© Samuel Pennynck

Leestijd 10 — 13 minuten

Liefhebbers: Veerle Duflou

De reeks Liefhebbers zet toegewijde theater-toeschouwers in de kijker. Waarom gaan ze graag naar het theater? Waar komt hun liefde vandaan? Wie zijn ze, de mensen die het publiek met hun trouwe aanwezigheid bezielen? Vandaag: Veerle Duflou.

Ik heb met Veerle afgesproken bij haar thuis in Antwerpen. Wanneer ik aanbel, blijft het stil. Ook de tweede keer. Pas bij de derde poging zwaait de deur open en word ik begroet door een aanstekelijk enthousiasme dat het komende uur nooit ver weg zal zijn. ‘Ik had mijn koptelefoon op!’, lacht ze terwijl ze me binnenlaat. We lopen langs de voorkamer – waar een prachtige, klassieke vleugel de aandacht trekt – door de gang naar de keuken. Terwijl ze thee zet, begint ze te vertellen over de opleiding die ze volgt: Sound Design aan KASKA DKO. Vandaar die koptelefoon. Het verlangen om bij te leren, te blijven studeren en zich voortdurend te ontwikkelen, zal als een rode draad door ons gesprek lopen. Net zoals de onmiskenbare aanwezigheid van kunst – in al haar vormen – die de achtergrond vormt waartegen haar levensloop zich aftekent.

Wil je jezelf voorstellen? Wie ben je, wat doe je, hoe treffen we je, waar ben je mee bezig?

Mijn naam is Veerle Duflou. Het is een beetje moeilijk om te zeggen waar ik momenteel mee bezig ben, want sinds 1 januari ben ik officieel met pensioen. lacht

Wat deed je ervoor?

Ik werkte voornamelijk als conferentietolk. De laatste jaren werkte ik uitsluitend voor de Europese instellingen, en daar heb je vergaderingen met drieëntwintig talen. Je hebt als tolk een aantal passieve talen – talen die je begrijpt en waaruit je naar het Nederlands kunt vertalen. Mijn talencombinatie bestaat uit Frans, Duits, Engels, Fins en Russisch. 

En doe je dat live, dat vertalen?

(Lacht) Ja, terwijl ze aan het praten zijn, ben ik meteen aan het tolken. Dat is het hele idee van simultaantolken: je luistert en spreekt tegelijk.

Is dat leuk?

Ik vind van wel. Daarnaast is het spannend. Je hersenen zijn constant bezig om in een fractie van een seconde te begrijpen wat iemand bedoelt. In het ergste geval dacht ik soms: Wat zit ik hier te doen? Heeft dit zin, al dit gepraat? Maar dan herinner je jezelf eraan dat ze tenminste met elkaar aan het praten zijn en elkaar niet de kop inslaan. Je helpt communicatie mogelijk maken, dat gegeven alleen al maakt het de moeite waard.

Is het moeilijk om, ik weet niet of je zelf sterke ideologische overtuigingen hebt –

(Lacht) Ja, zeker!

Is het moeilijk om die opzij te zetten?

Nee, het is juist interessant! Sommige mensen hebben er moeite mee om bijvoorbeeld extreemrechtse parlementsleden te tolken. Ik heb daar absoluut geen moeite mee, ik heb er zelfs veel deugd aan beleefd. Omdat ik denk: dit is recht op informatie. Je moet het als tolk niet aandikken natuurlijk, maar je moet het ook niet afzwakken. Als een spreker een smeerlap is en vreselijke dingen zegt, moeten mensen dat ook kunnen horen.

Doorheen de jaren heb je waarschijnlijk een razendsnel brein ontwikkeld?

Ja, je leert vooruitdenken. In gesprekken maak ik soms onbewust zinnen van anderen af, omdat ik gewend ben te anticiperen op wat mensen gaan zeggen. Je kent de sprekers, hun politieke overtuigingen, hun stokpaardjes. Het kan altijd gebeuren dat ze je verrassen, dat ze proberen om grappig te zijn, of om de aandacht te trekken door iets heel onverwacht te zeggen. De uitdaging is om scherp te blijven.

Hoe lang heb je dat gedaan?

Sinds 1995, dus bijna 30 jaar.

En hoe ben je daar ooit in terechtgekomen?

Mijn weg was allesbehalve rechtlijnig. Ik heb eerst muziek gestudeerd, klassieke piano aan het conservatorium in Brussel. Daarna kreeg ik een beurs om twee jaar te studeren aan het conservatorium van Minsk, in de Sovjet-Unie.

Waarom Minsk?

Dat was niet mijn keuze! Ik had eigenlijk Moskou aangevraagd, maar eind augustus kreeg ik ineens te horen dat ik naar Minsk kon. Twee weken later zat ik op de trein. Toen ik terugkwam heb ik mijn pianostudies afgerond in Brussel. Ik begon te werken als coach voor operazangers en ook als pianolerares, maar ik voelde: ik ben nog niet klaar met studeren. Ik wilde Russisch leren, want dat was in Minsk maar half gelukt. Uiteindelijk heb ik aan het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken (HIVT) Russisch en Duits gestudeerd.

© Samuel Pennynck

“Ik had een beetje een naïef idee over wat het betekende om kunstenaar te zijn. Ik dacht: als je met kunst en met muziek bezig bent, dan word je ook een beter mens.”

Muziek verdween vanaf dat moment naar de achtergrond?

Ik had een beetje een naïef idee over wat het betekende om kunstenaar te zijn. Ik dacht: als je met kunst en met muziek bezig bent, dan word je ook een beter mens. Ik dacht dat dat logisch was, als je als het ware door de maatschappij werd vrijgesteld van allerlei hele materiële beslommeringen, teneinde echt met schoonheid bezig te zijn. Dat beeld bleek niet helemaal te kloppen. Lacht. Ik leerde geweldige muzikanten kennen, die zich eerder lieten leiden door dierlijke instincten dan moreel hoogstaande principes. Alles in mij dacht: oh, nee. Bovendien was de competitie onderling heel fel. Er zijn zoveel pianisten en er is maar weinig plaats om te spelen.

Speelde het feit dat je een vrouw bent hierin ook een rol?

Ja, maar dat besef kwam pas een jaar of vijf geleden. Als pianiste speelde ik jarenlang op wilskracht, wat leidde tot ernstige rugklachten. Pas na het lezen van Invisible Women (Caroline Criado Perez, gepubliceerd in 2019, red.), dat gaat over de manier waarop er in de wereld van de geneeskunde, maar ook in het ontwerpen van allerlei gebruiksvoorwerpen geen rekening wordt gehouden met vrouwenlichamen, drong het tot me door: de moderne vleugelpiano is simpelweg niet geschikt voor iemand met mijn lichaamsbouw. Ik had wel eens  op historische instrumenten gespeeld, klavecimbels, of fortepiano’s. Die zijn wél geschikt voor vrouwenhanden, maar lenen zich niet voor het romantische en moderne repertoire dat ik ook wilde spelen. 

Welke invloed heeft dat inzicht op jou gehad?

Het bracht een soort mildheid naar mijn jongere zelf teweeg. En er was ook opluchting: ik was niet gefaald, het systeem was gewoon niet voor mensen met mijn lichaamsbouw gemaakt. Met terugwerkende kracht was ik blij dat ik op tijd uit de muziekwereld gestapt was.

© Samuel Pennynck

En toch ben je weer bij kunst uitgekomen?

Ja! Na het overlijden van mijn partner, elf jaar geleden, heb ik mij afgevraagd: als ik op zoek ga naar een nieuwe levensgezellin, wat voor iemand zoek ik dan? Moet het weer iemand uit de kunstwereld zijn? Toen realiseerde ik me: misschien moet ik de kunstenaar in mezelf ontdekken. Ik kwam terecht bij de Zomeracademie van De Veerman, bij een podcastatelier. Hier kwam voor mij echt alles samen: de combinatie tussen woord, geluid en heel veel luisteren.

“Na het overlijden van mijn partner realiseerde ik me: misschien moet ik de kunstenaar in mezelf ontdekken.”

Waar en wanneer begon je liefde voor theater?

Ik groeide op in Torhout waar we een heel sterke toneelvereniging hadden: Rembert. Ik herinner me dat we in Gent naar de schouwburg gingen om Rembert te supporten tijdens het Landjuweelfestival. Later, in Brussel, was ik erbij toen Gerard Mortier directeur werd van de Munt. Dat was revolutionair!

Is er een voorstelling uit die periode die je nooit zal vergeten?

Ja, Wozzeck van Alban Berg, met Franz Grundheber in de titelrol en Anja Silja als Marie (1981, regie Hans Neugebauer, nvdr.). Er was een moment waarop het hele decor van Achim Freyer kantelde, op het moment dat Wozzecks wereld instort. Die combinatie van muziek, beeld en emotie – dat vergeet je nooit.

Wozzeck, Hans Neugebauer/De Munt © Robert Kayaert

En uit je tijd in Minsk?

In Minsk ontdekte ik mijn liefde voor het circus. In de Sovjet-Unie had je vaste circusgebouwen, die dezelfde status hebben als grote theaterhuizen hier. Ik herinner me een trapeze-act van drie zussen: Vera, Nadezjda en Loebov – wat geloof, hoop en liefde betekent. In zo’n atheïstische samenleving vond ik dat bijna subversief. Het zijn toch vooral hun namen die ik me herinner, eerder dan de trapeze-act. lacht

Nam je je liefde voor circus mee uit Minsk?

Ja, absoluut. Ik herinner me de voorstelling Mijn Dorp van een Vietnamees circusgezelschap tijdens Zomer van Antwerpen in 2009. Alles draaide rond bamboestokken – ze bouwden er structuren mee, deden acrobatiek, en wisselden zelfs van rol: muzikanten werden acrobaten en omgekeerd. Dat soort creatieve grensvervaging vind ik geweldig. 

Làng Tôi (My village), New Vietnamese Circus © Anh Phương Nguyễn

Wat me bovendien eindeloos boeit aan het circus, is dat het circusartiesten jaren van hun leven besteden aan het inoefenen van iets dat in wezen compleet overbodig is.  Misschien heeft het dat gemeen met mijn muziekopleiding: je studeert uren en uren, jaren en jaren, om een bepaald ‘trucje’ zo perfect mogelijk uit te voeren. De absurditeit daarvan, en tegelijkertijd de ervaring van pure schoonheid en voldoening die het teweeg kan brengen, dat fascineert me mateloos. 

Zijn er recente voorstellingen die een grote indruk op je hebben gemaakt?

Dat zijn er behoorlijk veel. lacht Een van de voorstellingen die me bijblijft, waar ik heel erg van genoten heb, was de negen uur durende marathonvoorstelling Borgen (Noord Nederlands Toneel, 2016, red.). Er werd op de scène gekookt, tijdens de pauzes aten we met heel het publiek. Ik hou eigenlijk niet zo van klassiek teksttheater, ik vind het fijn als er een interactief element is. De voorstelling INVITED van Seppe Baeyens en Ultima Vez (2022, red.) brak letterlijk de scheiding tussen publiek en performers af. Iedereen kon meedoen, ongeacht leeftijd of fysiek vermogen, waardoor de boodschap ‘iedereen kan dansen’ centraal kwam te staan. Ik vond dat heel mooi.

Tegelijkertijd kan ik ook echt genieten van pure abstractie en schoonheid. Van Jan Martens ben ik een grote fan. Neem nu Voice Noise, zijn laatste voorstelling (2024, red.), echt geweldig, met een hele playlist van artiesten waar ik nog nooit van had gehoord, allemaal vocale muziek. Ik denk ook aan Jaha Koo, de Zuid-Koreaanse maker van wie ik inmiddels drie performances zag. The History of Korean-Western Theatre, zijn tweede voorstelling (2000, red.) verweeft hij een kritische blik op het idee dat theater in het westen is ‘uitgevonden’ of dat enkel Westers theater de naam ‘theater’ waard is  met het afspelen van cassettes, gesproken brieven die zijn grootmoeder hem stuurde nadat hij naar België emigreerde. Geweldig!

“Ik denk dat kunst een manier is om – heel prozaïsch gezegd – dingen bij te leren. Om op een andere manier te leren kijken – met een andere blik te leren kijken.”

Wat betekent kunst voor jou?

Ik denk dat het een manier is om – heel prozaïsch gezegd – dingen bij te leren. Om op een andere manier te leren kijken – met een andere blik te leren kijken. Ja, ik denk toch dat vooral. 

Tot slot: je maakte zelf een podcast, Stoffelijk, die in het najaar van 2024 verscheen bij De Standaard. Kun je hier iets meer over vertellen?

De podcast gaat over wat er gebeurt met lichamen die aan de wetenschap geschonken worden. Het idee kwam op het moment dat een van de workshopbegeleiders zei: ‘Via audio kun je mensen meenemen naar plekken waar ze anders nooit zouden komen.’ Ik dacht onwillekeurig aan de plek waar het lichaam van mijn overleden partner naartoe ging. Dat beeld liet me niet los. In de podcast heb ik heel bewust de balans tussen hoofd, hart en handen opgezocht: elke aflevering is voor een stuk informatief, maar ik leg ook mijn eigen verhaal in de weegschaal, en ik nodig de mensen die ik interview uit om zich niet louter als wetenschapper, maar vooral als mens, bloot te geven.

Na een dik uur babbelen zet ik de microfoon uit, maar we raken niet uitgepraat, waardoor ik de microfoon uiteindelijk toch maar weer aanzet. We hebben het over Gilles Polak’s Light Particles, dat Veerle inspireerde om het atelier ‘Licht in theater’ te volgen op de Winteracademie van De Veerman, over My Body as a Commodity van Anne-Laure Vandeputte, waar ze – dankzij datzelfde atelier- gefascineerd raakte door de rol van licht in die voorstelling, en over Mette Ingvartsen’s beklemmende eindscène in 21 pornographies. De lijst lijkt eindeloos.

De podcast van Veerle is te beluisteren op alle reguliere podcast platforms. 

Dit was de laatste aflevering van Liefhebbers. Ken of ben jij iemand die toch echt niet mag ontbreken in deze reeks? Laat het ons weten door een mail te sturen naar [email protected].

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 10 — 13 minuten

#179

01.03.2025

—

14.09.2025

Leonore Spee

Leonore Spee is (theater)maker en performer. Met Sascha Bornkamp richtte ze Teletext op. Teletext maakt Nederlandstalige popmuziek en stampt literaire projecten uit de grond die hun liefde voor (oude) taal, muziektheater en geschiedenis combineren. Sinds 2023 maakt Leonore deel uit van Gents performancecollectief Ontroerend Goed. Ze is lid van feministisch schrijverscollectief Hyster-x.

Dit artikel maakt deel uit van: Liefhebbers

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!