Leestijd 6 — 9 minuten

Offenbach, Strauss en Janacek – Nationale Opera Brussel

Kroniek – Het jeugdpuistje van het cultureel proces

Offenbach heeft de partituur van zijn Contes d’Hoffmann nooit voltooid. Guiraud heeft het werk georkestreerd na Offenbachs dood en wat nog schets was verder uitgewerkt. In Guirauds versie verdween de “muze” die de drie vertellingen van Hoffmann thematisch aaneensmeedt. In 1977 verscheen te Kassei een kritische uitgave van Fritz Oeser, waarin Offenbachs versie (mèt de muze) werd hersteld. Oeser schrapte verschillende bekende passages, waarvan hij meende dat die pas later waren toegevoegd. Zonde van de mooie muziek die zo overboord werd gegooid, vond dirigent Sylvain Cambreling, en hij stelde voor deze voorstelling zijn eigen versie samen.

Het gevolg hiervan is dat de Brusselse toeschouwer bladzijdes te horen krijgt, die op de platenversies niet voorkomen. Het werk wint bij deze nieuwe aanpak. De drie verhalen hangen plots beter samen en het geheel wordt in een wijde boog omspannen door de interessante allegorie over het kunstenaarschap, een diepgemeende boodschap, die dan nog geformuleerd wordt in een indrukwekkende finale. Dat deze muziek eindelijk uit de bibliotheken is gehaald, kan de muziekliefhebber slechts verheugen. Op die manier is er in Brussel een merkwaardige Contes d’Hoffmann te horen.

Of er ook een merkwaardige Contes d’Hoffmann te zien is? Vooraf moet gezegd dat de ruimte van het Koninklijk Circus slechts een tijdelijke noodoplossing is en dat deze opvoering aan slagkracht inboet door de grote open ruimte. In de Munt zou dit een meer geconcentreerde en dus een grotere indruk maken.

Regisseur Gilbert Deflo heeft geopteerd voor een mooie, klassieke opvoering. Het is voortreffelijk werk van een vakman, maar het blijft risicoloos en is weinig verbeeldingrijk. De meer fantastische scènes, zoals de verkoop van ogen en toverbrillen, komen niet uit de verf: de objecten zijn te klein en te realistisch zodat iemand als José van Dam er weinig mee kan aanvangen: deze Contes zijn weinig “fantastisch”.

Niettemin heeft Deflo hier een van zijn betere regies afgeleverd, al vindt hij nergens de kracht terug van de fantastische scènes uit zijn Cendrillon.

***

Die Fledermaus van Johann Strauss is een Weense operette met een flinterdun verhaal en mooie muziek. De Munt gaf aan Maurice Béjart de opdracht om dit werk als eindejaarsvertoning te monteren in het Koninklijk Circus. Natuurlijk denkt een oudere generatie hierbij terug aan Béjarts aanpak van de Lustige Weduwe in de jaren zestig. Toen ging hij zo vrij met de stof om, dat de erfgenamen van Léhar protesteerden, en probeerden de vertoning te verbieden. Dwaas gekwaak van mensen die de operette luchtig willen houden, en menen dat ze de heilige plicht hebben om de banaliteit wettelijk te beschermen. Maar goed: Béjart en operette is niet noodzakelijk een ongevaarlijke ontmoeting.

Met deze Fledermaus heeft hij niet zo een loopje genomen. Wel heeft hij gemeend dat hij het boulevard-gegeven niet helemaal ongemoeid mocht laten en is hij gaan doordenken op het woord vledermuis, wat hem bracht bij de geografische mogelijkheden. Een vledermuis is een vampier, de beroemdste vampier woonde in Transylvanië en Dracula was een onderdaan van het grote Oostenrijkse keizerrijk. De Weense schalksheid (vrouw bedriegt man die zijn vrouw bedriegt; allen spoeden zich naar het bal, waar man bezwijkt voor de onweerstaanbare charmes van zijn vermomde vrouw; allen komen in de gevangenis terecht, waar alle draden weer ontward worden), werd door Béjart gekruid met een dreigende gestalte (François Beukelaers) die op het juiste moment wat griezelige ratten bovenhaalt. Zo kan Béjart de sentimentele scène Brüderlein omtoveren in een vreemd ritueel met bloeddrinken. De vledermuis wordt van mop tot mythe. Dat alles levert echter geen schokkende lezing. Het is zoals bij middeleeuwse manuscripten: in de marge staat er allerlei stouts bij en dat maakt het precies leuk.

De eigenlijke actie wordt verder voortreffelijk uitgebeeld, waarbij het opvalt hoe geestig en gevarieerd Béjart de hele ruimte van het Circus bespeelt. Bij Deflo zat het spektakel ongemakkelijk in de arena, hier profiteert het van de wat rare dimensies. Béjart weet verschillende interessante momenten te creëren dank zij de onconventionele opstelling van de verschillende personages. In het midden van de circusruimte zit het orkest en Béjart heeft niet aan het plezier kunnen weerstaan om de muzikanten bij het gebeuren te betrekken: de dirigent moet verscheidene malen meedoen (Schönwaldt doet dat met gratie en zichtbaar plezier) en een enkele keer wordt de dirigent van zijn podium verdrongen door een al te enthousiaste zanger. Wanneer de verklede, mooie dame een wilde czardas moet zingen, gaat ze temidden van het orkest staan en sleept ze van daar iedereen mee.

Door al die kleine toetsjes, groeit dit uit tot een spektakel waarbij de toeschouwer constant kan glimlachen. Het kan hier en daar nog wat dieper uitgewerkt worden, het zou dan nog geestiger zijn, maar zoals deze operette nu verschijnt, is ze sprankelend van leven.

***

Helemaal anders is het gesteld met Het Sluwe Vosje van Leos Janacek. Hier komt Deflo weer op de proppen. Van een bespeelde ruimte tuimelt de toeschouwer in een grote leegte. Het decor is kaal, de acteurs hebben geen présence, hoe goed ze ook zingen. Het gaat om een verhaal waar veel echte dieren aan te pas komen. Janacek heeft vooral gemikt op het uitbeelden van de natuur en zijn muziek is sensueel evocatief (van deze moeilijke partituur heeft het Muntorkest onder de leiding van Friedemann Layer een goede lezing gegeven).

Deflo heeft als dramaturgische inval de idee gehad, dat, gezien het verhaal begrepen moet worden als een fabel waarbij dieren naar mensen verwijzen, het mogelijk moet zijn om de dieren gewoon weg te laten. We zien dus niets dan mensen, maar dat geeft aanleiding tot erg vreemde en bevreemdende taferelen: nu wordt niet een vosje maar een zigeunermeisje de halsband omgedaan; nu bespringt de haan niet één van zijn vele kippen, maar moeten twee echte mensen dat mimeren. Licht belachelijk, naast de kwestie en, het ergste van alles, zonder charme of magie. Daarbij is Deflo consequent geweest: geen dieren, dan ook geen natuur. Gevolg: het spektakel is zo leeg als de houten planken van het decor. Er viel dus niets te beleven. Gelukkig zit het orkest in zo een circus erg centraal, zodat men zonder moeite kan gadeslaan wat de musici uitvoeren: bij hen is elk gebaar juist.

Waar is de Deflo van Massenets Cendrillon gebleven? Ik weet niet in welk bos hij verdwaald is geraakt. Alleen zit het erin dat zijn Cendrillon in Amsterdam op het programma zal worden genomen: er was dus een tijd dat hij spektakels maakte die in het buitenland nog steeds gegeerd worden. Maar met dit Vosje is het alsof er niets wordt opgevoerd. Het Engels zegt dat het mooiste met “a non-event”.

 

Uit deze ervaringen leert men dat het Circus wel moeilijk te bespelen valt. Slechts Béjart slaagt erin om alle handicaps te overwinnen, maar dan moet men bedenken dat hij al talrijke jaren deze ruimte heeft geëxploreerd met zijn eigen Ballet. Iemand als Deflo speelt op verplaatsing, Béjart speelt een thuis-match.

LES CONTES D’HOFFMAN van Offenbach; muzikale leiding: Sylvain Cambreling; regie: Gilbert Deflo; decors: Carlo Tomassi; kostuums: Mauro Pagano; belichting: Bruno Boy er; koorleider: Gunter Wagner; met Stuart Burrows, Diana Montague, José van Dam, Da-nièle Clostawa, Barbara Madra e.a.

DIE FLEDERMAUS Muziek: Johann Strauss jr.; tekst: Karl Haffner & Richard Genée; bewerking: Gerard Brunner; dirigent: Michel Schönwandt; regie: Maurice Béjart en Elmar Ottenthal; decors en kostuums: Jorge Jara; belichting: Claude Tissier; met: Chritian Boesch, Karita Mattila, Bobo Schwanbeck, Anja Silja, Louis Devos, Mikael Melbye, Guy De Mey, Judith Eger en Francois Beukelaers.

HET SLUWE VOSJE Muziek: Leos Janacek; dirigent: Friedemann Layer; regie: Gilbert Deflo; decors en kostuums: Carlo Tommasi; belichting: Bruno Boy er; zangers: Dalibor Marsilio, Guy De Mey, Jules Bastin, Patricia Schuman e.a.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#13

15.04.1986

14.07.1986

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!