De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
Tekening door Michel Van Beirendonck op de voorzijde van het programmablad van in het kasteel (1985)
Bart Meuleman werkt aan een boek met als werktitel Modernisme in Turnhout. Volgens de Toneelhuis-publicatie Toneelg(e)ruis – waarin al twee fragmenten verschenen – heeft het een eenvoudig onderwerp: ‘hoe geraak je stilaan los van de plek waar je geboren wordt en opgroeif. In de fragmenten in Toneelg(e)ruis kwam de kindertijd ter sprake. In onderstaande tekst is Meuleman iets ouder. Hij is in Brussel aanbeland, waar hij studeert. Vaak blijft hij tot de middag in bed liggen. Niet om te slapen. ‘Ik lig wakker,’ zo schrijft hij, ‘naarde radio te luisteren. Vooral op vrijdagochtend. Dan wil ik de Stem horen.’
Opstaan was nooit mijn sterkste kant. Ook nu tracht ik zo lang mogelijk inbed te blijven. Velen zullen het luiheid noemen, zelf zie ik het als een vorm van ongeneeslijke vermoeienis.
In de grote, koude kamer waar ik huis, hangt een zoetzure lucht die de neus prikkelt en met gasreuk verward kan worden. De matras ligt op de grond, een primitief aanrecht met wasbak staat op houten poten in de muur gevezen, en eten doe ik aan een zware tafel van onbestemde stijl uit een ver verleden. In een kast van dezelfde stijl bewaar ik voedsel. Groenten in blik, suiker, koffie, chocolade. Een ijskast is er niet. Een douche evenmin. De kleine, paarse gaskachel, in de vorm van een radiator, geeft weinig warmte. Maar ik kan wel op mijn eigen balkon gaan staan, van waarop ik ooit zag hoe een zwerver in een hoop achtergelaten kleren begon te scharrelen en tot mijn verwondering voor bijna alles wat hij droeg een beter alternatief vond. Geheel in het nieuw gekleed ging hij weer verder.
Het is een grauwe straat. Als het Warm is gonst het hier van de blauwe vleesvliegen. Katten likken hier van stinkende plassen die uit vuilniszakken sijpelen. Maar ga je verder naar beneden, dan kom je aan een oase van banken en hagen, de Kleine Zavel, waar de vioolklanken van muziekstudenten zachtjes de ramen van de oefenlokalen uitwaaien en als parfum in het parkje blijven hangen. Zo ver ga ik echter zelden. Ik blijf vaak binnen. Ik lig weer eens in bed.
Alleen zijn hoeft niet, Jean D. is ook in de buurt. Met de school is hij gestopt, en hij was een hele lange tijd weg uit de hoofdstad, maar we praten er niet over waarom, we weten het zo ook wel. Te pas en te onpas valt hij mijn kamer binnen, bijvoorbeeld tegen etenstijd. Alleszins niet voor de middag, want dan slaapt hij uit van zijn nachtelijke tochten. Ik lig ook vaak in bed voor de middag, maar slapen doe ik niet. Ik lig wakker, naar de radio te luisteren. Vooral op vrijdagochtend. Dan wil ik de Stem horen.
De Stem is geen mooie stem. Ze krast een beetje en het maakt haar niet uit dat ze door de neus klinkt. Onwillekeurig doet ze aan een scherpe, kromme snavel denken die in een klein dood beest pikt. Ze pikt niet één, maar talloze keren. Tot het beest aan stukken ligt.
Om haar standpunten duidelijk te maken, vuurt de Stem lange, zich wijd vertakkende zinnen af, waarin ze op onnavolgbare wijze met woorden tovert. Soms lijkt ze zich te verliezen in het verbale geweld, maar als een atleet zo gespierd is de Stem, dat ze elke horde neemt en altijd op haar poten terechtkomt. Een enkele keer valt ze zonder speeksel, dan wordt ze kwetsbaar. Het staat haar Oordeel nooit in de weg. En om haar Oordeel is het uiteindelijk te doen, daar is de Stem om gevreesd. Soms spuwt ze haar Oordeel al uit nog voor ze goed en wel begonnen is. Dan is alles wat volgt een kwelling uit de hel. Op andere momenten bouwt ze eerder naar het Oordeel toe en moetje in spanning afwachten hoe haar verdict zal luiden. Vaak hoor je aan de toon van haar eerste woorden al duidelijk hoe vernietigend ze op het einde zal zijn. Er valt ook veel kapot te maken, ze vindt het haar plicht om dat te doen en omdat ze het zo vaak doet, verwijt men haar dat ze er plezier in schept. Niets is minder waar. Veel liever wil ze over iets prachtigs berichten, maar het prachtige is nu eenmaal zeldzaam. Nochtans, wie haar het prachtige hoort bezingen, voelt dat hier haar echte vreugde ligt. Haar woorden krijgen dan vleugels en op die vleugels vliegje mee. Dat is ook de reden waarom ik zo graag naar haar luister.
De Stem twijfelt nooit, en als ze vragen stelt, is dat louter retorisch. Het antwoord kent ze bij voorbaat. Ik hoorde haar eens zeggen: ‘’Ongelijk, zoals u weet, heb ik zelden’. En inderdaad, ze formuleert zo goed dat ik vanzelf denk dat ze gelijk heeft. Luister ik wel naar haar argumenten of ben ik in de greep van haar overtuiging? De Stem heeft gelijk en ze geeft me het gevoel dat gelijk onbaatzuchtig met me te willen delen. Ze is op zoek naar niets minder dan de Waarheid. Een lichte onrust kan ze daarom nooit verbergen. Iets lijkt haar op te jagen. Alsof ze, nog bezig over het ene, al beseft dat ze het dadelijk weer over het volgende moet hebben, omdat er nog zoveel is om over te oordelen. Het verhaal van de Waarheid is eindeloos. Je zult het vertellen tot je er bij doodvalt. En inderdaad, iets in de Stem ijlt vooruit naar een goddeloos hiernamaals. Ik voelde mijn sterfelijkheid al eens toen ik naar haar luisterde.
De meeste onderwerpen waar de Stem over spreekt, zijn mij niet vertrouwd. Dat ligt niet aan de Stem, dat ligt aan mij. Ik moet nog zoveel leren, ik heb nog niets gezien. Dat is ook de reden waarom ik naar de Stem ben beginnen luisteren: ik wilde leren, ik wilde zien. Maar meer nog dan om de onderwerpen, ben ik naar de Stem beginnen luisteren om de Stem zelf. Ik luister wel naar wat ze zegt, ik luister zeer goed zelfs, maar haar scherpte en haar kracht brengen me in een lichte roes. Ik hoor haar argumenten wel, maar ze komen me nog onherroepelijker voor dan de Stem misschien wel bedoelt. De Stem vervoert me. Ze grijpt me aan. Vooralsnog blijf ik in bed, maar lang kan het niet meer duren voor ze me echt in gang zet en me de deur uit krijgt. Op weg naar een bijzondere ervaring.
Naar Wim Van Gansbeke luisteren op vrijdagochtend is voor mij een belevenis. Hij doet iets dat mij voordien onbekend was. Hij spreekt over kunst op de radio. Het programma heet ‘Happening’, de zender Omroep Brabant. Dat is dezelfde zender waarop ook Annemie Coppieters en Luc Janssen hun thuis hebben. Goede dingen keren blijkbaar terug.
Van Gansbeke oordeelt over film, muziek, dans, exposities, maar vooral over theater, en hij doet dat zo bevlogen, zo vol van geest, dat ik bevangen geraak door een paradoxale gewaarwording. Eigenlijk zouden het de film, de muziek, de dans, de exposities en in het bijzonder het theater moeten zijn die me in vervoering brengen – kunst behoort dat te doen. Maar ik ga bijna nooit, ik gebruik mijn tijd slecht. Naar de film ga ik soms, in het Filmmuseum, maar daar blijft het bij, ik lees liever een boek. Het mechaniekje dat me in gang moet zetten, geraakt maar niet opgewonden. Nochtans huis ik in de hoofdstad, daar waar het allemaal gebeurt. Nee, het is Van Gansbeke zelf die me in vervoering brengt. Hij tovert me de voorstellingen die ik niet ga zien voor de geest en neemt me met zijn scherpe commentaren mee in een oordeel over die voorstellingen.
Deze ene keer zal het er dan toch van komen. De Stem spreekt zo vol vuur over In het kasteel, de nieuwe voorstelling van Jan Decorte, dat ik wel moét gaan. Ze heeft het over vijftig minuten puur theaterplezier op een lauwe lenteavond en dat nog wel met ‘Hamlet’, maar dan wel stévig bewerkt door Jan Decorte, ingedikt tot de ‘highlights’. Ik weet niet al te veel van Shakespeare, ik heb er niet bepaald iets voor of tegen, maar het vooruitzicht dat Decorte de tragedie flink op haar kop zet, wat eigenlijk doorlopend komische momenten oplevert, zonder dat er ook maar één keer studentikoos met ‘Hamlet’ wordt omgesprongen, want Decorte is een serieuze mens, meneer, en bij alle grappigheid een verschrikkelijk goed regisseur, doet de ijzeren sleutel in mijn rug de veer goed opdraaien. Ik sta strak – hoewel ik nog lig. En ik gloei. Ik verheug me te zullen gaan. Ik weet ook dat Decorte, ondanks zijn jeugdige leeftijd, nu al een legende is, met veel ruis en galm rond zijn persoon, een artiest die ondanks zijn beruchte voorstellingen nog meer bestaat in de anekdotes die over hem de ronde doen. Ik hoor de Stem zeggen dat Decorte zelf Hamlet speelt, als een soort Buster Keaton in de rol van een uit de kluiten gewassen kleuter, compleet met wit speelkonijn, die kleinzerig is en bang voor een pak slaag. Zo’n Hamlet wil ik zien. Ik hoor ook dat de suïcidale Ophelia zich constant kapot lacht bij de idee dat Shakespeare haar op een truttige manier krankzinnig liet worden. Zo’n Ophelia wil ik meemaken. En ik hoor dat actrice Sigrid Vinks absoluut onweerstaanbaar is. Hoewel ik niet weet wie Sigrid Vinks eigenlijk is en klasgenoten van de theaterafdeling mij al veel lelijks over haar hebben verteld, geloof ik de Stem. Ik moet deze voorstelling zien. Nu al brandt ze in mij. Wat zou er precies te zien zijn? In het kasteel, het doet denken een poppenkast.
In de bar van het Théâtre de la Balsamine snuif ik de sfeer van ingewijden, en die sfeer is mij, hoewel ik hier niet thuishoor, niet onwelgevallig. Het voelt goed op deze vreemde plek. Ik speel dat ik weet wat ik hier kom doen en het overtuigt me. Wanneer een echte acteur, iemand met opgeschoren piekhaar en zwarte plakkertjes op zijn bril – Decorte zelf -, briefjes begint uit te delen met daarop: ‘Mijn vader is dood. Mijn moeder heeft het gedaan. Ik ben niet gek. (wilt u mij volgen?)’, schrik ik dat de voorstelling al is begonnen. Wat een brutaliteit! Deze gek moeten we dus volgen! Via een systeem van gangen, dat in mijn verbeelding haast eindeloos lijkt, komen we in de aanpalende Dailly-kazerne. Hier zal de voorstelling doorgaan. Maar ze is al vijf minuten bezig!
“Tragedie, komedie, historiespel, pastorale, pastorale komedie, historische pastorale, tragisch historiespel, tragikomische historische pastorale.’ Een actrice dreunt schools alle toneelgenres op, dan schiet de zaak in actie. Een koning wordt klungelig vermoord. Een actrice roept met een muizenstem “Help! Help! Help!’. Een lange, onhandige jongen in een ruitjespak weet precies niet wat hij hier komt doen. We lopen verder. Een magere kleine vrouw met een bril en een gestoorde blik schuifelt voorbij in veel te grote schoenen. Twee mannen spelen rustig biljart, een zegt: “Er is iets aan het rotten in Denemarken.’ Decorte, in een zwart kostuum, met een wit konijn in zijn handen, schiet heen en weer als een bal in een flipperkast. Van de beroemdste aller monologen wordt het lijf weggehakt, enkele woorden blijven nog over: “Zijn of niet zijn. Dat is de kwestie. Slapen. Dromen. Doodgaan.’ De lange, onhandige jongen in ruitjespak weet nog steeds niet wat hij komt doen. De magere kleine vrouw met de veel te grote schoenen leest een gedicht voor over de twijfel, terwijl ze rondspringt als een bezetene. Decorte peutert in zijn neus. Een schermscène ziet er indrukwekkend uit. Er vallen veel doden. Het lijkt allemaal niet echt. Voor ik het weet is alles voorbij.
Een komedie vind ik dit niet. Er wordt gelachen in de zaal, maar toch niet zo veel. Sommigen lachen soms en voorzichtig, zo zou ik het kunnen samenvatten. Zelf lach ik geen enkele keer, omdat ik mijn geraamte in mijn vlees voel uitzetten en mijn longen in mijn borst voel zwellen; ik adem wel in maar niet uit, met open mond zit ik te kijken. Ongetwijfeld is dit een zeer vernuftige versie van Hamlet, waar de meerderheid van het publiek de dubbele bodem van doorheeft, maar dat zie ik allemaal niet. Ik volg het verhaal ook niet, eigenlijk ken ik het slecht, ik weet alleen dat ik dit haast beleef zoals eens, nu al meer dan tien jaar geleden, toen ik als jonge jongen aan mijn vaders hand een verre verwant ging bezoeken in het zothuis van Geel, toen daar de dubbele deur van een zaal openzwaaide en ik, in mijn herinnering toch, alle patiënten van die zaal – behalve zij die in bed lagen dan – traag maar onverstoorbaar en grommend op mij toe zag waggelen, en ik maar niet van de tegel wegraakte waarop ik stond vastgeplakt, ook niet toen de man vooraan, met zijn glazige blik en zijn bebloede, sponzen pyjama, gevaarlijk dichtbij kwam, zijn tong uit zijn mond stotend, zodat ik doodsbang werd, tot mijn vader me wegtrok en de dubbele deur weer sloot. Toen kon ik weer ademen. Toen was ik weer vrij. Helemaal gaat de vergelijking niet op natuurlijk, want dat daar was echt en dit hier is maar theater, iets tussen karton en speelgoed, en bang ben ik van Decorte in het geheel niet geweest, trouwens angst en plezier en ontzetting liggen verschrikkelijk dicht naast elkaar, dat ervaart ieder kind, maar net zoals toen krijg ik vlak voor de deur weer dichtgaat, een glimp van de wereld zoals hij vermoedelijk is, verwarrend in zijn verschijning, waarachtig in zijn geest. Een gesticht vol krankzinnigen. Ik ben tamelijk in shock. Met een schedelpan zo groot als het universum verlaat ik de Dailly-kazerne. Het is nog licht op deze zachte avond, nochtans zie ik sterren. Alleen fonkelen ze niet, ze knetteren.
Vermits Van Gansbeke mij stuurde – de Stem stuurde me naar de Gek – kan ik deze ervaring niet los van hem zien. Blind ging ik met bus 95 naar de Dailly-kazerne in Schaarbeek. Deze gebeurtenis ben ik dus net zo goed aan hem als aan Decorte verschuldigd. Kunst en kritiek sloten hier een duivels pact, ze vlochten zich als twee draden tot een stalen kabel. Het helpt mij tot vandaag denken, weliswaar in groeiende wanhoop, dat kritiek een onderdeel, zelfs een vorm van kunst kan zijn. Kunst hoeft niet die heilige, gloeiende plek te zijn die alle spreken in haar buurt verschroeit, zoals de kaarsvlam de vleugels van een mot. Spreken over kunst kan de vlam net van zuurstof voorzien, zodat ze nog feller laait dan tevoren. Van Gansbeke deed dat, en wie daar iets van wil voelen kan een aantal van zijn kritieken nalezen in de bundeling Stomp niet af, stomp terug. Al blijven ze op papier, zonder zijn nijdige stem, letterlijk dode letter.
Als Van Gansbeke over In het kasteel spreekt is hij op zijn hoogtepunt, misschien is hij het al voorbij. Een kleine tien jaar lang al stuurt hij via de radio zijn boodschap de ether in en die boodschap luidt onveranderd streng: de wereld deugt niet. Het is een poel van ellende en banaliteit, een complot van schijnheiligheid en middelmaat ter ere van het opperste eigenbelang. Van Gansbeke stelt het nooit met zoveel woorden, maar uit alles blijkt hij een telg van het existentialisme. Dat is zijn scholing geweest. Dat is zijn lot en zijn redding. Ooit moet het kind in hem onbesuisd van een appel hebben gebeten: het proefde toen zwarte gal.
Het is niet meer goed gekomen. Alleen kunst kan een tegengif zijn, en naast beeldende kunst ontwikkelt Van Gansbeke vooral een liefde voor het theater. Het is de taal van Shakespeare, Goethe, Büchner, Tsjechov, Beckett, Koltès en Müller die hem aangrijpt, en liever nog dan zelf te lezen, wil hij meemaken wat er gebeurt als die taal de adem dicteert van de spelers op scène. Hij wil zien hoe het spel, de regie en de vorm eendrachtig een verhevigd beeld van de werkelijkheid tevoorschijn toveren. Kunst moet de ellendige middelmaat spiegelen en ze, via het meesterschap van de spiegelende kunstenaar, verheffen tot een even huiveringwekkende als sublieme voorstelling van de dingen. Daarna kunnen we min of meer gelouterd, maar vooral scherp als nooit tevoren, de banaliteit weer trotseren. In de opvattingen van Van Gansbeke liggen luciditeit, genot en masochisme dicht bij elkaar. Het zijn opvattingen waar ik me op sommige dagen nog steeds in wil herkennen.
Het vreselijke is nu dat het theater de middelmatigheid doorgaans helemaal niet op een sublieme wijze weerspiegelt. Het maakt zelf deel uit van die middelmatigheid. Toneel verheft de drek niet tot kunst, het gaat er ongegeneerd middenin liggen en valt er niet van te onderscheiden. Dat is wat Van Gansbeke week na week vaststelt en waar hij, tot zijn woede evenzeer als tot zijn droefenis, over moet berichten. Dat is zijn plicht. Dat is zijn missie. Vooral stadstheaters moeten het ontgelden, zij die de meeste middelen krijgen om de burgerlijke maatschappij die schrikwekkende spiegel voor te houden. Burgers gaan in hun argeloosheid immers geregeld naar de schouwburg, uit gewoonte of plezier, omdat het zo hoort of goed staat. Juist daar moet de kunst hen overvallen. Ze moeten er niet alleen ontroerd en geamuseerd, maar ook verrast, verbijsterd, verontwaardigd of geschokt geraken, waarna ze misschien voor even iets over hun eigen kleinheid beseffen. Maar stadstheaters kiezen steevast voor flauwiteiten en belegen trucs. Ze laten hun toeschouwers liever doezelen dan dat ze hen uit hun lood willen krijgen. Lui en laf zijn ze, hoewel misschien ook onbekwaam. In feite zijn stadstheaters natuurlijk burgerlijke instituten. Dat vertelt zo’n schouwburg al met haar voorgevel, en het wordt er niet minder op eenmaal binnen, tussen het goudgeverfd hout, het suikerkleurig stucwerk en het muffe pluche van de zetels en de gordijnen. In feite moet zo’n schouwburg niet onderdoen voor zoiets als een kerk. Ze staat er vooral om te imponeren. Maar daarom juist, moet het in Van Gansbeke hebben geleefd, daarom juist moet het daar gebeuren. Omdat er, ondanks goud en suiker en pluche, artiesten mee gemoeid zijn. Juist hier moet de gedachte leven dat het schuimend ochtendrood van de kunst een andere wereld kan baren.
Zonder ooit expliciet politiek te zijn, was Van Gansbeke niet per se tegen de revolutie, alleen heeft hij ze nooit buiten, enkel binnen het theater bepleit. Een echte revolutionair gaat niet naar het theater, hij brandt het plat. Daarom maakte Van Gansbeke zelf deel uit van het burgerlijke theaterbestel dat hij zo op de korrel nam. Hij was de beste criticus die het zich kon wensen, want door niemand werd het méér au sérieux genomen. En dat burgerlijk theater voelde zich wel degelijk ongemakkelijk als het met het zwaard van zijn stem te lijf werd gegaan. Vele heftige tegenaanvallen getuigen daarvan. Zijn plek en inzet waren duidelijk: aan de zijlijn, maar binnen de grenzen van het bestel en van op een goed zichtbare, stevig ineengetimmerde stormtoren de bastions verbaal bekogelen. Tot er verandering kwam. Of tot er iets anders gebeurde. Of beide. Toen op het eind van de jaren tachtig ‘burgerlijkheid’ als ondeugd kwam te vervallen en ‘de burgerlijke maatschappij’ geen prioritaire term meer was waarmee men zich kritisch over de menselijke conditie uitliet, geraakte zijn rol op het achterplan. Niets illustreert dat beter dan zijn verhouding tot (het werk van) Jan Decorte.
Met Decorte ziet Van Gansbeke na lange tijd weer een regisseur opstaan naar zijn hart. Diens versie van Maria Magdalena (1981) van Friedrich Hebbel slaat hem met verstomming. Het is, zo zegt hij, een echt vernieuwende en ijzingwekkende brok theater, dat steunt op een consequent cynisme en met woeste en toch koele gedrevenheid de dood van het burgerlijk treurspel viert. Drijfveer voor Decorte, zo meent Van Gansbeke, lijkt zijn gezworen vijandschap met het burgerlijk consumptietheater, dat de mens niets meer te vertellen heeft en mijlenver verwijderd staat van maatschappelijke en filosofische ontwikkelingen van vandaag om altijd weer terug te grijpen op samenlevingsstereotiepen: makkelijk om te volgen, herkenbaar, onschuldig vermaak, maar tegelijk een verdwazend slaapmiddel. ‘Maria Magdalena’ daarentegen, zo hoopt hij, kan binnen het theater een beweging op gang brengen die al in de lucht zit en enkel wacht op doorbraak: theater met eigenzinnige visies op stukken, met een dwingende consequentie en tot in alle details volgehouden analyse, waarbinnen niets, maar dan ook niets aan het toeval wordt overgelaten en dat geen enkele toegeving doet ten opzichte van het burgerlijk consumptiepatroon van het publiek. Zo’n liefde betuigde de Stem niet eerder. Het zal het begin van een drama blijken.
In volgende regies van Decorte, Mauser en De Hamletmachine (1981) van Heiner Müller en Torquato Tasso (1982) van Goethe, ziet Van Gansbeke zijn gelijk over het nieuwe genie bevestigd. Hoewel hij bedenkingen uit over het acteren van sommige spelers, prijst hij de radicaliteit van de ensceneringen. Samen met andere kritische stemmen ziet hij Decorte als het Paard van Troje, als de hoop in bange dagen. Maar Decorte doet niet exact wat men van hem verwacht. Hij sluit geen enkel compromis en bekommert zich niet om de toeschouwer. Ook krijgt hij het op zijn heupen over de manier waarop men hem op de schouders tilt. Dus zoekt hij schoksgewijs nieuwe wegen die hem naar plekken brengen waar niemand in het Vlaamse theater ooit is geweest. Van King Lear (1983) maakt hij een vijf uur lange uitputtingsslag die vele toeschouwers niet overleven. Bij bosjes verlaten ze de zaal. Van Gansbeke begrijpt en waardeert de ijzeren consequentie, maar heeft het toch moeilijk om de voorstelling uit te zitten. Dan gaat Decorte een Tsjechov doen, dat zegt men immers al een tijdje: Jan, je moet eens een Tsjechov doen. Maar na een door bekenden – waaronder Van Gansbeke – bijgewoonde en bejubelde repetitie blaast hij die Tsjechov af, drie weken voor de première. Hij maakt in de resterende tijd een nieuwe voorstelling. Scènes/Sprookjes (1984), op basis van kinderlijke dansjes en spelletjes. Bijna niemand die het snapt. Van Gansbeke zegt dat hij wil afhaken. Ook op menselijk vlak is Decorte onvoorspelbaar, men vertelt lelijke dingen over hem. Hij heeft een rotkarakter. Hij is een tiran in het werk. Hij doet sommige acteurs met slaande deuren vertrekken en laat anderen vluchten in de armen van de psychiatrie. Enfin. Naar het schijnt toch. In elk geval, de kunstenaar loopt niet binnen de paden die voor hem zijn uitgetekend. De kritiek is ontgoocheld. Men heeft de pop van alles ingefluisterd, maar ze gehoorzaamde niet. Toen Van Gansbeke Decorte ging prijzen voor zijn radicaliteit, wist hij niet waar hij aan begon.
Met In het kasteel (1985) steekt de beruchte regisseur voor het eerst een klassieke tragedie in een apenkostuum en die volstrekt eigen versie van Hamlet verrast Van Gansbeke. Hij amuseert er zich rot mee. Maar de opgeflakkerde passie dooft. Als Decorte in Op een avond in… (1986) een Ibsen verknipt, waarmee hij nog meer volhardt in de hilarische nonsens, heeft Van Gansbeke er genoeg van. Zoveel nihilisme, zoveel antitheater gaat hem te ver. Hij kan er niet mee lachen. Merkwaardig, want zo ver liggen beide voorstellingen niet uit elkaar. Wel maakt Decorte een keihard statement: of het nu Shakespeare is of Ibsen, het zal Decorte zijn. (Zelf ga ik natuurlijk ook kijken. Ik wandel blasé het zaaltje binnen, ergens in Anderlecht, de handen los in de zakken, de verwachtingen als vanzelf hooggespannen – ben ik immers geen habitué? Er zit niet veel volk in het zaaltje. Ik beleef er een zeer vermakelijke avond. Van mijn sokken word ik niet meer geblazen.)
Decorte wordt op dat ogenblik door haast niemand nog op de schouders getild. Hij heeft nauwelijks nog iets te verliezen, bijna alles is hij kwijt. De acteurs zijn vertrokken, op enkelen na. Het publiek blijft weg, op enkelen na. De Raad van Advies voor Toneelkunst dreigt er in 1985 mee om zijn subsidies stop te zetten en Decorte schijnt niets te ondernemen om dat geld alsnog veilig te stellen. Als voorlopig laatste teken van leven geeft hij een Macbeth Party, een gebeuren in een Brussels herenhuis waar je iets te drinken krijgt en je de tekst niet gespeeld ziet, maar zelf kunt lezen omdat hij met een punaise tegen de muur hangt. Er wordt met houten zwaarden geschermd en er lopen honden rond. Er is ook een fuif. Als theater een sociale kunst is, dan is dit een sociale artistieke zelfmoord.
Van Gansbeke haakt nu definitief af. Hij kiest voor een nieuwe grote liefde, Luk Perceval. Die maakt ook repertoire – maar dan echt-, wint stormenderhand het publiek voor zich en het ziet er naar uit dat hij met zijn gezelschap, de Blauwe Maandag Compagnie, nog wel eens een stadstheater zal innemen.
Later zal Jan Decorte zeggen dat hij het beu was. Via het pad doorheen het diepe dal ging hij op zoek naar meer plezier, naar een ruim publiek. Met zijn ‘Aids-trilogie’ en zijn optredens voor televisie, in ‘”Sterrenwacht’, zal dat ook lukken. Een grotere breuk in het denken en handelen van een artiest is onvoorstelbaar. De jaren tachtig zijn bijna ten einde.
En Wim Van Gansbeke? In 1993 hangt hij de zeis van de kritiek aan de wilgen. Uit een paar schriftelijke oprispingen als criticaster op rust, jaren later, blijkt niemand hem nog echt te kunnen begeesteren. Sinds minstens tien jaar intussen ontbreekt het de theatermakers – ook de besten onder hen – aan de moed om te doden. Wat hij mist is het constant bevragen van de met in een systeem vastlopen bedreigde eigen poëtica, esthetica of anti-esthetica, het durven te doorbreken van de zich eigengemaakte en beveiligde grenzen van vertelwijze en presentatie, het wagen de verworven stijl meedogenloos achter zich te laten. Kunst, die naam waardig, gedijt niet op harmonie maar op radicale breuken, niet op lieflijke glooiingen maar op levensgevaarlijke escarpen waar de geit gedijt. Dat schrijft een ouder en ziek geworden man, die ’s ochtends spek bakt voor de gasten in zijn pension in het Franse Mauzac. Eigenlijk zijn z’n teksten er niet om te lezen, de zinnen staan wat krom soms. Je moest ze horen, die teksten. Je moest hem die onnavolgbare redeneringen uit zijn strot horen knijpen, vol haat en venijn of in verblufte bewondering. Bij voorkeur als je nog jong was en in bed lag, in een koude kamer met gasreuk.
De Stem deed mij opstaan en wandelen.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.