De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
Hilde Wils, Fatin Farhat, Rudi Meulemans en Ina Geerts voor het Ramallah Cultural Palace © Caroline Rottier
In januari was het Brusselse gezelschap De Parade op een viertal plaatsen op tournee in Palestina. Ze speelden er Dhakara, een triptiek over de weduwen en een vriendin van drie Palestijnse intellectuelen die werden vermoord in de jaren tachtig. Auteur en regisseur Rudi Meulemans hield een dagboek bij.
Tel Aviv
We waren gewaarschuwd voor strenge controles op de luchthaven. Bij onze aankomst in Israël op Ben Gurion Airport blijkt dat nog mee te vallen. De beambte vraagt mij wie de theatertournee organiseert en ik antwoord, waarheidsgetrouw: ‘Ramallah Municipality’. Daar moet ze vreselijk hard om lachen.
Er stond een taxichauffeur op ons te wachten om ons door nachtelijk Israël naar Oost-Jeruzalem te brengen waar we zullen logeren in het Jerusalem Hotel. Onderweg passeren we enkele onbemande checkpoints. Alles lijkt rustig.
Ik ben hier samen met de actrices Ina Geerts, Caroline Rottier en Hilde Wils, om in de Palestijnse Gebieden voorstellingen te spelen van Dhakara, een theaterproductie die wij maakten over de weduwes en een vriendin van drie Palestijnse intellectuelen die in Parijs en Brussel werden vermoord in de jaren tachtig.
Jeruzalem
Asad is te laat. We hadden een afspraak met hem om tien uur. Hij zou ons gidsen door Jeruzalem. Hij arriveert om kwart voor elf. Asad werkt voor Ramallah Municipality. Hij woont in Ramallah en was meer dan een uur opgehouden aan het checkpoint tussen Ramallah en Jeruzalem. Toch is hij vandaag een tevreden man. Hij kreeg een ‘permission’ waarmee hij gedurende veertien dagen Jeruzalem binnen mag. Hij toont ons het officiële document, een flodderig blauw papiertje.
Met Asad bezoeken we The Palestinian Art Court, een kunstgalerij in Oost-Jeruzalem, waar momenteel een tentoonstelling met foto’s van Rula Halawani loopt. Mirna Barnieh, die hier de leiding heeft, spreekt Frans. Zij zal morgen bij de voorstelling de Arabische boventitels bedienen omdat de vrouw die dat bij de andere voorstellingen op de Westelijke Jordaanoever zal doen, geen toelating heeft gekregen om naar Jeruzalem te komen. Wat voor de Israëli’s een regelgeving is, kan ik niet anders zien dan een vorm van pesterij. Het maakt het voor de mensen die onze tour hier organiseren bijzonder moeilijk om alles vlot te laten verlopen. Maar niemand van de Palestijnen zeurt. ‘No problem.’
Met Asad maken we een wandeling door de oude stad. We lopen door de smalle straatjes, langs de Via Dolorosa, bezoeken de Heilig-Grafkerk. Op de Tempelberg kunnen we de Al-Aqsamoskee niet bezoeken. ‘Only for muslims today.’ Morgen dan? ‘No, only for muslims tomorrow.’ Wat verderop blijft Asad staan in het straatje dat naar de Klaagmuur gaat. Daar kan hij niet mee naartoe. Om tot aan de Klaagmuur te geraken moeten we door een controlepost. Deze keer voor ons geen hindernis, maar Asad mag daar niet door. En, zo zegt hij, al zou hij erdoor mogen, hij zou niet willen.
Deze middag leert mij wat ik eigenlijk al wist: de ontzettende complexiteit van de regio. Maar ik vind het heel anders om daar in de dagdagelijkse realiteit mee geconfronteerd te worden dan om erover te lezen of er een reportage over te zien.
Jeruzalem
Vanavond spelen we onze eerste voorstelling hier in The Palestinian National Theatre. Omdat we absoluut niet weten wat er ons te wachten staat, vertrekken we al vroeg in de voormiddag naar het theater voor de technische opbouw. Het gebouw blijkt niet ver van het hotel te liggen. De receptioniste legt ons uit hoe we moeten lopen. We volgen haar aanwijzingen maar toch kunnen we het theater niet vinden. We vragen aan verschillende mensen de weg. Ze sturen ons allemaal een binnenplaats op. We kunnen niet geloven dat het hier ergens is. Tot we beseffen dat het bunkerachtige gebouw in het midden van de binnenplaats het theater is. Er is geen enkel opschrift, geen affiche. Niks doet vermoeden dat dit The Palestinian National Theatre is. Zelfs op de deurbel staat er geen naam. Later krijgen we te horen dat dit een bewuste strategie is. De directie van het theater opteert er voor om zo weinig mogelijk zichtbaar aanwezig te zijn in het straatbeeld. Nog maar een paar maanden geleden is de Israëlische politie er binnengevallen tijdens een evenement en heeft toen alles stilgelegd. Sindsdien hanteert het theater een low profile. Het maakt ons niet geruster op de goede afloop vanavond.
Eenmaal binnen kunnen we beginnen met de opbouw. Dhakara is technisch gezien een uiterst eenvoudige productie. We zijn vertrokken zonder ons decor en kiezen ter plaatse in het theater een tafel en vier stoelen uit. Een groot projectiedoek als achtergrond voor de videobeelden van Jo Huybrechts en de Arabische boventitels. Een microfoon, een geluidsinstallatie. De belichting passen we aan naargelang de mogelijkheden van het theater. Hier een voorstelling spelen betekent dat je compromissen moet sluiten. Je moet geduld hebben en er rekening mee houden dat de communicatie soms via bochten verloopt. Palestijnen zijn trotse mensen. Nooit zal iemand van hen zeggen: Dit is niet in orde omdat we bij de werking gehinderd worden door de Israëli’s. Als je iets vraagt, doen ze er alles aan om dat voor je in orde te brengen. Terwijl ik soms pas achteraf besef welke moeite het hen gekost heeft om dat te doen.
In The Palestinian National Theatre blijkt de laptop die voorzien was voor de projectie van de boventitels besmet te zijn met een virus. ‘No problem.’ De technieker zegt dat hij wel even een andere computer gaat halen. We wachten. We wachten nog wat. We wachten wel heel erg lang en gaan alvast een broodje kopen. Drie uur later duikt de technieker weer op. Pas dan verneem ik dat hij die computer is moeten gaan halen in Hebron. Maar, zoals gezegd, ‘No problem.’ Alles met de glimlach. Ik weet dat ik veel kan leren van deze mensen.
’s Avonds bestaat het publiek uit de progressieve elite van de stad, aangevuld met een grote delegatie van het Belgische consulaat. De voorstelling verloopt goed ook al is ze technisch (beeld, geluid) niet perfect volgens onze normen. De boventiteling blijkt te werken. De actrices hebben hun spreekritme een beetje aangepast zodat iedereen goed kan volgen met het lezen van de titels.
Na afloop is er op het consulaat een diner naar aanleiding van onze passage in dit land. We ontmoeten er enkele diplomaten, de burgemeester van Ramallah en een Palestijnse politieke activiste die pas vrij is na enkele dagen in de gevangenis doorgebracht te hebben.
De jonge diplomaat Karel Van Hecke neemt ons, na afloop van het diner, mee voor een nachtelijke autorit door Jeruzalem. Hij zegt dat hij ons een aantal dingen wil tonen. We rijden door Mea Shearim, een van de oudste wijken van Jeruzalem, waar de charedische joden wonen. Je wordt er teruggeworpen in de tijd. Voor mij hebben de straatjes echter niets pittoresk. De sfeer is eerder beklemmend. Karel rijdt verder naar Sheikh Jarrah. In deze wijk werden enkele Palestijnse families uit hun huizen gezet. Die huizen werden door het Israëlische Hooggerechtshof toegewezen aan Joodse kolonisten uit New York. Het gaat om huizen die in de jaren vijftig door de VN gebouwd werden voor Palestijnse vluchtelingen. De kolonisten claimen eigendomsrechten te hebben die teruggaan op de situatie van voor 1948. We stoppen aan een van de huizen. De moeder en de kinderen van het gezin dat hier uit zijn huis werd gezet, zijn ondergebracht bij familie. De vader zit in een witte plastic tuinstoel bij een houtvuur in de voortuin van het huisje. Dat tuintje is momenteel no man’s land. De deur van zijn (vroegere) huis staat open en in de deuropening zie je de joodse kolonisten staan die het huis hebben ingenomen. De man is van plan zo lang mogelijk in de tuin te blijven zitten. Het is zijn enige mogelijkheid om te protesteren tegen de gang van zaken. Juridisch gezien heeft hij geen schijn van kans om zijn huis opnieuw te verwerven. De komende weken zullen in alle vroegte Israëlische politiemensen aankloppen bij naar schatting Nog zo’n achtentwintig Palestijnse gezinnen om hen uit hun huizen te zetten. Ik voel mij machteloos. Eén van de kolonisten, een twintiger, komt naar buiten en loopt rakelings langs mij. Hij probeert mij te provoceren. KareL zegt dat het tijd is om te vertrekken.
Jenin
In alle vroegte zijn we vertrokken naar Jenin waar we zullen spelen in The Freedom Theatre. Dit is een klein theatertje waar eigen producties getoond worden en waaraan ook een dramaschool verbonden is voor de kinderen uit het vluchtelingenkamp. We worden er bijzonder warm ontvangen. Thee, koffie, versnaperingen. De technische middelen zijn zeer beperkt. Ik beslis al snel om het licht tot het absolute minimum te herleiden en om de videobeelden te laten vallen. Zolang we de boventitels maar goed krijgen. Die zijn immers van essentieel belang opdat het publiek de voorstelling zou kunnen volgen.
Om 16 uur loopt het theater vol. De vrouwen (de meesten van hen gesluierd) gaan links van het gangpad zitten, de mannen rechts. Wat zullen deze mensen vinden van onze voorstelling? Van de inhoud? Van de vorm? Caroline begint met haar monoloog, het verhaal van Marie-Claude Hamshari. Het is muisstil in de zaal. Na afloop van dit eerste deel is er een flink applaus. Ik denk dat het lukt. Ook bij de tweede monoloog (het exposé van Leila Shahid door Hilde) en de derde (het relaas van Bernadette Reynebeau door Ina) voel je de concentratie van het publiek. Dan is de voorstelling afgelopen. Iedereen veert recht en geeft een minutenlang durende ovatie. Nadien blijft men napraten op de binnenplaats. Fruitsap en frisdrank. En heel veel zoetigheid. Dit soort theater hebben ze hier nog nooit gezien. Ze zijn nieuwsgierig naar hoe wij werken. Iemand van de docenten aan de dramaschool wil graag de tekst hebben om hem te gebruiken tijdens een workshop. Hij werkt met meisjes die niet kunnen lezen. Dat komt inderdaad nog voor, terwijl er de laatste jaren toch enorme inspanningen gedaan zijn om het analfabetisme op te lossen. De docent legt uit hoe hij werkt. Eerst leest hij hen de tekst voor, zin per zin, en zij memoriseren hem. Dat kost weken. Pas daarna kunnen ze aan de slag met de tekst.
Ramallah
Het Ramallah Cultural Palace heeft zijn naam niet gestolen. Het is een gigantisch complex boven op een heuvel net buiten het stadscentrum. Naast het gebouw ligt het graf van Mahmoud Darwish. Het theater heeft een auditorium met 750 zitplaatsen en is technisch uitstekend uitgerust. Bovendien werken er goed opgeleide en enthousiaste techniekers. Het gevolg is dat we al snel klaar zijn met de opbouw. Omdat we tijd over hebben, stelt de geluidstechnicus ons voor om een bezoek te brengen aan het graf van Yasser Arafat. Hij heeft nog gewerkt voor Arafat. Onderweg vertelt hij mij dat zijn zus ernstig ziek is. Ze woont in Bethlehem en moet een nierdialyse ondergaan. In het ziekenhuis in Bethlehem konden ze de katheder niet inplanten. Daarom had hij een toelating aangevraagd om met zijn zus naar een ziekenhuis in Jeruzalem te gaan. Terwijl ze wachten op die toelating, ging de toestand van zijn zus steeds verder achteruit. Uiteindelijk is hij vorige week met haar naar het ziekenhuis in Jeruzalem mogen gaan, zo vertelt hij. Ze vertrokken vanuit het ziekenhuis in Bethlehem met een ambulance tot aan het checkpoint.
Verder mocht de ambulance niet rijden. Hij heeft zijn zus in zijn armen genomen en haar zo voorbij het checkpoint gedragen. Aan de andere kant hebben ze een taxi genomen naar Jeruzalem. Na de ingreep, hetzelfde scenario voor de terugweg. Het scheelde niet veel of zijn zus was gestorven. Ze haalde het, weliswaar met veel moeite, maar ze haalde het. Ze haalde het omdat ze geld had voor deze hele onderneming. Wie geen geld heeft, sterft op de Westelijke Jordaanoever.
Tijdens de voorstelling in het Ramallah Cultural Palace blijf ik denken aan de verschillende omstandigheden waarin we hier spelen. Maar ook aan de verschillende soorten publiek: de progressieve elite in Jeruzalem, de mensen uit het stadje en de studenten in Jenin, en hier in Ramallah, een mix van het gewone theaterpubliek van de stad en grote groepen moslimmeisjes die met bussen werden aangevoerd. Deze meisjes reageerden tijdens de voorstellling uitgesproken strijdvaardig. Wanneer in de laatste monoloog verteld wordt hoe Naïm Khader tegen zijn moeder zei: ‘Moeder, jij hebt vier zonen. Je kan er één afgeven voor Palestina’, applaudisseren ze luid. Ook wanneer gezegd wordt dat Amina, de dochter van Marie-Claude en Mahmoud Hamshari getrouwd is met een Palestijn: luid applaus. Blijkbaar hebben niet alle jongeren de strijd hier opgegeven.
Ramallah
Vandaag geen voorstelling. Hilde en ik gaan op bezoek bij Ashtar Theatre, waar we ontvangen worden door Fida Tiryis. Zij zegt ons dat ze blij is dat er gisteren zoveel jongeren in de zaal zaten. Ze vindt het belangrijk dat zij de geschiedenis die wij vertellen gehoord hebben. In Palestina stapelen de drama’s zich op in ijltempo. Er is nauwelijks tijd om dit alles te verwerken in kunst. Voordat iemand daar aan begint, dient er zich alweer een nieuwe tragedie aan. Dit maakt dat veel van de persoonlijke geschiedenis dreigt verloren te gaan.
Bij Ashtar maken ze ‘Forumtheater’, ontwikkeld door de Braziliaan Augusto Boal. Men noemt deze theatervorm ook ‘Theatre of the oppressed’ omdat men zich richt op slachtoffers van discriminatie. De acteurs spelen een stuk rond een taboe-onderwerp. In Palestina kan dat bijvoorbeeld gaan over vrouwenonderdrukking. Het stuk loopt slecht af. Nadien is er een discussie met het publiek waarin het publiek wijzigingen aan het stuk kan voorstellen zodat er wel een happy-end kan komen. Ashtar Theatre heeft een eigen zaaltje in Ramallah maar het merendeel van de voorstellingen spelen ze in kleine dorpen. Ik merk bij Fida een groot enthousiasme en ik heb echt de indruk dat ze met deze theatervorm kunnen bijdragen aan een betere samenleving. Fida vraagt of we ook spelen in steden in Israël. Ik vraag haar of ze denkt dat dat mogelijk zou zijn. Ze zegt dat ze het in ieder geval een goed idee zou vinden, dat ze zich heftig verzet tegen de culturele boycot tegen Israël. Ze gelooft dat samenwerking de enige weg vooruit is. Ik denk dat zij gelijk heeft.
Van het schamele gebouwtje van Ashtar Theatre verplaatsen we ons naar de riante villa waar de Qattan Foundation haar hoofdkwartier heeft. Hier spreken Hilde en ik met Ziad Khalaf. De Foundation heeft heel veel projecten lopen waarbij educatie en cultuur steeds samengaan. Om maar een paar dingen te noemen: Ze bouwen een netwerk van bibliotheken uit in Gaza, organiseren een wedstrijd voor jonge beeldende kunstenaars en organiseren de ‘Performing Arts Summer School’ in samenwerking met de KVS en Les Ballets C de la B. In een guesthouse in de tuin van de villa was onlangs nog John Berger te gast. Ook Lukas Pairon (Ictus) werkt samen met deze organisatie. Na het gesprek lijkt het ons alsof het werk van Qattan Foundation alomvattend is. Hier wordt op een ernstige, doordachte manier aan culturele opvoeding gedaan.
Jericho & de Dode Zee
De organisatoren vinden dat we een verzetje verdienen en regelden voor deze namiddag een uitstapje naar Jericho en de Dode Zee. Bij het binnenrijden van Jericho zien we een Joodse nederzetting. Een klein huis met op het dak de Israëlische vlag en daaromheen een ijzeren omheining met op één hoek een wachttoren. Zo beginnen de meeste nederzettingen, met één man. Later, wanneer de water- en elektriciteitstoevoer is voorzien, laat hij familie en vrienden overkomen. De nederzetting groeit. Het is merkwaardig te zien dat deze mensen ervoor kiezen om in een zelf ontworpen gevangenis te gaan leven.
We rijden verder door de woestijn naar de Dode Zee. De omgeving is overweldigend mooi. In de Dode Zee blijk je echt te kunnen drijven. Het is allemaal echt waar.
Beitjala
Met ons vieren gaan we op bezoek bij Nicola Zreineh, een acteur bij het Al-Harah Theatre in Beitjala. Dit gezelschap zet vaak internationale coproducties op en speelt over de hele wereld. Maar tegelijkertijd vergeten ze hun roots niet en werken ze met kinderen uit de buurt. Ook hier weer valt op het belang dat gehecht wordt aan de jongeren. Zij zijn de toekomst. Zij verdienen een beter leven. Nicola vertelt over hoe moeilijk het is om met hen te werken. Velen kunnen zich slecht concentreren omdat ze lijden aan posttraumatische stress. En op het moment dat hij dacht een doorbraak te bereiken, werd er vlak voor de huizen waar veel van de jongeren wonen een muur gebouwd. Enkel het zien van de muur, ’s morgens bij het wakker worden, is voor hen deprimerend.
We gaan samen lunchen op het plein voor de Geboortekerk in Bethlehem en brengen daarna een bezoek aan de kerk. Zelfs hier, op de binnenmuren, zijn er nog gaten te zien van de beschietingen.
Het Palestijnse drama is overal tastbaar aanwezig. En toch voel ik mij hier, op de Westelijke Jordaanoever, heel erg op mijn gemak. Ik ben vertrokken met een bang hart en nu ik hier ben kan ik mij nog maar moeilijk voorstellen waarover ik mij zo druk maakte. De schoonheid van het landschap, de warmte van de Palestijnen, het doorvoelde engagement van de mensen die we ontmoeten en – zeer verrassend – de grote levensvreugde. Ik hou van dit land en deze mensen. Ik voel mij hier goed.
Bethlehem
Vandaag de laatste voorstelling in het Dar Anadwa Centre in Bethlehem, een erg mooi modern complex. Voor de gelegenheid zijn er wat mensen gekomen die wij ondertussen hebben leren kennen in Palestina. De zaal lijkt gevuld met de incrowd. Na afloop is er weinig tijd om na te praten. We moeten onmiddellijk vertrekken naar de luchthaven in Tel Aviv. ‘Komen we terug?’ – ‘Als je mensen kent die graag willen komen voor het geven van een workshop, laat het weten.’ De vraag is groot maar als je hier bent, merk je ook dat de gastvrijheid overweldigend is.
Tel Aviv
Het is moeilijker om Israël te verlaten dan om er binnen te raken. Op de luchthaven: een eerste ondervraging. Wanneer blijkt dat we in Palestina zijn geweest, krijgen we de volledige behandeling. Vooral ergerlijk is het dédain waarmee we worden bejegend. De koffers moeten open. Nog eens een ondervraging. De fototoestellen worden gecontroleerd. Dan besluiten ze iemand van onze groep eruit te pikken voor een ‘mental check’ (fouillering en ondervraging in een aparte kamer). Ze nemen Ina mee naar een apart kamertje. We zullen haar pas terug zien in de duty free zone.
De Israëli’s vragen ‘papieren’, ze vragen ‘Weet u wat dat is?’ (wijzend op het woord ‘Palestine’), ze vragen ‘Wat komt u hier doen?’, ‘Wat komt u hier zoeken?’. Het staat in schril contrast met wat we voelden op de Westelijke Jordaanoever, waar alle Palestijnen naar je toe komen en zeggen: ‘Welcome. You are very welcome.’ ©
Dhakara is op 16 april te zien in De Werf in Brugge, op 17 april in Den Bril in Lier en op 23 november in De Warande in Turnhout. www.deparade.be
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.