© Boumediene Belbachir

Leestijd 8 — 11 minuten

Orde van de dag – Het nieuwstedelijk

Een glad walsje zonder stomp in de maag

Opnieuw een voorstelling over het interbellum en de oorlog die erop volgt? Stijn Devillé schrijft en ensceneert al enkele jaren over die uiterst gewelddadige episode in de wereldgeschiedenis. En meestal spelen zijn drama’s zich af in de achterkamers, de coulissen van historische evenementen, niet in de openbaarheid van de officiële geschiedenis. In Orde van de dag bewerkt Devillé de gelijknamige historische roman van Éric Vuillard die de hoofdfiguren uit die woelige periode opnieuw vooral in privé-momenten laat zien. Dit keer staan twee gebeurtenissen centraal: de steun van de industrie aan de machtsgreep van Adolf Hitler, in 1933, en de aanhechting van Oostenrijk bij het Reich, in 1938. De voorstelling schakelt tussen  dialoog en vertelling, en helt (te) vaak over de rand van het schoolse, het belerende. Moet theater meer zijn dan een stichtende geschiedenisles? Of is dat nu net nodig, in donkere tijden?

Over de achtergronden en het verloop van de nationaal-socialistische machtsgreep in Duitsland, anno 1933, zijn al bibliotheken volgeschreven. Ook in het theater zijn pogingen in die zin ondernomen, en Bertolt Brechts Der Aufhaltsame Aufstieg von Arturo Ui is wellicht het meest bekende, en ook één van de meest ambitieuze, ondanks de kritiek van met name Theodor Adorno dat een clowneske tekening van de dictator nooit inzicht kan verschaffen in de ware aard van het Duitse fascisme. Brecht gaf dit later ook toe: de satire, zelfs al is deze geïnspireerd door Charlie Chaplins The Great Dictator, is ontoereikend om iets zinnigs te zeggen over Hitler – na de Shoah. Toch wagen theatermakers zich steeds weer aan deze onmogelijke taak, en nu riskeert ook Stijn Devillé, met zijn trouwe ensemble bij Het Nieuwstedelijk, zijn vel.

“Telkens gaat het bij Stijn Devillé over de verhouding tussen economische omstandigheden – vooral de agenda van het kapitalisme – en de politieke gevolgen, voorzien en onvoorzien, die daaruit voortkomen. Een marxistische analyse pur sang.

Devillé schreef al vaker over het interbellum en de oorlogen die eraan voorafgingen en erop volgden, en Orde van de dag situeert zich ergens tussen Vrede, Liefde & Vrijheid (2021), over een romantische affaire in de coulissen van de vredesonderhandelingen in Versailles, in 1919, en Yellowcake, Little Boy over de uiteenlopende gewetensconflicten (of het ontbreken daarvan) bij de ontwikkeling, test en het daadwerkelijk gebruik van de atoombom, in 1945. Telkens gaat het bij hem over de verhouding tussen economische omstandigheden – vooral de agenda van het kapitalisme – en de politieke gevolgen, voorzien en onvoorzien, die daaruit voortkomen. Een marxistische analyse pur sang eigenlijk, hoewel zijn personages niet per se slachtoffers van de ‘noodzakelijke’ historisch-materialistische dynamiek zijn. Zij zijn vaak zelfs nogal sentimenteel. Dat kan spanning opleveren, maar ook een melodramatische ondertoon. Voor alle duidelijkheid: dat is een legitieme dramaturgische keuze.

“We zijn al min of meer bezweken onder een geschiedenisles van twee uur. We zijn veel te weten gekomen, maar wat hebben we beleefd?”

Devillé heeft L’ordre du jour van Éric Vuillard bewerkt, een récit dat het midden houdt tussen een historische roman en een journalistiek essay, waarin de auteur zowel de collusie tussen Hitlers NSDAP met de groot-industriëlen als het lot van Oostenrijk bij de Anschluss van 1938 tracht te vatten. De theatervloer is een schaatsbaan, waar twee onbezorgde meisjes, in de winter van 1933 vrolijk vooruitkijken naar een zonnige toekomst. Dat kader voegt Devillé toe aan Vuillards relaas, en alle personages glijden ook af en toe uit, maar ze houden zich altijd recht: een geschikte theatrale vondst, maar niet veel meer dan dat. De 24 captains of industry verschijnen, het licht verliest bijna alle kleur, en er speelt zich een bizar ritueel af met haast anonieme figuren in rokkostuum, hoogstens wat variatie in mimiek, en met een korte verschijning van de Führer (gespeeld door Sara Vertongen), die tussen de voornamelijk oudere heren danst. Een verteller-acteur vertelt ons de details van deze ontmoeting, over de opvallende gretigheid van deze heren om de dictatuur te steunen. Maar daarmee is dit verhaal over de economische collaboratie zowat vertelt, enkel op het einde zal een zichtbaar verouderde Gustav Krupp (een Duitse militair industrieel) opsommen waar ze hun dwangarbeiders voor de oorlogseconomie vandaan haalden – Buchenwald, Dachau, Sachsenhausen, Mauthausen, Auschwitz…

“De niet-witte mannen en de vrouwen, op de rollen van Sara Vertongen na, zijn figuranten of zetstukken – dat is toch mijn perceptie. Ze verdrinken sneller dan de anderen in de maalstroom van de geschiedenis.”

Een andere episode uit de totalitaire intimidatie van het NS-regime krijgt daarna alle aandacht. De Britse buitenlandminister Lord Halifax verzekert Hermann Goering (Tom Van Bauwel) dat appeasement de richtlijn is van het beleid. De ‘echte’ Goering was al een karikatuur van zichzelf, en met een oppervlakkig getypecaste Van Bauwel is dat dubbelop – het werkt wel, een tijdje. Dus kan Hitler zonder veel gemor uit de rest van Europa Oostenrijk intimideren, chanteren en finaal annexeren. Tot grote tevredenheid van de meeste Oostenrijkers overigens: zij hielden meer van de Führer dan de Duitsers zelf. We zijn getuige van de vernedering en de ineenstorting van de Oostenrijkse kanselier Kurt Schuschnigg (Matthias Van de Brul), die in een luxe-gevangenis zal belanden, nadat hij Hitler bleef tegenspreken. Op het afscheidsdiner van de Duitse ambassadeur in Londen, Joachim von Ribbentrop (Michael Pas) – nog zo’n schertsfiguur, maar hij was wel net benoemd tot Hitlers buitenlandminister –, verneemt eerste minister Chamberlain (Prince K. Appiah) het nieuws over Oostenrijk, maar tot veel zichtbare commotie leidt dat niet, eerder tot sprakeloosheid, verbazing. Dat de Reichswehr zich in Oostenrijk vastrijdt in verkeersopstoppingen, dat is een anekdote die enkel dient om de irritatie van Hitler nog eens uit te vergroten. Veel aangrijpender is het relaas over de zelfmoorden in Wenen, waar de bewapende Duitse rijksgenoten, ontsnapt uit de modder, voordien toegejuicht zijn door tienduizenden burgers. Het nutsbedrijf sloot in Wenen het gas af, er werd teveel gebruikt en te weinig betaald – gas was het favoriete wapen voor suïcide, zo noteerde Walter Benjamin. Sara Vertongen, bevrijd van haar Hitler-pak, laat zich gaan in een lange, vaak repetitieve monoloog, tegen een rumoerige achtergrond van ballerina’s en luidruchtige muzikanten, in een stijl die doet denken aan de late Fassbinder (Lili Marleen bijvoorbeeld): een intrieste tirade die wat verloren gaat in het lawaai. Als er stilte valt, blijft van haar getuigenis enkel nog het melodrama over. Dat de oude Krupp, zoals gezegd, nog even met valse schaamte de wandaden van zijn kaste opsomt, doet niet veel meer, net zomin als een laatste rondje schaatsen van de niet meer zo zorgeloze meisjes (Chloé Onyinye, Lena Leue). We zijn al min of meer bezweken onder een geschiedenisles van twee uur.

“Hoe meer je er de nadruk op legt, zelfs enkel impliciet, dat het over vandaag gaat, hoe meer de metafoor aan spankracht verliest.”

We zijn veel te weten gekomen, maar wat hebben we beleefd? Een zoveelste karikatuur van de Führer, inclusief het spel met de wereldbol uit Chaplins film, clichés over de patserige levensstijl van Goering, wiens borst vol eretekens rammelt als een klokkenspel, of over de gluiperige narcist Ribbentrop die zichzelf zo graag hoort praten, of over de broekschijtende Schuschnigg die na de oorlog als professortje wegkwijnt in de USA. Deze hoofdzakelijk oude witte mannen, die genieten van hun vertelkunst, hebben veel historische feiten op een rij gezet, ons medegedeeld in een frontale speelstijl, retorisch opgefokt. De niet-witte mannen en de vrouwen, op de rollen van Sara Vertongen na, zijn figuranten of zetstukken – dat is toch mijn perceptie. Ze verdrinken sneller dan de anderen in de maalstroom van de geschiedenis. Je kan dan wel verwijzen (in het programmaboekje) naar de iconische prestatie van Martin Wuttke als Arturo Ui, in de regie van Heiner Müller, die zich transformeert tot blaffende én bijtende hond, tot levend hakenkruis en die het woord ‘Glaube’ (geloof) radicaal ontheiligt in een angstaanjagende monoloog, maar wat dit ensemble neerzet is braaf en uitleggerig, en de satire is ongevaarlijk. Hoe meer je er de nadruk op legt, zelfs enkel impliciet, dat het over vandaag gaat, hoe meer de metafoor aan spankracht verliest. Zijn Groenland of Canada, of de hele westelijke hemisfeer het Oostenrijk van Trump? Dat kan best, maar een flauwe Schuschnigg helpt mij niet om opstandiger te worden – voor zover dat de bedoeling zou zijn. Niemand glijdt écht uit op de schaatsbaan, de kostuumswissels verlopen naadloos, de muziek – citaten van Schubert, Rodgers & Hammerstein (The Sound of Music), Berlijns cabaret, en zelfs de Dreigroschenoper van Kurt Weill en Brecht – klinkt juist op het juiste moment. Nergens wringt er iets tegen.

“Maar een Weens walsje op een gladde scène, dat helpt echt niet om tegendraads te denken, om een stomp in de maag te krijgen.”

Dat was anders bij de al genoemde Der aufhaltsame Aufsteig : des Arturo Ui van Heiner Müller bij het Berliner Ensemble, dertig jaar geleden, want die overschreed elke karikatuur, Martin Wuttke was gênant én verontrustend – en maar goed ook. Dat was ook anders in een toneelteksten als Heldenplatz van Thomas Bernhard (en in zoveel ander werk van hem), dat eens en voorgoed duidelijk maakt dat de Oostenrijkse burgerij geen slachtoffer maar een medeplichtige was aan Hitlers expansiedrang, en met volle overtuiging. Deze Schuschnigg, deze ‘austrofascist’ die Mussolini zo bewonderde, is vooral meelijwekkend. Ik wil gerust lachen met Hitler, dat is het punt niet. In de fijne roman van Timur Vermes, Er is wieder da, duikt Hitler in 2014 plots weer op en stijgt hij binnen de kortste keren ten hemel als een mediaster – iedereen denkt dat hij een komiek is, maar hij maakt dankbaar gebruik, ook politiek, van de geboden kansen: “Damit lässt sich arbeiten” concludeert de wedergeboren Führer, “daarmee kunnen we aan de slag.” Onheilspellend genoeg, zeker in het Duitsland van vandaag. Maar een Weens walsje op een gladde scène, dat helpt echt niet om tegendraads te denken, om een stomp in de maag te krijgen. Ongemakkelijk word ik bij dit soort educatieve oefening, weliswaar spitsvondig, maar nooit verontrustend. Heb ik zelf te veel Hitler-literatuur slecht verteerd, en ben ik, zoals de professor ‘Hitler-studies’ in Don DeLillo’s roman White Noise, in een radioactieve wolk terechtgekomen? Dat zou best kunnen, maar naar Thomas Bernhards nationaal-katholieken (zoals in Voor het pensioen) kan ik wel ademloos blijven luisteren. Want daar dient de schaamteloze retoriek om voelbare aftakeling te tonen. Woorden maken wonden, hier klinken ze als al te voorzichtige waarschuwingen.


De speellijst van de voorstelling vind je hier.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 8 — 11 minuten

#181

15.12.2025

14.04.2026

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans (1959) is Doctor in de Rechten. Hij werkt als docent en onderzoeker aan het RITCS. Hij is actief als dramaturg en regisseerde twee toneelstukken: Bulger (2006) en Sleutelveld (2009). In 2022 verscheen The Dramatic Society. Essays on Contemporary Performance and Political Theory, bij Routledge.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!

Wat is de toekomst van cultuurspreiding in Vlaanderen? De nieuwe Strategische Visienota Kunsten van minister Caroline Gennez wil expliciet meer inzetten op spreiding in landelijke gebieden en een breed bereik.

 

Ga mee in debat met Kunstenpunt en Etcetera op dinsdag 26 mei in de Beursschouwburg. Reserveer hier je gratis ticket.

Moderator: Ciska Hoet. Panel: onder andere Wouter Hillaert (cultuurjournalist) en Rolf Quaghebeur (kabinetsadviseur bij Minister van Cultuur Gennez). Volledige panel wordt snel bekendgemaakt.