Jo Dekmine

Leestijd 6 — 9 minuten

Jo Dekmine et le 140, une aventure partagée

Alternatives Théâtrales

‘Het boek tekent een interessant subjectief cultuurportret van deze tijd en het geeft een inzicht in de vaak “instinctieve” maar daarom niet minder intelligente keuzen die een spektakelzoeker leiden. Dekmine zelf komt eruit naar voren als iemand die kinderlijke verwondering-om-het-leven nooit losgelaten heeft; hij beschrijft de spektakelwereld als een wervelend en broeiend nest waarvan hij enkel de “goede dingen” onthoudt… De culturele betekenis van het Théâtre 140 moet je er zelf uit distilleren en deze is niet gering: met vele groepen maakte België voor het eerst kennis dankzij het werk van Dekmine. Zoals The Living Theatre maar ook People Show, Bread and Puppet Theater, Pip Simmons, Els Joglars, Teatro Campesino, Tadeusz Kantor, Peter Brook, enzovoorts. Onder de A vind je in de alfabetische lijst ook Ariadone Dance Company, Arrabal, Brian Auger; onder de B naast Pina Bausch ook Guy Béart, Julos Beaucarne, Gildas Bourdet, Angelo Branduardi, Willem Breuker; onder de C Camera Obscura, Philip Catherine, Victoria Chaplin, Lucinda Childs, Farid Chopel, Cuarteto Cedron,… en verder Raymond Devos, Léo Ferré, Gruppo Sportivo, Anna Prucnal, Winston Tong, Frank Zappa en nog zovele anderen…’

Zo schreef Marianne Van Kerkhoven in Etcetera, jaargang 1, nummer 3, juni 1983. Aanleiding was het verschijnen van het boek Le décalage horaire. Vingt années d’aventures au Théâtre 140.

Nu, achtentwintig jaar later, verschijnt er opnieuw een uitgave over Jo Dekmine: een speciaal nummer van het tijdschrift Alternatives théâtrales naar aanleiding van zijn tachtigste verjaardag. (Dekmine is geboren in Brussel in februari 1931.) Het is een minder uitgebreid boek dan het vorige maar het vertelt nog altijd veel over die merkwaardige figuur. De uitgave is een hommage met prachtige foto’s en veel namen en titels die je doen duizelen. Het portret zelf van Jo Dekmine dat we te lezen en te zien krijgen blijft na al die jaren hetzelfde. Al zijn de weelderige wilde zwarte haren nu grijs geworden, nog altijd hangt zijn jasje los over de schouders, nog altijd spreekt hij de toeschouwers bij aanvang van de voorstelling even toe, wenst hen welkom, en op het eind volgt nog altijd de uitnodiging om samen iets te drinken in dat huisje naast de zaal. Waar de kantoren gevestigd zijn, met beneden de bar en ook een ruimte waar heerlijk gekookt kan worden voor de artiesten — dat doet Dekmine zelf. Zijn waterzooi is de beste van Brussel, zo beweren kenners. Je voelt je er thuis, dat was van meet af aan zo in die rode zaal met 515 zetels waar in al die tijd omzeggens niets aan veranderd is. Geen nummering van de zetels, wat uitzonderlijk was in 1963. Je zat waar je wou, dat zorgde voor verrassingen, zo zag ik naast mij baron Lambert, de bankier van joodse afkomst, wenen op het eind van An die Musik van Pipp Simmons, of Marcel Broodthaers rechtveren op het eind van Paradise Now/Mysteries van The Living Theatre en de zaal autoritair teken doen om rechtstaand te applaudisseren, wat ook gebeurde. Bij het doorbladeren van het boek word ik ontroerd wanneer ik terugdenk aan die vele geweldige momenten. Hoe ik zelf zat te wenen bij de mooiste voorstelling van De meeuw die ik ooit gezien heb (regie Pierre Pradinas). Zelden heb ik zo hard gelachen als bij de voorstellingen van Jérome Savary en zijn Le Grand Magic Circus. Voor het eerst zagen we naakt op het toneel, wat achteraf voor serieuze problemen zorgde met de toen geldende censuurwetgeving. De reis naar de Plaskylaan 140 in Schaarbeek was er telkens een vol avontuurlijke verwachtingen.

Naast een gesprek met Jo Dekmine zelf (door Bernard Debroux en Jean-Luc Outers) bevat het boek korte en wat langere bijdragen (hommages inderdaad) van Alain Platei, Jean-Marie Hordé, Pierre Sterckx, Patrick Bonté, Françoise Collin, Thierry Coljon en Marie Baudet. Daarin blijkt overduidelijk dat Jo Dekmine nooit van zijn allereerste opzet is afgeweken. Hij die een kunstenaarsopleiding volgde in La Cambre was bezeten door het Parijse muziek-cabaret van toen. Via autostop ging hij op zoek en hij nodigde in zijn eigen piepkleine zaaltjes zangers uit als Léo Ferré, Barbara, Catherine Sauvage maar ook humoristen, zoals in La Poubelle op de Steenweg op Elsene of in La Tour de Babel op de Grote Markt of in L’Os à Moelle opzij van de Plaskylaan. Daar trok ik zelf met Franstalige vrienden en vriendinnen in de vroege jaren zestig heen, vooral omdat er achteraf ook wat gedanst kon worden. Toen bestonden er nog geen jeugdhuizen, laat staan culturele centra. Begin de jaren zestig kreeg Jo Dekmine het aanbod om een nieuwe zaal te gebruiken, oorspronkelijk een zaal van de parochie, jawel. Hij trok op ontdekkingsreis naar New York, naar Londen, naar Loenersloot bij Ritsaert ten Cate. Hij zocht en vond de marginaliteit (later werden elders colloquia gehouden over ‘Het Marginaal Theater’), gevestigde namen of de elitaire avant-garde interesseerden hem niet.

In deze hommage-uitgave blijkt overduidelijk hoe hij na al die jaren trouw bleef aan die mix van concerten, cabaret en voorstellingen. Dankzij hem ging ik luisteren naar Pink Floyd, naar Thelonious Monk maar ook naar The Kinks en Talking Heads. Het gebeurde al eens dat ik hem zelf op een interessante voorstelling wees of dat hij me opbelde om bij voorbeeld go-between te spelen tussen hem en Gerard Mortier om Kontakthof van Pina Bausch in De Munt te laten opvoeren. Wat eerst niet voor de hand lag, want Mortier was toen nog niet bepaald een fan van Bausch.

Aanvankelijk zonder subsidies (en totvandaag zijndie nog altijd karig, in vergelijking met aanverwante huizen in Vlaanderen) nam hij risico’s en wanneer sommige sterren of gezelschappen te duur werden, zocht hij nieuwe. Op zoek naar een meer polyvalente ruimte vond hij de Hallen van Schaarbeek.

Zo kon eindelijk Kantor uitgenodigd worden. Maar het Théâtre 140 bleef zijn exclusief domein. Daar haalde hij ook tal van Vlaamse namen naartoe. Voor zowel Hugo De Greef met zijn Kaaitheaterfestival als Frie Leysen met haar Kunstenfestivaldesarts zette hij meteen de deuren open. Vijanden heeft Dekmine niet, alleen vrienden. Zo is het boek ook opgebouwd en samengesteld, vanuit vriendschap, respect en vooral bewondering voor dat ‘gedeelde avontuur’. Met achteraan ook enkele citaten u it zij n merkwaardige programmafolders, zoals dit credo: ‘Le fond c’est la forme et vice-versa; ce qui est dit et la manière de le dire ou de le faire voir, sans artifice, sans cette emphase qui met en péril le sens. C’est ici que le talent non-marchand se révèle proprement angélique et inattendu. La taille ne fait rien à l’affaire. Au Louvre, les statues de Béotie sont miniscules.’

Jo Dekmine et le 140, une aventure partagée. Alternatives Théâtrales, hors série n° 8, 2011, 88 p.

www.alternativestheatrales .be

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

boeken
Leestijd 6 — 9 minuten

#128

01.03.2012

—

31.05.2012

Pol Arias

Pol Arias studeerde af als dramaturg en was een jaar verbonden aan de KNS. Jarenlang was hij theaterrecensent voor de openbare omroep. In 2007 ging hij met pensioen.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!