Leestijd 5 — 8 minuten

Tristan en Isolde

Nationale Opera, Brussel

Wagner liet in 1865 Tristan en Isolde opvoeren te München, omdat daar de gekke koning Ludwig II dol op zijn muziek was. Met deze opera ging Wagner heel nieuwe wegen op : hij veranderde grondig de verhouding stem/orkest door een enorm belang toe te kennen aan het instrumentale gedeelte van het werk. De klanken uit de orkestbak hadden meer te vertellen dan de zangers op de scène.

Meteen zadelde hij de hele Westerse operatraditie met een problematische vorm op. De theaterkant van de opera kwam danig in gevaar, vooral in dit eerste revolutionair werk waar de uiterlijke actie tot een minimum werd teruggedrongen in een paar korte momenten, terwijl de rest van de ‘eindeloze’ tijd gevuld werd met de ontrafeling van de gevoelens. Wat men met Tristan en Isolde in een theaterruimte moet aanvangen is tot op de dag van heden nog altijd niet duidelijk.

De opvoering in de Munt heeft op die vraag geen sluitend antwoord gegeven. De opvoering bood alleen een voorbeeld van de stijl die regisseur Gilbert Deflo hanteert. Deflo wedt altijd op een bijzonder indrukwekkend decor, dat hem geleverd wordt door vooraanstaande Italiaanse ontwerpers. Bij deze Tristan en Isolde heeft hij een beroep kunnen doen op zijn geprefereerde medewerker Ezio Frigerio, de man die ook voor Giorgio Strehler werkt, en dat is dan toch een hele referentie.

Frigerio maakt steeds imponerende, erg architecturale ruimtes, die vaak opvallen door hun gebrek aan poëzie en door hun zucht naar luxe. Frigerio houdt van grote, effen, blinkende oppervlaktes. Hij gebruikt bij voorkeur plexiglas. Deze koude materie confronteert hij dan met elementen uit de werkelijkheid, die al of niet gestileerd worden aangewend. In zijn koele ruimte, met een paar grote werkelijkheidscitaten, laat hij weinig plaats vrij voor acteurs, want die worden door de constructies vaak verpletterd. Dat was ook zo bij deze Tristan : Frigerio had een grote glazen kooi bedacht, waarachter men een barok paleis kon ontwaren– het paleis waarin Wagner zijn opera schreef. Binnen de kooi zag men dan de decorelementen die de handeling van het stuk zelf situeerden. Het resultaat was hier van ongelijke kwaliteit : in het eerste bedrijf leek de boeg van het schip veel meer op een fonteinsculptuur; de enorme bomen in het tweede bedrijf zagen er onovertuigend en lomp uit (in dezelfde week zag ik te Tourcoing bij Gildas Bourdet een prachtige kopie van een verweerde boom staan, waarbij de monsters van Frigerio in het niets verdwenen), en alleen in het derde bedrijf maakte de grote rots een voortreffelijke indruk. Als men echter weet dat dit een decor van twaalf miljoen is (waarbij het grootste deel van het geld precies in de glazen wand kruipt, die slechts decoratief maar niet dramaturgisch wordt aangewend), dan kan men niets anders zeggen dan dat dit niet goed genoeg was. (En als men dan een ogenblik oog heeft voor de schamele bedragen waarover zovele theatergezelschappen met het Ministerie in de clinch gaan, dan krijgt zo een slecht bestede twaalf miljoen wel een hele wrange smaak.)

In dat onbevredigende decor evolueren de zangers op een zeer elementaire manier. Heel streng kan men deze opvoering niet aanpakken, want de voorbereiding van de produktie werd geteisterd door allerhande tegenslagen en moeilijkheden. Niettemin ziet men opnieuw dat Deflo zich angstvallig houdt aan minimale gebaren en evoluties. Zulk een verdedigbare optie werkt alleen, als elk gebaar van een verrassende, pakkende juistheid is. Maar hier blijft het vaak bij onhandige clichéhoudingen. Gwyneth Jones is statig, James MacCray onovertuigend, Livia Budai heeft présence, en Franz Grundheber, die de beweeglijkste figuur mag zijn, gesticuleert. Een avondje ouderwetse opera. Deze opvoering is niet ritueel genoeg of niet realistisch genoeg; ze blijft zowat tastend tussen die twee opties hangen.

Men kan in zo’n geval enkel de zangers als muzikant beoordelen. De kleine rollen zijn hier het best bezet: Livia Budai en Franz Grundheber zingen uitstekend, Manfred Schenk, als Koning Marke, heeft slechts enkele korte scènes, maar laat daarin horen hoe een tekst van Wagner moet gezongen en gezegd worden. James MacCray heeft zijn figuur niet mee, maar met mensen die de Wagnerpartijen vokaal aankunnen, moet men op dat punt nogal toegeeflijk zijn. Gwyneth Jones is de grote naam van de bezetting. Ze kan bogen op een stemgeluid dat boven elk tutti uitschalt. Maar daarom is ze nog geen grote Wagnerzangeres: haar stem klinkt scherp als een mes, en heeft alleen wanneer ze mezza voce zingt, een aangename welluidendheid. Maar het ergste bij haar is de volledige afwezigheid van articulatie. Om het nodige klankvolume te produceren worden alle klinkers naar dezelfde plaats in de mond getrokken. Toen ik een deel van de opvoering op de televisie zag, kon ik zelfs met de ondertitels de Duitse woorden nauwelijks terugvinden. Men klaagt er in operakringen over dat we in deze tijd nauwelijks grote Wagnerzangers hebben. Als men bedenkt dat Gwyneth Jones geldt als één van de voornaamste hedendaagse specialisten van het genre, begrijpt men de klacht bij Wagner-adepten maar al te goed. Wagner leeft voort op oude platen.

De avond werd dus niet meer dan behoorlijk gezongen, en uit dit alles begint de lezer te vrezen dat we hier met één van de zeldzame mislukkingen in de Munt te maken hebben. Dat is echter niet het geval. En dit, dank zij dirigent Sylvain Cambreling. Als ik dit verslag niet voor een theatermaar voor een muziektijdschrift zou schrijven, dan zou ik nu met plezier lang uitwijden over de prestatie van het orkest. Het Munt-orkest heeft met deze uitvoering weer een reuze-stap gezet. De lezing van Cambreling blonk opnieuw uit door detaillering, dosering en levendigheid. Wat kon Wagner toch prachtige, doorzichtige muziek schrijven, denk je constant. Gelukkig zat ik deze keer toevallig op de eerste rij: het spektakel van de attente dirigent die voortdurend zijn musici aanzet om het beste van zichzelf te geven, is adembenemend, en stijgt ver uit boven wat er op de scène gebeurde.

Maar hiermee hebben we wel een kernpunt van dit werk geraakt: heeft Wagner niet tegen de regisseur geschreven? Moet men dat bij een opvoering niet duidelijk .maken? Moet de verhouding orkest-toneel niet vanuit deze termen herdacht worden? Misschien wel, misschien niet. Deze opvoering althans blijft niet in het geheugen hangen wegens zijn theatrale kwaliteiten. Maar Wagner heeft zulk een raar werk geschreven dat men nu niet direct ziet hoe een bevredigende opvoering er moet uitzien. Dat mag voor Deflo alvast een troost zijn.

Tristan en Isolde

componist: Richard Wagner;

groep : Nationale Opera;

dirigent: Sylvain Cambreling;

regie: Gilbert Deflo ;

decors : Ezio Frigerio;

kostuums: Franca Squarciapino;

zangers: Spas Wenkoff, Manfred Schenk, Gwyneth Jones, Franz Grundheber, Christian Jean, Livia Budaï, e.a.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#11

15.06.1985

—

14.09.1985

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!