I’m Not Done, Simon Baetens © Michiel Devijver

Leestijd 10 — 13 minuten

Schaamteloze onechtheid

In 2024 maakte Simon Baetens de voorstelling I’m Not Done, waarin hij een constant transformerend personage opvoert. Een halfjaar na de première blikt hij terug op het creatieproces, en belicht hij de strategieën die hij ontdekte om met fictie en verbeelding te spelen. Hoe verhoudt fictie zich tot de onvermijdelijke vraag naar authenticiteit? Kun je, als grotesk personage in een flagrant onechte ruimte, oprecht connecteren met een publiek?

We willen graag veel van elkaar weten. Welke kleren we dragen, naar welke muziek we luisteren, waar en wat we eten — we delen graag personalia, details over onze levensstijl die op zich onbenullig lijken, maar die in hun veelheid wel iets vertellen over wie we zijn. Ook van mensen die niet tot onze persoonlijke kring behoren, krijgen we inkijk in hun smaken en voorkeuren. Dankzij sociale media is het makkelijker dan ooit om personen die je niet kent te volgen en door snapshots van hun dagelijkse routine te scrollen. Ook van beroemdheden krijgen we almaar meer randinformatie te zien. Niet langer staan de films waarin ze spelen of de muziek die ze maken centraal. Eerder consumeren we professioneel gefilmde rondleidingen door hun uitgekiende interieurs, doorsnedes van hun handtassen en semitherapeutische interviews. Via de marginalia van hun banale levens denken we de persoon achter het (kunst)werk te leren kennen. Als gevolg van die economie van psychologische pseudodiepgang wordt de banaliteit zorgvuldig vormgegeven en geregisseerd.

“Identiteit is een fictie. Een fictie die we elke dag schrijven, construeren en cureren. Voor onszelf en voor de ander.”

Het spreekt voor zich dat dit geen onschuldige situatie is. We houden elkaar voortdurend in de gaten in een digitale versie van het door Foucault beschreven panopticon. Wat mij in het bijzonder interesseert aan deze sociale surveillering en disciplinering, zowel op interpersoonlijke schaal als tussen fan en celebrity, is de vraag naar authenticiteit. Het idee dat we via het delen en bekijken van feitelijkheden uit ons eigen leven en dat van anderen iets te weten komen over wie de persoon achter de content écht is, is op zich al absurd. Alsof een mens niet meer is dan een totaal van maaltijden, selfies, vakantiefoto’s en — in het geval van influencers, die mensen die de allerlaatste grenzen tussen leven en werk doen verdwijnen — sponsordeals. Maar het gaat nog verder dan dat, want al deze claims op waarachtigheid dragen de overtuiging in zich dat er überhaupt zoiets bestaat als een echt, uniek, authentiek ik. Het is deze vraag naar oprechtheid, naar het onthullen van het ware ‘ik’, die mij verwart en inspireert. Het is die tegenstrijdigheid die ik heb getracht te vertalen naar de voorstelling I’m Not Done. Dat was geen sinecure.

THE EXTREME SELF

Een tweetal jaar geleden viel mijn oog op het zilverkleurige boekje The Extreme Self (2021) van Shumon Basar, Douglas Coupland en Hans Ulrich Obrist. Na het lezen bleef ik verwonderd en verward achter. Het boek, door de auteurs omschreven als een ‘graphic novel’, is een provocatieve verzameling van kunstenaarsbijdragen over the extreme self, gecureerd en van tekst voorzien door Basar, Coupland en Obrist. ‘Find out what’s really happening to you in these accelerated tales from an even more accelerated future’, lees je op de achterflap. Of het die belofte waarmaakt, laat ik in het midden. Meer dan dat ik iets ‘ontdekte’ over wat ‘er echt gebeurt’, was ik geprikkeld door de grafische kwaliteit, de sloganeske taal en het concept van het ‘extreme zelf’, een totaal losgeslagen versie van het individu die bestaat bij gratie van datamining, gezichtsherkenning en digitale voetafdruk. Mocht ik nog enig geloof hebben gehad in mijn uniciteit, dan bewees het boekje voor mij voorgoed: identiteit is een fictie. Een fictie die we elke dag schrijven, construeren en cureren. Voor onszelf en voor de ander.

Ik las dit boek op precies het goede moment. Ik was bezig gesprekken te voeren en een subsidiedossier voor te bereiden om een voorstelling te maken, een solo, in drag. Mijn aanvankelijk uitgangspunt was om via drag, een praktijk die ik al geruime tijd naast het ‘professionele’ theater beoefende, een reflectie te openen over de constructie van identiteit, gevoed door (pop)muziek en interviews met kunstenaars en (pop)sterren. Het concept van het ‘extreme zelf’ resoneerde met zowel mijn ervaringen in drag als met wat ik met de voorstelling beoogde. In 2022 schreef ik in een essay voor Etcetera1 al dat ‘een lichaam in drag altijd een constructie is, een hybride, een samensmelting van het eigen lichaam van de performer en de inspiratiebronnen waaraan het refereert’. Door het concept van the extreme self zag ik in dat élk lichaam, en bij uitbreiding elke identiteit, een constructie is, en dat drag dat zichtbaar maakt door het in de vorm van een performance op de spits te drijven. Ik wilde niet per se ‘een dragshow’ naar het theater brengen. Eerder was ik geprikkeld door de extremiteit van drag. Het onvoorwaardelijke, het groteske en de directe communicatie ervan.

I’m Not Done, Simon Baetens © Michiel Devijver

Een aantal tekstfragmenten uit het zilveren boekje vonden hun weg naar de tekst en beelden van de voorstelling. De door Kenneth Goldsmith geformuleerde filosofie van uncreative writing indachtig, werd de tekst van de voorstelling een knip-, plak- en herschrijfwerk van tientallen bestaande bronnen die vele vormen aannemen, van het transcriberen van YouTube-video’s over songteksten en nachtmerries die ik voorheen aan mijn psycholoog toevertrouwde. Maar nog meer dan dat het een dankbare bron was om uit te stelen — of zoals Khadija El Kharraz Alami het tijdens een gesprek over theatertekst in Toneelhuis in april 2025 (Aan tafel) zo mooi nuanceerde: lenen — plantte The Extreme Self de zaadjes voor het ontwikkelen van een attitude, een speelstijl, een performativiteit.

AANNEMELIJKHEID

Tussen idee en voorstelling, tussen concept en belichaming, zit een grote afstand. Een afstand die aanvankelijk, toen ik twee weken helemaal alleen in een veel te grote repetitiestudio in Kortrijk doorbracht, onoverbrugbaar leek. De eenzaamheid waar ik zo naar  had verlangd, in de overtuiging dat ze mij focus en richting zou brengen, werkte eerder destabiliserend. Hoe kon het dat de voorstelling die ik zo helder voor me dacht te zien maar niet wilde materialiseren? Na een dag of drie achter mijn laptop te zitten, had ik nood aan tastbare objecten. Impulsief ging ik naar een carnavalswinkel in de buurt en kocht ik een schuimrubberen zwaard. Sindsdien oefende ik elke dag een scène met het zwaard.

“Ik kwam erachter dat ik het publiek zowel wilde bevreemden als betrekken. Niet in een logisch, lineair narratief, maar in een verbeelding.”

Uiteindelijk durfde ik die scène nooit te delen. In de voorstelling zijn dan ook geen zwaarden te bespeuren. Ook de soundscape van aankondigingen van openbaar vervoer die ik in elkaar knutselde en waar ik wél trots op was, vond geen plek in wat we uiteindelijk maakten. Ik zeg we, want toen ik eindelijk de rest van het artistieke team durfde te betrekken, kwam het werk beetje bij beetje uit mijn hoofd en werden de ideeën theater. Natuurlijk wist ik op voorhand dat je een solo niet alleen maakt, maar soms moet je een cliché beleven om te snappen waarom het zo hardnekkig is. Opvallend ook hoe veel ervaringen we als cliché herkennen zonder er een oplossing voor te vinden.

Maar theater gaat niet over oplossingen. Dankzij de aanwezigheid van spelcoach Nathan Ooms en dramaturg Lisa Vereertbrugghen kwam ik erachter dat ik de vragen die ik me stelde probeerde te beantwoorden in het materiaal, eerder dan de problemen te ensceneren en de vragen luidop te stellen. Een begrip dat Nathan introduceerde bleek cruciaal in het wegnemen van de blokkade die ik voelde: aannemelijkheid. Nathan vertelde me dat hij niet op zoek is naar aannemelijkheid, dat hij zijn taak als maker en speler niet ziet in iets zo geloofwaardig mogelijk overbrengen. Het werd een belangrijke parameter in onze samenwerking. Wanneer Nathan zei dat hij een tekst, scène of manier van spelen te aannemelijk vond, wisten we beiden dat we het elders moesten zoeken.

Voor mij is die dramaturgische leidraad een pleidooi voor fictie, voor het scheppen van een ruimte waarin niet-alledaagse logica’s heersen. Doordat Nathan zo’n schijnbaar simpel maar krachtig begrip introduceerde waartoe ik me kon verhouden, kwam ik erachter dat ik het publiek zowel wilde bevreemden als betrekken. Niet in een logisch, lineair narratief, maar in een verbeelding, in een steeds transformerende ruimte.

I’m Not Done, Simon Baetens © Michiel Devijver

KNULLIGE OVERGAVE

Drag werd een belangrijke sleutel om met het publiek te blijven connecteren, ook binnen een fictie waaruit niet eenduidig af te leiden is waar we ons bevinden. In het creatieproces stelde ik lang uit om in drag op de vloer te staan, waardoor veel zaken die ik vanzelfsprekend vond voor Nathan en Lisa onleesbaar bleven. Ook wilde ik aanvankelijk geen lipsyncs in de voorstelling, uit angst om al te zeer te beantwoorden aan de verwachtingen over drag op theater. Ergens halverwege het proces bleek juist dat lipsyncen cruciaal.

“Lipsyncen is een inherent fictieve praktijk. Ik ontdekte opnieuw waarom ik dit zo’n bevrijdende manier van performen vind.”

Lipsyncen — letterlijk doen alsof je een nummer zingt dat niet uit jouw lichaam komt — is een inherent fictieve praktijk. Ik ontdekte opnieuw waarom ik dit zo’n bevrijdende manier van performen vind: omdat het om een onvoorwaardelijke overgave vraagt. Je hebt als speler zo weinig in handen — je bent gebonden aan de timing, tekst en lengte van het nummer en je kunt je stem niet gebruiken — dat je een soort oerenergie moet investeren in de overdracht, in het in stand houden van de overduidelijk fictieve situatie dat je ‘aan het zingen bent’. Misschien is het zien van draglipsyncs wel het dichtst dat ik ooit bij een ervaring van de suspension of disbelief ben geweest: je stapt als publiek mee in de fictie dat het lichaam dat je op het podium ziet samenvalt met de geluidsband, of je geniet juist van de discrepanties tussen beide. Hier is aannemelijkheid wel belangrijk, maar op een heel andere manier. Het gaat bijna over het aannemelijk overbrengen van een groteske, absurde situatie.

Wanneer ik in I’m Not Done doe alsof ik het nummer ‘Twinkle Song’ van Miley Cyrus zing, in een microfoon die overduidelijk niet is aangesloten, en mezelf op een onzichtbare piano begeleid, vraag ik in feite aan het publiek: geloof alsjeblieft voor even dat dit echt is, en geniet tegelijkertijd van de knulligheid, de schaamteloze onechtheid. Stap mee in de fictie die zichzelf als fictie ontmaskert.

I’m Not Done, Simon Baetens © Michiel Devijver

UITGEBLUST, MAAR STRIJDLUSTIG

Vanuit de toewijding die het lipsyncen van me vraagt, ontstond een personage dat zich ergens tussen ongrijpbaar en herkenbaar bevindt. Een personage dat, naar analogie met hoe het extreme zelf zichzelf (online) presenteert, uit losse flarden informatie bestaat. Een duidelijke psychologische backstory of ontwikkeling heeft de figuur niet. Meer dan een uitgewerkt karakter is het een associatief portret van een tijdgeest en een denken. Een overprikkeld, dodelijk vermoeid denken, dat ondanks alles toch wil blijven communiceren. Op scène zien we een figuur die moegestreden is, platgeslagen, misschien zelfs gecanceld, maar ondanks alles toch blijft communiceren, blijft delen. Omdat die geen andere manier kent van in de wereld te staan. Maar ook omdat er achter al de afgebrokkelde oneliners en banale stillevens die voorbijkomen toch een emotioneel vuur brandt. Een innerlijke wereld, gevoed door muziek, die zichzelf een weg naar buiten weet te banen.

Achteraf beschouwd is het alsof uit de ruïnes van de zelfprofilering een nieuw soort oprechtheid kan ontstaan. Een die schaamteloos onecht is, die transparant plukt uit allerlei bronnen en referenties. Uiteindelijk probeer ik — denk ik — te raken aan de kern van de vraag: wat is oppervlakkigheid en wat is diepgang? Hoe versterken ze elkaar? Als we ervan uitgaan dat ze beide fictief zijn, welke speelruimte ontstaat er dan? Vermoedelijk schuilt er een vrijheid in het aanvaarden dat identiteit per definitie een constructie is. Een leugen, bestaand uit overtuigingen die we onszelf vertellen, en die daarmee waar wordt. Is dat niet de kern van fictie: dat iets bestaat zolang je erin wil geloven?

One thing I know for certain
Oh, I’m pretty sure
It ain’t over
I’m not done

Fever Ray – I’m Not Done

1Baetens, S. (2022), Glitches, memes & playbackshows. Etcetera #167, p. 62-68.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 10 — 13 minuten

#180

15.09.2025

—

14.12.2025

Simon Baetens

Simon Baetens werkt als theatermaker, dramaturg, performer en recensent. Hij werkte samen met o.a. Lisa Vereertbrugghen, Thomas Verstraeten, Micha Goldberg & Rosie Sommers en Pablo Lilienfeld & Federico Vladimir. In 2024 maakte hij de voorstelling I’m Not Done.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!