring heeft in veel verschillende landen. Honderden jonge Oekraïense vrouwen danken alles aan hem.’
Dit Tsjechische winkelcentrum is niet alleen een metafoor voor de uitverkoop van Oost-Europa – waar de moeizaam bevochten vrijheid in no time plaats maakte voor het meest ordinaire winstbejag. Havel illustreert hoe politici overal ter wereld niet verder kijken dan hun ‘Uplace’ lang is. En hij toont hoe de politiek (en niet alleen de totalitaire politiek van de communisten) tijdens zijn regeringsperiode plaats moest ruimen voor de economie en de financiën die vandaag de wereld beheersen.
De pessimistische toekomstvisie die naar voren komt uit Havels laatste stuk of uit zijn memoires Prosim Struckne (‘Wees kort, alsjeblieft’, in het Engels vertaald als ‘To the Castle and Back’, 2006) is heel anders dan deze waarmee het allemaal begon.
Václav Havel werd op 5 oktober 1936 in Praag geboren. Hij kwam uit een welgestelde burgerlijke familie. Zijn vader bezat grond in de Praagse voorstad Barrandov en was eigenaar van de Barrandov Film Studios. De eigendommen van de familie werden door het communistisch regime geconfisqueerd.
Als zoon uit een burgerlijke familie kon Havel niet aan de universiteit gaan studeren. Al op vijftienjarige leeftijd begon hij te schrijven en met zijn kostschoolmakker (en latere filmregisseur) Milos Forman bezocht hij de dichter Jaroslav Seifert, aan wie hij zijn eerste schrijfsels liet lezen. Tijdens zijn militaire dienst in 1958 schreef Havel samen met een collega-soldaat een komisch stuk over het leven in het leger. Het stuk haalde de finale van een legerwedstrijd, maar wordt vervolgens verboden als subversief. Havel was gefascineerd door het theater en begon onderaan de ladder: als toneelknecht in het ABC Theater en dan in het kleine Balustrade Theater, waar hij zich opwerkte tot dramaturg. Hij studeerde – per correspondentie – aan de theaterfaculteit van de Academie voor Podiumkunsten.
Het eerste eigen stuk van Havel dat werd opgevoerd was Záhradní slavnost (‘Het tuinfeest’, 1963). Het werd gepresenteerd in een reeks van absurd theater in het Balustrade Theater. Het stuk bracht Havel wereldwijd succes. Bij ons bracht Theater Vertikaal het in 1967 op de planken.
De hoofdpersoon lijkt (zoals in bijna al zijn stukken) sterk op Havel zelf. Hugo Pludek komt uit de Tsjechische middenklasse. Zijn ouders maken zich zorgen over zijn toekomst en bezorgen hem een afspraak met de invloedrijke ambtenaar Mr. Kalabis tijdens een tuinfeest. Hugo heeft een reeks absurde ontmoetingen, maar vindt Kalabis nooit. Alle medewerkers van Kalabis spreken een ideologische, ontmenselijkte taal, zoals van hen verwacht wordt in het bureaucratische systeem. De intelligente Hugo past zich snel aan, en gaat een taaltje vol clichés spreken. Ten gevolge daarvan verliest hij zijn identiteit. Aan het slot van het stuk herkennen zijn eigen ouders hem niet meer.
Het tuinfeest is een satire op de moderne bureaucratie. Net als George Orwell legt Havel de manier bloot waarop in een totalitaire staat de taal wordt misbruikt. Maar anders dan Orwell legt hij de schuld daarvoor niet alleen bij de machthebbers, maar ook bij de bevolking zelf, die uit gemak- en carrièrezucht heult met het regime. Net als Etienne de la Boétie (1530-1563) in zijn Discours de la servitude volontaire benadrukt Havel telkens weer de medeplichtigheid van de ‘slachtoffers’ aan een totalitair regime dat het zonder deze collaboratie niet lang zou uithouden.
Havel ging op de ingeslagen weg verder met Vyrizuméni (‘De dienstnota’, 1965), een van zijn beste stukken, dat eveneens wordt opgevoerd in het Balustrade Theater. Het stuk gaat over de wederwaardigheden van Josef Gross, de directeur van een (niet gespecificeerde) organisatie die in de greep is van een ongebreidelde bureaucratie. De introductie van een kunstmatige taal, Ptydepe, zou de communicatie tussen de ambtenaren moeten stroomlijnen, maar doet precies het tegenovergestelde. Ptydepe wordt de aanleiding tot een machtsstrijd tussen de goed menende directeur, die niet eens geïnformeerd is over de invoering van de taal, en zijn machiavellistische onderdirecteur Balas. Met veel ironie hekelt Havel de interne machtsstrijd binnen de bureaucratie en de constante surveillance van de werknemers door kantoorspionnen (die door spleten in de muur toekijken, een job die ook de gedegradeerde Gross even moet uitoefenen). Hoewel vol referenties aan de Tsjechoslovaakse realiteit, slaagt Havel erin om het thema universeel te houden. Hij neemt de kantoorslavernij waar ook ter wereld op de korrel (Ricky Gervais’ The Office, hier bewerkt tot Het Eiland, is soms niet ver).
Tegelijk is De dienstnota een scherpe satire op de utopische idealen van het communisme – de basis ervan, het marxisme-leninisme, is immers net als Ptydepe een rationeel gedrocht. Een monster dat – omdat het niet werkt in de praktijk – constant herzien, gereviseerd en tegengesproken moet worden – tot het niet meer is dan een leeg excuus voor een almachtige bureaucratie. Als Ptydepe niet blijkt te werken en Gross er eindelijk vanaf denkt te zijn, wordt door de bureaucratie een nieuwe artificiële taal voorgesteld en kan het hele spelletje opnieuw beginnen.
Interessant is nog dat Gross in de loop van het stuk herhaaldelijk geconfronteerd wordt met de vicieuze cirkels van de macht. Die maken elke actie onmogelijk, maar veroordelen zijn dienst ook tot een frenetiek soort inactiviteit (iedereen doet heel erg zijn best om niets te doen). Dat soort vicieuze cirkels wordt in dezelfde periode legendarisch in Joseph Hellers antioorlogsroman Catch 22 (1961) – waarvan de titel vandaag het hippe equivalent is van het begrip ‘vicieuze cirkel’. Havel staat in vele opzichten dichter bij de Amerikaan dan bij het absurde theater van Beckett of Ionesco waartoe hij destijds ietwat te gemakkelijk gerekend werd. Bij Havel ontbreekt elke vorm van existentieel absurdisme. Hij klaagt integendeel scherp de ongerijmdheden van een zeer reëel totalitarisme aan.
In 1968 werd De dienstnota opgevoerd in The Public Theater in New York. Havels reputatie was meteen gevestigd in de VS. Het Antwerpse Fakkeltheater speelde het stuk in 1983-84.
In 1967 kwam de gematigde Alexander Dubcek aan de top van de Tsjechoslovaakse Socialistische Republiek. Dubcek schafte de censuur af. De Praagse Lente brak aan.
Havel reageerde met de virtuoze komedie Zitizená moznost soustredeni (‘Poetsoek of de verstoorde concentratie’, 1968) waarin wij de avontuurtjes meemaken van een zeker Huml. Hij is een het regime dienende socioloog die een officiële speech vol holle frases aan het schrijven is, maar zich bovenal ontpopt tot vrouwenversierder. Een primitief soort computer (die Poetsoek genoemd wordt, constant uitvalt en met veel egards moet worden behandeld) is bij Huml geïnstalleerd om een onderzoek te doen naar zijn doen en laten. Waarvoor dat onderzoek dient, is Huml compleet onduidelijk. Op het einde van het stuk versiert Huml de vrouwelijke leider van het enquêteteam.
Theater Vertikaal creëerde het stuk hier te lande in 1970. ‘De afdeling Drama van de BRT wou in de jaren zeventig Poetsoek uitzenden op de televisie in een regie van Jean-Pierre De Decker. Maar de Tsjechoslovaakse autoriteiten bemoeiden zich… De Praagse televisie dreigde de uitwisseling van regisseurs op te schorten als de ‘parodie’ van Václav Havel werd uitgezonden. De BRT zwichtte en stopte de opnamen in de kelder, waar ze nu nog altijd ongemonteerd vertoeven.’ (1)
In augustus 1968 vielen de Sovjettroepen Praag binnen. Het Westen keek lijdzaam toe. De communistische partij kreeg weer controle over de media, Dubcek werd tot collaboratie gedwongen en een jaar later vervangen door Gustav Husak. Havels werk, evenals dat van een hele serie andere schrijvers en kunstenaars, werd verboden. Hij mocht het land niet verlaten om opvoeringen van zijn werk bij te wonen.
Havel schreef in 1972 Zebrácká opwera, een versie van The Beggar’s Opera van John Gay. Het stuk handelt over de koude oorlog tussen twee gangsterbendes en hun gekonkelfoes om bij de corrupte politie in de gunst te blijven. In hun rivaliteit zijn alle slagen onder de gordel toegestaan: Havel schetst op satirische wijze een wereld van bedrog en verraad (in de beginscène zet gangsterbaas Vollard zijn knappe dochter aan om een relatie te beginnen met zijn doodsvijand, zo kan hij via haar zijn tegenstander bespioneren). Het stuk werd op een avond in 1975 opgevoerd in een hotel voor een driehonderdtal invités. Achteraf werd de regisseur van de voorstelling ondervraagd door de politie en hij verloor zijn job bij het Balustrade Theater.
Havel leefde inmiddels van de royalty’s van de buitenlandse producties van zijn stuk- ken. Maar een wet ‘tegen parasieten’ verbood werkloosheid in het Tsjechoslovaakse communistische paradijs. In 1974 ging hij noodgedwongen aan het werk in een brouwerij in Trutnov. Zijn werk in de brouwerij werd de basis voor zijn stuk Audience (‘Audiëntie’), waarin de held Vanek (het alter ego van Havel) op het matje geroepen wordt bij de ploegbaas van de brouwerij.
Audiëntie is opnieuw een acute analyse van machtsrelaties waarbij taal een grote rol speelt. Havel laat – onder meer door letterlijke herhalingen – zien hoe de taal wordt geperverteerd en van een communicatie- tot een machtsmiddel verwordt. De manier waarop de ploegbaas Vanek er herhaaldelijk aan herinnert dat hij niet meteen terug aan het werk moet, heeft geen enkele communicatieve betekenis, maar dient enkel om zijn macht over zijn ondergeschikte te bevestigen. Taal wordt een machtsmiddel – zoals de artificiële taal Ptydepe in De dienstnota of het clichétaaltje van de ambtenaren uit Het tuinfeest.
De pseudokameraadschappelijkheid waarmee de ploegbaas Vanek behandelt terwijl hij ettelijke flessen bier opdrinkt (en die aan Vanek probeert op te dringen) is een scherpe ontmaskering van het ‘ons kent ons’, de ‘you scratch my back, I’ll scratch yours’-mentaliteit waarmee een totalitair regime de bevolking probeert mede- plichtig te maken. De ploegbaas vraagt Vanek zelfs om zichzelf in het oog te houden, zichzelf te bespioneren. Dat maakt het immers allemaal veel makkelijker voor iedereen… : zelfverslaving is de droom van elk totalitair systeem.
Audiëntie werd samen met Havels twee andere ‘Vanek’-stukken Vernisász (‘Vernissage’, 1975) en Protest (1978) clandestien verspreid in Tsjechoslovakije. De trilogie vestigde mee Ha- vels reputatie als dissident: met Vanek schiep hij het prototype van de vrije intellectueel in een totalitaire samenleving.
In Vernissage komt Vanek op bezoek bij en- kele vrienden, ‘nouveaux riches’ die hun huis net gerenoveerd hebben en volgestopt met een bizarre combinatie van dure dingen, inclusief een barokke biechtstoel. Ze demonstreren ongegeneerd hun luxe, spelen de nieuwste Amerikaanse platen, serveren duur voedsel, pochen over hun seksleven. Ze zetten Vanek aan om op dezelfde manier van het leven te genieten: ‘Wij zijn bezorgd over de manier waarop jullie leven.’ Als Vanek vroegtijdig wil vertrekken, smeken ze hem om te blijven. Ze hebben dit alles immers alleen maar voor hem gedaan. Zonder hem zijn ze niets.
De Vanek-stukken werden naar het Westen gesmokkeld, kregen opvoeringen in Oostenrijk en werden gepubliceerd in Theater Heute. Bij ons werden ze opgevoerd door het Nationaal Jeugdtheater in 1978. Het BKT voerde in 1978-1979 Audiëntie en Vernissage op. Rudi Van Vlaenderen won de Oscar de Gruyter- prijs voor zijn acteerprestatie als de ploegbaas in Audiëntie.
In 1977 werd Havel een van de drie woord- voerders van Charta 77, een manifest dat de Tsjechoslovaakse overheid opriep om de men- senrechten te eerbiedigen zoals gestipuleerd in de Helsinki-overeenkomst van 1975. Het manifest verscheen op 6 januari in Duitsland en droeg meer dan 800 handtekeningen. Havel werd wekenlang ondervraagd en be- landde voor vijf maanden in de gevangenis. Collega Jan Patocka stierf aan een hartaanval tijdens de ondervragingen.
In 1978 publiceerde Havel het essay ‘De macht van de machtelozen’, opgedragen aan Patocka. Hij stelde erin – zoals eerder in zijn Vanek-stukken – dat men waarheidsgetrouw moet leven, wat de omstandigheden ook mogen zijn. En hij beschrijft hoe men onder het communistische regime gedwongen wordt tot een leven van leugens. Over zijn verzet schrijft Havel: ‘We hebben nooit besloten om dissident te worden. Wij zijn er, zonder te weten hoe, in veranderd. Soms zijn wij in de gevangenis beland zonder te weten waarom. Wij deden gewoon de dingen die wij moesten doen en die ons decent leken, niet meer of niet minder.’
In 1979 werd Havel nogmaals opgepakt. De autoriteiten boden hem aan om naar de VS te reizen in plaats van een proces te ondergaan. Havel weigerde, wetende dat hij niet zou mogen terugkeren. Hij werd veroordeeld tot vier en een half jaar gevangenis. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij zijn Dopisy Olze (‘Brieven aan Olga’). Toneelstukken schrijven was hem verboden: na elke brief aan zijn vrouw Olga werd hem het potlood afgenomen.
Internationaal werd Havel nu beschouwd als het boegbeeld van de verdrukte Praagse Lente. Eind 1979 werd AIDA, een initiatief ter verdediging van onderdrukte kunstenaars opgericht door onder andere Ariane Mnouchkine, Patrice Chéreau, Yves Montand, Claude Lelouche en Claude Roy. Het Belgische luik werd bestuurd door de kunstschilder Jef Van Hoof. ‘In Parijs werd het plan opgevat om een Nacht voor Havel te organiseren tijdens het Theaterfestival in Avignon in juli 1982. Alle toneelschrijvers werden uitgenodigd om een korte eenakter te schrijven, waarin Vanek (de nieuwe Schweyk) het hoofdpersonage zou zijn. Vanek is immers Havel zelf. AIDA ontving op die manier teksten van Samuel Beckett (Katastrofe), Victor Haïm, Arthur Miller, Pavel Kohout en Pavel Landowski. De eenakter van deze twee landgenoten (van Havel, mh) Le silence est la pire des réponses werd in Avignon gespeeld door het Brussels Kamertoneel.’ (2)
In 1983, na een ernstige ziekte die hem in het ziekenhuis deed belanden, werd Havel vrijgelaten. Hij schreef twee stukken over zijn gevangenschap: het korte Chyba (‘De vergissing’) en Largo Desolato, het verhaal van een dissidente schrijver die bang is om terug in de gevangenis te belanden. Het stuk speelt in het huis van de schrijver-dissident Leopold. Hij heeft een essay geschreven dat politiek gevaarlijk is. Doodsbang dat hij naar de gevangenis gestuurd zal worden, verschuilt hij zich in huis. Politieagenten komen op bezoek. Zijn vrouw gelooft niet meer in hem. Een vriendin krijgt geen vat op zijn sombere stemming en een vriend doet tevergeefs beroep op hem. (3)
Havel schreef in 1985 nog de Faust-bewerking Pokouseni (‘Verleiding’) en in 1987 Asance (‘Sanering’) over de illusie van het totalitarisme met een menselijk gelaat. Het zijn zijn laatste (en niet meteen beste) stukken voor hij president wordt.
Op 9 november 1989 viel de Berlijnse muur. Op 17 november werd een vredelievende studentendemonstratie in Praag gewelddadig onderdrukt door de politie. Twee dagen later vormde Havel het Burgerforum. Op 22 november sprak hij 20.000 mensen toe op het Wenceslasplein. Het Burgerforum koos het Laterna Magika-theater als hoofdkwartier.
Vier dagen later ontmoette eerste minister Adamec Havel en verscheen met hem en Dubcek op een massabijeenkomst. Adamec werd uitgejouwd en nam op 7 december ontslag. Het Burgerforum nomineerde Havel als president. Hij twijfelde maar verscheen op 16 december op televisie. Hij stelde dat hij het presidentschap aanvaardde op voorwaarde dat er vrije verkiezingen kwamen. Op 29 december werd Václav Havel unaniem door het parlement verkozen als president van de Tsjechoslovaakse republiek. In zijn eerste rede als president stelde hij: ‘Niemand van ons is alleen slachtoffer. Wij zijn tegelijkertijd medescheppers van deze totalitaire machinerie’ – een weinig populair thema dat hij al in zijn stukken had aangesneden.
De rest van Havels politieke carrière is geschiedenis. Hij heeft er zelf uitvoerig over geschreven in zijn autobiografie To the Castle and Back. Havels stukken, vele nooit eerder te zien in Tsjechoslovakije, werden eindelijk gespeeld in Praag. In 1993 scheidden – tegen Havels zin – Tsjechië en Slovakije. Havel werd de eerste president van de Tsjechische republiek. Zijn vrouw Olga stierf in 1996 en Havel huwde een jaar later met actrice Dagmar Veskernova. In 2003 legde hij het presidentschap neer. Zijn belangrijkste politieke rivaal Václav Klaus werd president.
Cineast Milos Forman maakte eind de jaren zestig naam in Tsjechoslovakije met een serie satirische films als De liefdes van een blondje en Het bal der pompiers. In 1968 emigreerde hij via Parijs naar de vs waar hij een belangrijke Hollywoodregisseur werd dankzij onder meer de Mozartfilm Amadeus. Forman was een jeugdvriend van Havel (ze leerden elkaar op de kostschool kennen). In To the Castle and Back vertelt Havel hoe hij Forman meteen bezocht tijdens zijn eerste reis als president naar de VS. Onlangs publiceerde diezelfde Milos Forman in The New York Times een opiniestuk dat hij als volgt begon:
‘Toen mij gevraagd werd One Flew Over the Cuckoo’s Nest (naar het boek van Joseph Heller, de schrijver van Catch 22, mh) te regisseren, raadden mijn vrienden mij aan om daar ver vanaf te blijven. Het verhaal was zo Amerikaans, zeiden ze, dat een immigrant als ik, net van de boot gestapt, het geen recht zou kunnen doen. Ze waren verwonderd toen ik uitlegde waarom ik de film toch wou maken. Voor mij was het geen cinema maar realiteit: het leven dat ik in Tsjechoslovakije leidde van mijn geboorte in 1932 tot 1968. De Communistische Partij was mijn “Nurse Ratched”, die me zei wat ik mocht doen en niet mocht doen, wat ik mocht zeggen en niet mocht zeggen; waar ik mocht gaan en niet mocht gaan; en zelfs wie ik was en wie ik niet was.’
Het is een merkwaardige parallel, die tussen Nurse Ratched – symbool van autoriteit in het gekkenhuis waar de film speelt – en de Communistische Partij. Maar de parallel is verhelderend, niet alleen voor Forman, maar ook voor Havel. Beiden confronteren een achterhaald, absolutistisch machtsapparaat – dat even goed in het Westen bestond als achter het IJzeren Gordijn – met de vrijheidsdrang van de jaren zestig. Ook Havels stukken gaan bij wijze van spreken over Nurse Ratched: de ploegbaas uit Audiëntie, de machiavellistische onderdirecteur Balas uit De dienstnota zijn varianten op de Nurse: het boegbeeld van een zichzelf onaantastbaar wanende autoriteit. Havels stukken, Hellers boeken, de films van Forman zijn – om een totaal versleten term uit die jaren te gebruiken – letterlijk ‘antiautoritair’. Geen wonder dat Havels poging om op een antiautoritaire manier president te zijn vaak als een mislukking wordt omschreven.
Ook vroegere medestanders hadden kritiek op Havels presidentschap. Men verweet hem geen beroepspoliticus te zijn – kortom geen autoriteit te hebben. Het tegendeel zou verwonderd hebben: alle stukken van Havel handelen over het verzet tegen valse autoriteit. Havel antwoordde met To the Castle and Back, dat gepubliceerd werd in mei 2007. Het is een lang interview over zijn politieke carrière gemengd met memo’s aan zijn stafleden en stukken dagboek en herinneringen.
En dan, een half jaar later, verschijnt Havels eerste stuk in twintig jaar, Odcházení (‘Vertrek’). Het werd gepubliceerd in november 2007. Het stuk vertelt zoals gezegd in een opmerkelijke mengeling van elementen uit De kersentuin en King Lear, over de voormalige kanselier Victor Rieger die – net voor hij de macht doorgeeft – nog even in de regerings- villa met kersentuin blijft wonen. Voor zijn opvolger Klein ze in een Uplace met eroscenter verandert.
Václav Havel is niét Victor Rieger, het hoofdpersonage uit Odcházení. Net zoals diens tegenspeler Patrick Klein niét Václav Klaus is. Rieger is in het stuk kanselier, dus eerste mi- nister. Havel was in het ware leven president. Dat was een symbolische en representatieve functie met veel politieke invloed, maar geen echte politieke macht. (In To the Castle and Back vertelt Havel dat toen hij een belangrijk maar politiek inopportuun wetsvoorstel deed, dat door parlementsvoorzitter Dubcek op de lange baan werd geschoven en tenslotte gewoonweg vergeten…) In het stuk had Rieger wel degelijk echte macht, en dus is de manier waarop hij ze – King Lear-wise – kwijt raakt des te pijnlijker.
Odcházení is een ander soort stuk dan de vroege stukken van Havel. Het is minder absurd, realistischer, traditioneler. Ook en vooral omdat de politieke omstandigheden compleet veranderd waren. Havels pre-1989 stukken waren uitingen van het verzet van het individu tegen de absurditeiten van een totalitair regime. Zijn laatste lange toneelstuk daarentegen, het enige dat post-1989 geschreven is, schetst een politicus die de macht kwijt is. Niet (of niet alleen) op democratische manier aan een ander politicus, maar ook en vooral aan de wereld van het grote geld. (4)
Het vertrek uit de titel is niet alleen het vertrek van Victor Rieger, het is het afscheid van de politiek in het algemeen. De politiek die alle invloed en macht verloren heeft en definitief vervangen is door de wereld van het grote geld. Václav Havels ideaal van individuele vrijheid en van een leven in waarheid is in geen tijd (de veertien jaar sinds 1989) in het tegendeel omgeslagen. De nouveaux riches uit Vernissage beheersen nu de wereld. En niet alleen in Oost-Europa…
(1) Rudi Van Vlaenderen, ‘Václav Havel’, in: Etcetera 29, maart 1990 (jg. 8), pp. 12-13.
(2) idem
(3) Largo Desolato werd in 1987 – ook in Brussel – gespeeld door het Publiekstheater (in een regie van Peter De Baan).
(4) De ironie van de geschiedenis wil dat Havel en zijn tegenspeler Klaus eind jaren zestig allebei meewerkten aan het literaire magazine Tvár. Havel zat in de redactie, Klaus schreef er economische artikels voor.
Met dank aan Floris Cavyn (VTi) die de beelden opspoorde van Vlaamse ensceneringen van de toneel-stukken van Václav Havel.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.