© Bieke Depoorter

Leestijd 10 — 13 minuten

Eddy Pauwels

Portret van een toeschouwer

Bij de start van haar laatste seizoen als podium-programmator van het STUK kreeg Els De Boot een uitgelaten onthaalmedewerker aan de telefoon: net was er een man langsgekomen die een ticket had besteld voor elke voorstelling die in de jaarbrochure was aangekondigd, daaraan toevoegend dat het een erg mooi seizoen beloofde te worden – ‘die enthousiaste leraar met zijn staartje’. Als inspiratiebron voor deze portrettenreeks zou hij de eerste in rij worden.

Eddy Pauwels was meteen gewonnen voor een gesprek en nodigde me uit in zijn rijtjeswoning in de Dekenstraat, heerlijk rustig gelegen om de hoek van waar tot enkele jaren terug de Studio’s cinefiel Leuven verwenden. Eddy stelt zich aan me voor als een overtuigd leraar ‘project algemene vakken’ en geschiedenis in het beroeps- en technisch onderwijs. Zijn vrije tijd schenkt hij zowat volledig aan beeldhouwen en kunstliefhebberij. Tijdens het interview praten we uitvoerig over zijn kijktraject binnen de podiumkunsten, maar de stapels boeken, tijdschriften en cd’s die ons omringen verraden dat zich een gelijkaardig gesprek had kunnen ontrollen over zijn honger naar beeldende kunst, film of muziek.

Dankzij onze ontmoeting begrijp ik voor het eerst echt waar ‘de actieve toeschouwer’ voor staat. Ik kende al de toeschouwer die leest, analyseert en voorstellingen toetst aan de dansgeschiedenis, en de kijker die zichzelf op het spel zet in de confrontatie met andere mens- en wereldbeelden. Eddy Pauwels is van een ander kaliber. Voor hem is kijken niet louter een kwestie van receptie, maar wel van doen of deelnemen. Hij neemt zijn rol als toeschouwer au sérieux, als een noodzakelijke tegenpool voor de rol van de maker. Hij laat zich leiden door kunstenaars, maar het werk zelf blijft centraal staan, als de gezamenlijke inzet van een wederzijds engagement tussen maker en publiek. Kijken is in het beste geval puur plezier, maar nooit vrijblijvend.

Ik koester een fascinatie voor het lichaam en dan ligt dans voor de hand. Ik ben altijd al gefascineerd geweest door kijken, observeren. Ik kan daar zelf geen verklaring voor vinden. Mijn ouders zijn heel gewone mensen; van hen heb ik het zeker niet meegekregen. Op het college in Aarschot werd veel moeite gedaan om ons van alles te laten proeven. Daar zagen we per jaar een of twee theatervoorstellingen en een opera. Toen ik in 1986 in Leuven aankwam, ontdekte ik het (toenmalige) Stuc via de studentenpakketten van de K.U.Leuven. Ik herinner me nog het Klapstuk van toen: een natte droom! Tijdens mijn studententijd had ik snel door dat je niet kan wachten op anderen om je te vergezellen. Mijn medestudenten waren niet echt geïnteresseerd in dans en theater en je kan ook niet altijd op tegen de clichés. Dans wordt geassocieerd met homo’s – dat hoor ik vandaag nog steeds onder mijn leerlingen.

Beeldhouwen en dans kijken, dat is samen gegroeid. Ik volg al achttien jaar les aan de academie in Aarschot. Met een studie kunstgeschiedenis viel na de recessie van de jaren 80 niet veel aan te vangen. Na mijn studies en legerdienst ben ik een tijdje werkloos geweest, maar ik ben best dankbaar dat ik in dat dipje heb gezeten, anders had ik die stap naar de academie misschien nooit gezet. Beeldhouwen deed ik eerst gewoon uit mezelf: al van in mijn tienerjaren boetseerde ik thuis. Ik had daar geen boeken over gelezen of les in gevolgd; het enige wat ik wist was dat klei droogt en keihard wordt. Op de academie is voor mij de wereld opengegaan. Het klikte meteen. Waaraan je dat materiaal allemaal kan onderleggen! Er zijn een aantal regels waaraan je je moet houden, maar eens je die basiskennis hebt opgebouwd, kan je de grenzen van het mogelijke verkennen, tot je denkt: dit stort in, dit gaat niet houden.

Ik zal altijd applaudisseren uit respect voor de kunstenaar, hoe slecht het ook geweest is. Mogelijks is het voor mij die avond niet meegevallen, of ligt het werk me niet, maar die mensen hebben wel iets gepresteerd. Ik ben zelf bezig met creatief werk en ik weet hoe moeilijk het is om nieuwe zaken aan te dragen. De spanning waaronder mensen zoals Wim Vandekeybus, Alain Platel of Anne Teresa De Keersmaeker werken moet enorm zijn. Soms merk je wel iets van vermoeidheid – net betonmoeheid – maar iedereen kan al eens een mindere periode hebben.Dus: applaudisseren na een voorstelling is het minste wat ik kan doen. Of gaan kijken. Dat is wat ik doe: ik ga kijken. En ik weet ook wel dat mijn 6 of 8 of 13 euro maar een druppel op een hete plaat zijn. Maar als ik het niet doe, en andere mensen doen het ook niet, dan gebeurt het gewoon niet. Dan moet de voorstelling ook niet gemaakt worden. Het is daarom dat ik graag publiek speel en heel breed ga kijken, naar jong en oud. Ik leen mij daar graag toe.

Als ik mijn kijkervaring meeneem in mijn dagelijks leven, zal dat eerder onbewust zijn. Wat wel telt: dankzij het theater heb je veel tegengewicht voor de tegenslagen van alledag. Wat er ook gebeurt, als je een heel goede voorstelling gezien hebt kan je er weer tegen. Het doet iets met een mens. Het bepaalt dus voor een groot stuk mijn humeur. Ik heb onder mijn leerlingen de naam altijd goedgezind en vriendelijk te zijn. Ik zeg hen: ‘Het is niet omdat ik een slechte dag heb, dat ik daar de hele klas moet in meeslepen’, ’s Ochtends kan ik dat masker met een glimlach opnemen.

Ik hou van voorstellingen die mij oppakken en na anderhalf uur terug neersmijten. Ik voel graag die energie, een zekere gebaldheid, agressie zelfs. Een voorstelling moet mij echt raken, mij een slag in mijn gezicht geven en dan – ‘ploef ’ – weer neerzetten. Ik herinner me Lichaampje, lichaampje aan de wand van Jan Fabre, een solo voor Wim Vandekeybus. In dat piepkleine zaaltje van het oude Stuc stond een muur van boxen. De muziek startte en blies je in je zetel – onmogelijk om daar nog uit te komen. Wat een trip – geweldig! Maar ze mogen mij niet imponeren. Iets moois neerzetten en er dan niets mee doen. Dat is het ergste wat mij kan overkomen in het theater: dat ik enkel geïntrigeerd ben door het decor, dat alles schreeuwt ‘ja!’, en dat ze mij dan laten staan als een kind dat een ijsje krijgt.

Een heel mooi wit lijntje licht kan mij ook ontroeren. Het is niet dat het spectaculair moet zijn, eenvoud raakt mij evenzeer. Ik hou net zo veel van het poëtische, van het mooi bewegen. Pina Bausch! Of Small Hands van Anne Teresa De Keersmaeker, met Cynthia Loemij. Twee mensen die elkaar zo aanvoelen, ik heb nooit zoiets moois gezien. Het is niet zomaar een kwestie van ‘schoonheid’, maar ook van ontroering. Het bewegen, het ritselen van die kleding, de muziek – ik weet niet wat mij het meest raakt, maar als het zo knap in elkaar zit, een zinvol geheel vormt, noem ik het poëzie.

Ik maak mijn huiswerk meestal niet. Ik weet vaak gewoon niet wat ik ga zien. Wanneer het tijd is om te gaan neem ik mijn kaartje en ben ik weg, richting theater. Dan denk ik: verras mij! Maar voor sommige voorstellingen moet je wat achtergrond hebben, moet je wat gelezen hebben. Zo heb ik bij Jonathan Burrows op een bepaald moment gedacht: dit is het einde; Burrows is out. Tot ik doorhad waar die man mee bezig is. Als die klik komt, is het plezant en laat ik me graag uitdagen. Maar vaak denk ik toch: ze zouden mij dat moeten laten begrijpen op het moment zelf, in de voorstelling. Ik lees liever niets op voorhand. Als je al veel gezien hebt, dan vorm je je een idee en bedenk je al een eigen invulling. En dat doe ik liever niet. Maar uiteindelijk is het vooral belangrijk dat makers consequent zijn in hun maken. Dan wil ik in alles meegaan, want dan is het eerlijk werk.

Titels vergeet ik, maar ik heb beelden in mijn hoofd. Ik ben echt visueel ingesteld. Van Appetite van Meg Stuart heb ik nog steeds dat ene beeld vast, waarin de hele scène bedekt is met oranje kleistof. De dansers lagen op de scene en waren allemaal bedekt door klei. En dan bewogen ze, en kraakte dat laagje stof. Dat was fenomenaal. Of het lichaam van Vincent Dunoyer of Emio Greco. Ook wat de performers betreft ben ik heel slecht in namen, maar er zijn wel kenmerken of houdingen waaraan ik hen herken. Van Mark Lorimer weet ik bijvoorbeeld dat hij hele grote voeten heeft. Ook als ik mijn bril niet op heb, zal ik direct zien: dat is hem.

Ik denk dat programmatoren vandaag met festivals meer publiek proberen te lokken. De promotie die rond festivals gebeurt, is waanzinnig! Bij het laatste TASTE-festival lagen er op alle cafétafeltjes in het STUK Tic-Tacjes met aangepaste stickers. En dan zijn er nog de extra mailings, allemaal voor dat ene festival. Is dat de manier? Het STUK draait vandaag enorm goed, maar ik ben ook wel bang dat hun eigen succes hen gaat nekken. Ik zou het heel erg vinden mocht de core business gaan lijden onder al die randelementen. Nu kunnen we ook al spaghetti en nacho’s bestellen. Je voelt dat dat aanzwelt en dan denk ik: ‘Mannen, de voorstellingen blijven toch het belangrijkste.’

Ik kan niet geloven dat in een stad als Leuven geen alternatief circuit kan overleven. Ik vind het echt triestig dat de Studio’s dicht zijn. Ik hou van Europese film. In Amerikaanse film herken ik me vaak niet en blijf ik zitten met het gevoel dat ik dit niet ben, dat ik zo niet leef. In Italiaanse of Franse films hoor je wel aardse gesprekken. Cinema ZED is een goede aanvuller, maar we zijn in Leuven echt afhankelijk geworden van die ene zaal met maar honderd plaatsjes. Wanneer er de een of andere prijswinnaar speelt – onlangs Das Weiße Band – raak je onmogelijk nog aan een ticket.

Theater is mijn kijk op de wereld. Het maakt dat ik mens ben. Dat is toch het enige. Mijn buurman doet dat misschien op een ander niveau met zijn televisie. Theater is voor mij eigenlijk mijn tv. Het is de oudste kijkkast ter wereld. Het is mijn kijk op de wereld, maar ik vind die kijk wel eerlijker. Wat op televisie komt is eenheidsworst, terwijl theater nog kritisch mag zijn. Daarom wil ik ook blijven kijken naar die jongere makers. Dan denk ik: ‘Jullie zijn jong, wat willen jullie mij vertellen over de wereld? Of niet vertellen?’ Want dat is ook vaak belangrijk: wat ze je niet zeggen.

PORTRET VAN EEN TOESCHOUWER

Eddy Pauwels

Leeftijd: 44

Studies: Kunstgeschiedenis

Job: leraar ‘project algemene vakken’ en geschiedenis in BSO en TSO in Diest en Tienen

Familiale situatie: alleenstaand

Had graag over dit talent beschikt: een perfect gehoor

Kijkt dans en theater sinds: 1986. Met een dip in de jaren 90 en dan weer volop vanaf 2000.

Heeft een abonnement van: STUK, Kaaitheater en deSingel.

Favoriete theaterhuis: voor de zaal: deSingel en het Kaaitheater. Voor de intimiteit en de service: STUK. Favoriete gezelschap: Les Ballets C de la B, ‘Zo heb ik vrij veel makers in een slag.’

Favoriete choreograaf: Pina Bausch. ‘Die eer wil ik haar zeker gunnen.’

Zou, mocht hij de kans hebben gekregen, Pina Bausch het volgende hebben willen vragen: ‘Wat haar tot zo een gedreven vrouw maakt. Haar hele leven zo blijven werken, keihard werken, nergens toegiften doen.’

Drinkt na de voorstelling graag: Bionade. Of koffie, veel koffie. In alle geval geen alcohol.

Mist vandaag op het podium: ‘Ik was het dansante wat kwijt – de poëzie van een zuivere dansvoorstelling. Maar het is aan het kenteren.’

Een jonge maker om in het oog te houden: Samuel Lefeuvre

Een voorstelling om naar uit te kijken: de nieuwe productie van en met Cynthia Loemij en Mark Lorimer

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

#126

01.09.2011

30.11.2011

Delphine Hesters

Delphine Hesters is cultuursocioloog.  Ze werkt als onderzoeker, facilitator en adviseur voor organisaties en beleidsmakers in cultuur en coördineert de werking rond danserfgoed bij STUK.

artikel

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!