Leestijd 6 — 9 minuten

Magazijn 5

Ergens eind de jaren zeventig van de vorige eeuw verdween de autonome toneelschrijver stilletjes in de coulissen van het toneelbedrijf. De productie van nieuw Nederlandstalig toneelrepertoire kwam op een laag pitje te staan: teksten ontstonden voortaan in het hart van opvoeringspraktijken, vastgeklonken aan hun ontstaanscontext. Eens de voorstelling zonder veel geheugen in de tijd was verdwenen, was meestal ook de rol van de tekst uitgespeeld. Slechts een handvol Vlaamse schrijvers zorgden nog voor een zekere aanwas van tekst: Filip Vanluchene, Arne Sierens, Tom Lanoye, Guido Van Meir, Paul Pourveur. De gretige snelheid waarmee deze teksten door het amateurcircuit werden opgepikt verraadt hoe groot de honger naar nieuw kwalitatief tekstmateriaal was, en nog steeds is.

Nog precairder de stand van zaken in het jeugdtheater: de eerste schuchtere vormen van jeugdrepertoire zijn nog geen twintig jaar oud. Dat heeft te maken met het statuut van deze subsector, die te lang werd aanzien als het onvolwassen zusje van het ‘grote’ theater. Pas in de jaren 1990 lijken de geesten wat op te lichten, onder invloed van voortrekkers als Oda Van Neygen, Eva Bal, Barbara Wijckmans maar ook Jo Roets en Ignace Cornelissen. Zij zorgen in dat decennium voor baanbrekende, niet-betuttelende producties die het jeugdtheater buiten zijn grenzen jagen. De emancipatie vertaalt zich in toenemende reflectie over zichzelf en een verlangen naar tekstproductie. Het mag niet verwonderen dat midden de jaren 1990 de eerste editie verschijnt van Klein Magazijn; een bundeling van zes theaterteksten voor de jeugd. Uitgever is bebuquin, op dat moment tweemanszaak en liefhebbersproject van auteur en vormgever Paul Verrept en auteur Bart Meuleman. bebuquin heeft een eenvoudige missie: een langer leven bieden aan kwaliteitsvolle toneelteksten, voornamelijk uit het jonge kunstencentracircuit. Een strak publicatiebeleid is er niet, de heren geven uit wat zich ad hoc aandient aan interessant materiaal. De eerste Klein Magazijn valt samen met de vernieuwingsgolf in het jeugdtheater en komt tot stand in nauwe samenwerking met de gezelschappen zelf, die op hun beurt een vraag naar teksten ervaren vanuit het kunstonderwijs. Paul Verrept: ‘In eerste instantie vroegen we de gezelschappen om één goede jeugdtheatertekst in te dienen. Niet noodzakelijk van een eigen productie – maar in de praktijk bleek dat natuurlijk altijd wél het geval.’ 1 De gezelschappen leverden de teksten en garandeerden de afname van een aantal exemplaren. Deze vorm van co-editie brengt in de eerste drie afleveringen maar een bescheiden palet aan auteurs aan het licht. In Klein Magazijn 1 tot 3 zijn Ignace Cornelissen, Jos Dom en Jo Roets vaste klanten. De drie publicaties (1996, 1997, 1999) worden pas vier jaar later gevolgd door Klein Magazijn 4, dat getuigt van een grotere diversiteit aan auteurs én leeftijdscategorieën – afspiegeling van de sector zelf, die zich verbreedt naar nieuwe doelgroepen zoals kleuters en tieners. Rond de millenniumwissel wordt het stil rond bebuquin en Klein Magazijn. Verrept en Meuleman raken te zeer in beslag genomen door andere activiteiten, en zetten de uitgeverij even on hold.

Het jongste decennium lijkt het besef rond de precaire positie van de Nederlandstalige toneelschrijfkunst sterk ingedaald. Dat leverde een aantal nieuwe initiatieven en spelers op. De overheid stimuleert schrijfopdrachten, organisaties als Open doek en Schrijverspodium trekken aan de kar, bij De Nieuwe Toneelbibliotheek verschijnen intussen meer dan geregeld uitgaven van Nederlandstalige speelteksten. Ook pionier bebuquin is uit zijn lange winterslaap ontwaakt. De recente doorstart, met naast Paul Verrept ook criticus Wouter Hillaert en dramaturg Esther Severi in de rangen, leidde onder meer tot de geboorte van Klein Magazijn 5. De samenstelling gebeurt nog steeds op dezelfde manier: de jeugdtheatergezelschappen kunnen op vraag van de uitgevers een tekst ‘afvaardigen’.

Klein Magazijn 5 bundelt in een inhaalbeweging elf jeugdtheaterteksten van de laatste twaalf jaar. De teksten zijn gerangschikt volgens oplopende leeftijd en beslaan alle leeftijdscategorieën die in het jeugdtheater bespeeld worden, beginnend met Raf Walschaerts’ De koning zonder schoenen voor drieplussers en eindigend met Juli Zehs Speeldrift, een bewerking voor zestienplus door Ruth Mellaerts.

Een eerste vaststelling is dat de literaire kwaliteit van de teksten onevenwichtig is. Wie deze bundel doorleest met de verwachting elf literaire parels aan te treffen, komt bedrogen uit. Toneelteksten vragen natuurlijk om een andere verbeelding dan romans – een meer actieve verbeelding wellicht, die de lezer harder laat werken, maar daarin schuilt net het plezier van deze lectuur, zeker als het gaat om literatuur. Klein Magazijn 5 bevat echter te weinig soevereine leesteksten en te veel op de praktijk gerichte speelteksten. Grote spelbrekers in bijvoorbeeld Botst het niet dan klinkt het, Love in Babylon of De koning zonder schoenen zijn de vele regieaanwijzingen, die in een spelcontext de actie vooruithelpen, maar in een uitgave integraal deel uitmaken van de literaire tekst. Dat is niet evident, want weinig regieaanwijzingen worden met literaire intenties geschreven. Botst het niet dan klinkt het van Fleur Hendriks moet het bijvoorbeeld totaal hebben van zijn situatiehumor – aangevuurd door de regieaanwijzingen – maar Hendriks’ taal an sich is weinig rijk of verrassend. Hoe anders loopt het in Ellen Schoenaerts’ sprookje Cézar de Eigenaardige; een verteltekst in een merkwaardig idioom dat bijwijlen aan Pjeroo Roobjee doet denken. Of in het prachtige Miss Moskou en de potloodmoordenaar, waarin Hanneke Paauwe de lezer bezweert met de magische klanken van een zangerig Russisch. Dimitri Leue munt in zijn Shakespeare-bewerking Azen (naar Othello) voor elk personage een eigen, krankzinnig idioom. Hier kan de lezersverbeelding wél zijn gang mee gaan.

Ook inhoudelijk zijn niet alle teksten op hetzelfde niveau doorwerkt. De thematieken zijn die van alle tijden (liefde, jaloezie, vriendschap, de ander, familierelaties, …) maar de diepgang waarmee ze worden uitgewerkt verschilt soms grondig. De doorgedreven absurditeiten van Sorry voor alles van Joost Vandecasteele en Joris Van den Brande lezen weg als een opwindend filosofisch knikkerspel, en in De drie musketiers door Herman Van Wijdeven temt een kwetsbare dochter met een overdonderend staaltje fijnzinnige dialoogkunst haar drie machistische ‘vaders’ – Alexandre Dumas zoals we hem nog niet eerder hadden gelezen. Maar naar de meerwaarde in deze bundel van een oppervlakkig en anekdotisch pestverhaal als Remember Me van Jan Sobrie en Geert Vandyck blijft het raden.

Alle elf teksten leveren fijn materiaal op als speeltekst, en voor de uitgave daarvan alleen al verdient bebuquin lof, net als die andere initiatieven die inspanningen doen voor de rehabilitatie van de toneelauteur en de toneeltekst. Toch denk ik dat de toneelauteur meer gediend is met een grotere uitgavestrengheid en een literaire voorselectie. Niet alleen bij bebuquin. Via De Nieuwe Toneelbibliotheek kan iedereen tegenwoordig zowat alles laten uitgeven, ongeacht literaire kwaliteit of inhoudelijke relevantie. De uitgaves zelf zijn vaak slordig en staan vol taalfouten. Dat is bij Klein Magazijn gelukkig niet het geval: er is duidelijk veel zorg en liefde besteed aan een taalkundige redactie. Desondanks laat de bundel als literair werkstuk de lezer achter met een onvoldaan gevoel. Dat in de hele reeks tot nu toe nog niet één tekst werd geweigerd 2 , illustreert de weinig kritische selectie en maakt het moeilijk om Klein Magazijn te bestempelen als een neerslag van de quintessens aan jeugdtheaterteksten vandaag.

Een voetnoot. Een bundeling van sterke jeugdtheaterteksten is vandaag minder dan ooit een sinecure: een toenemend aantal anderstalige kinderen zorgt nu al en zal in de toekomst nog sterker zorgen voor een grondige verschuiving in de jeugdtheaterpraktijk. Steeds meer voorstellingen zullen ook vanaf ‘talige leeftijd’ beeldend, dansant, multimediaal of meertalig zijn – of dat alles door elkaar, net zoals in Guy Cassiers’ jeugdtheaterproductie SWCHWRM. De uitgave van jeugdtheaterteksten zal die realiteit spiegelen. Benieuwd hoe dik of dun de volgende edities van Klein Magazijn zullen zijn.

Klein Magazijn 5. Teksten voor jeugdtheater (Bebuquin, Antwerpen 2013, 496 p.) bevat teksten van Raf Walschaerts, Ellen Schoenaerts, Hanneke Paauwe, Fleur Hendriks, Herman van de Wijdeven, Johan Buytaert, Joost Vandecasteele & Joris Van den Brande, Jan Sobrie & Geert Vandyck, Jo Roets & Greet Vissers, Dimitri Leue en Ruth Mellaerts.

1 Op basis van een telefonisch gesprek met Paul Verrept.

2 Idem.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

boeken
Leestijd 6 — 9 minuten

#136

15.03.2014

—

14.06.2014

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!