llustraties: Miljan Vukićević

Leestijd 10 — 13 minuten

Hoe ik naar een voorstelling ging kijken in de laatste dictatuur van Europa

Hoe is het om op te groeien onder een tiranniek regime? Is er ook plaats voor kunst? Met rauwe, tedere ironie biedt Alina Savitskaya een inkijk in ‘de laatste dictatuur van Europa’.

Hallo, hoe kan ik u helpen?
Hoi, ‘sikkel en hamer’.
Op welke dag?
Aanstaande vrijdag.
Hoeveel mensen?
Eén, ik.
Zaretskayastraat 5, de ingang is bij de garage.
Sorry?!
De voorstelling vindt plaats in een garage.
Oké, moet u mijn naam niet noteren?
Hoeft niet, geniet van de voorstelling!

 

Mijn hart bonkt wanneer ik uit de metro stap. De navigator toont dat het nog twintig minuten wandelen is tot Zaretskayastraat 5, er is geen directe tramverbinding. Buiten is het koud en donker en het is de eerste keer dat ik in deze buurt ben.

“De ‘theaterzaal’ is koud en kaal, zonder versieringen. Het publiek zit op klapstoelen dicht bij elkaar, een strategische beslissing om elkaar warm te houden.”

Ik ben benieuwd naar de voorstelling en eigenlijk ook naar de locatie. Op Google Maps zie ik een doodgewoon huis, zonder garage. Ik begin aan mezelf te twijfelen. Heb ik dat juist gehoord aan de telefoon? Heeft ze echt ‘garage’ gezegd? Misschien was het Paveletskayastraat 5? Ik voel me stom en verlies mijn geduld. Het begint te miezeren en het is inmiddels te laat om terug te keren. Als ik toch al 45 minuten in de metro heb gezeten, kan ik evengoed wat rondkijken in deze nieuwe wijk. Het landschap rond mij verandert: grote nieuwe woontorens worden vervangen door vrijstaande huizen met moestuinen, blaffende honden en garages. Bij daglicht ziet het er hier waarschijnlijk erg gezellig uit, maar nu wil ik gewoon zo snel mogelijk ergens naar binnen, weg van de herfstduisternis en koude. Eindelijk kom ik bij het huis op Zaretskayastraat 5. Er brandt geen licht, maar er is wel een garage en er staat een handvol mensen buiten. Ik sluit me aan en ik voel me weer zeer ongemakkelijk. De garagedeur gaat open en iemand nodigt ons uit om binnen te komen.

Ik ben opgegroeid in een stad zonder theaters of bioscopen, wel met één grote, recent opgeknapte gevangenis. In zo’n omgeving is het niet vanzelfsprekend dat een gezin interesse in kunst ontwikkelt — en bij ons was dat niet anders. In elk klaslokaal hangt naast de typische symbolen van mijn land — vijfpuntige rode ster en korenaren — een portret van onze leider, die al 31 jaar het land met harde hand en angst voor represailles regeert. Vrije meningsuiting bestaat hier niet — alleen wat de leider en zijn kring toestaan, mag gebracht worden als nieuws. Het institutioneel theater — dat in elke schouwburg van een regionaal centrum gemaakt en opgevoerd wordt volgens de ideologische richtlijnen van bovenaf — voelt stoffig: het blaast nergens nieuw leven in, laat staan dat het aanzet tot nadenken. De illusie van stabiliteit — met treinen die stipt rijden, drie jaar betaald moederschapsverlof en geen zichtbare armoede op straat — wekt de indruk dat alles hier perfect is. Totdat families en vrienden in elkaars keukens samenkomen om over politiek te fluisteren. Op straat en in het openbaar mag dat niet. Op theaterpodia evenmin.

©Miljan Vukićević

De ‘theaterzaal’ is koud en kaal, zonder versieringen. Het publiek zit op klapstoelen dicht bij elkaar, een strategische beslissing om elkaar warm te houden. Ik probeer de mensen te tellen, maar het lukt me amper omdat het zo donker is. Halfnaakte vrouwen met kort haar en hoge hakken verschijnen op het geïmproviseerde podium. Het zwakke garagelicht — drie gloeilampen aan een slordig snoer — springt aan. Pas dan zie ik: het zijn geen vrouwen. Het zijn mannen, met harige handen en buiken, in panty’s, bijna allemaal opgemaakt.

Later ontdek ik dat het eigenlijk gender-non-binaire personen waren — een identiteit waarvan ik nooit eerder heb gehoord. Het kost me uren opzoekwerk om op het internet uit te zoeken wat dat precies betekent. Deze kennis is potentieel gevaarlijk: dissidentie is de zwaarste misdaad in mijn land.

Ik geef toe aan de verleiding om stiekem naar andere toeschouwers te kijken. Hoe voelen ze zich? Vinden ze dit walgelijk? Willen ze vertrekken? De voorstelling lijkt hen niet te choqueren. Ik raak steeds meer gefascineerd, niet alleen door de acteurs in het zwakke garagelicht, maar ook door het publiek om me heen. Wie zijn ze? Waarmee leven ze? Net zoals ik hebben ze een telefoonnummer moeten opbellen, een wachtwoord moeten zeggen en in dit verschrikkelijke weer naar een garage in een slaperige buitenwijk van de hoofdstad moeten stappen om naar deze verboden voorstelling te kijken. In een land waar het zelfs thuis al gevaarlijk is om over politiek te praten, uit angst voor anonieme beschuldigingen, lijkt dit mij een oprecht moedige daad.

“De hele zaal, een dertigtal mensen, staat op en applaudisseert. Ondanks de kou branden mijn wangen. Ik heb net een misdaad begaan.”

Een voorstelling als deze heb ik nog nooit gezien. Ze gaat over de herhaling van sociaal onrecht en de aard van misbruik. Als toeschouwer word ik aangemoedigd om verschillende lagen van de voorstelling te ontrafelen. Ze is ambigu, maar in geen enkel geval pretentieus. Hoewel de voorstelling geen expliciet politiek karakter heeft of naar het regime van mijn land verwijst, kan ik het er toch in herkennen. Zoals in elk traditioneel theater (en daar stoppen de gelijkenissen) eindigt de voorstelling met applaus en buigingen — maar dan verschijnt er iemand op het podium met een laptop in de hand. Een man op het scherm bedankt het publiek om te komen kijken. Het is hun artistiek leider, hij heeft de voorstelling nog nooit live gezien, hij heeft alle repetities via Zoom bijgewoond, op zijn 14-inch scherm. Hij praat over het undergroundtheater in het hart van de dictatuur, het enige theatergezelschap in Europa dat om politieke redenen door de regering verboden is. Hun leider is gevlucht en is al tien jaar niet meer in ons land geweest. De hele zaal, een dertigtal mensen, staat op en applaudisseert. Ondanks de kou branden mijn wangen. Ik heb net een misdaad begaan.

Ik ben 9 jaar. Met school maken we een uitstap naar de hoofdstad om een balletvoorstelling te zien. Ik sta vroeg op: de rit met de schoolbus duurt vijf uur en om elf uur worden we bij een oorlogsmonument verwacht om de moed van de gevallen helden te eren. Na twintig minuten verplicht eerbetoon blijven er nog vier uur over voordat de voorstelling begint. Onze begeleiders vinden er niets beters op dan die tijd in de bus door te brengen: vijfendertig negenjarigen, vier uur lang opgesloten in een bus. We verafschuwen de voorstelling nog voor het doek opgaat. We gaan naar binnen en nemen onze gereserveerde plaatsen in. Tot mijn grote spijt zitten we redelijk ver van het podium, en ik heb nog niet tegen mijn mama durven zeggen dat mijn zicht de laatste jaren aanzienlijk is verslechterd en een bril niet meer te vermijden is. Ik zie niets, alleen bewegende gekleurde vlekken. De voorstelling lijkt eeuwen te duren, ik ben opgelucht als ze gedaan is. Omdat ik er niets van heb begrepen, lach ik maar wat mee met de jongens die grappen maken over de mannen in panty’s. Het voelt veilig en ik ben een cool kid. Na de voorstelling gaan we naar McDonald’s en ik koop mijn eerste Happy Meal ooit. En gek genoeg maakt dat de hele dag toch nog de moeite waard. Thuis vertel ik aan mijn moeder welk speeltje ik in mijn Happy Meal kreeg, en wat mijn vrienden en vijanden van de klas hebben gekregen. Ik beschrijf tot in detail wat er in mijn burger zat en hoe lekker ik hem vond. Over de voorstelling zeg ik geen woord. Ze vraagt er ook niet naar.

In de theatergarage is er geen gezellige theaterfoyer waar je na de voorstelling nog iets kunt drinken, geen toilet, geen nagesprek, geen recensie die achteraf in de krant of online verschijnt. Op de stoep voor de garage staat een kartonnen doos, met een gat erin voor wie een vrije bijdrage wil achterlaten. Het regent hard en ik word razendsnel nat. Iemand, een acteur in hun publieke kleren met restjes make-up op het gezicht, hangt een plastic tas met het logo van de grootste staatssupermarkt over de doos tegen de vochtigheid. Subsidies of structurele steun krijgen ze niet. Ze rekenen op ons — een kleine groep van zo’n dertig mensen — en op wat we willen geven.

“Voor ik het goed en wel besef, word ook ik opgepakt. Ik heb net genoeg tijd om tegen mijn vriendin te zeggen: ‘Ik word opgepakt’, voordat ze mijn telefoon uit mijn handen trekken.”

Sinds die dag ga ik nog vaak terug naar de clandestiene garage om naar andere voorstellingen te kijken, met vrienden of alleen, tot het te gevaarlijk wordt om dit nummer nog te bellen, tot de acteurs moeten vluchten omdat de repressiemachine iedereen verplettert, tot ook ik vlucht.

Precies een jaar nadat ik naar de voorstelling in de garage ging kijken, sta ik in een drukke straat met een vriendin te bellen. Het onderwerp van het gesprek met mijn vriendin is bijna routine: al drie maanden lang worden dagelijks honderden, zelfs duizenden mensen gearresteerd. Vrouwen 1, arbeiders, dokters, cultuur- en mediamedewerkers, de ooit onzichtbare lgbtq+-gemeenschap, rolstoelgebruikers, werklozen, studenten en gepensioneerden — iedereen trekt de straat op om te protesteren tegen de frauduleuze verkiezingsuitslag. Iedereen wordt bruut geslagen en opgepakt — of je nu in een rolstoel zit, gezondheidsproblemen hebt, 12 jaar bent of 83. In een van de talloze betogingen kom ik een bekend gezicht tegen, een acteur van de voorstelling waar ik in de garage naar ging kijken. Het verbaast me niet dat ik hem hier zie. Ik vraag me af of hij trots op ons is — zijn publiek is gegroeid van een dertigtal mensen naar tweehonderdduizend. Nu zijn de straten van ons land het toneel geworden – geen garages meer, geen geheime voorstellingen. Wij spelen hier de hoofdrol. Ik laat niet blijken dat ik hem herken.

Halverwege mijn bittere monoloog aan mijn vriendin over hoe beu ik het regime ben, zwaait plots de deur open van de dichtstbijzijnde geparkeerde geheime wagen van de oproerpolitie. Voor ik het goed en wel besef, word ook ik opgepakt. Ik heb net genoeg tijd om tegen mijn vriendin te zeggen: ‘Ik word opgepakt’, voordat ze mijn telefoon uit mijn handen trekken. Ze brengen me ergens naartoe. Doordat mijn handen met een kabel zijn vastgebonden, kan ik me nauwelijks bewegen in de politiewagen. Door het getraliede raam van de auto herken ik de woontoren in mijn favoriete clandestiene theaterbuurt. Het voelt bijna terecht dat ze me hebben opgepakt. Alsof ik eindelijk de prijs moet betalen voor mijn clandestiene theaterbezoek. Dat ik gearresteerd ben vanwege een telefoongesprek op straat doet er niet meer toe: mijn wereldbeeld is mijn straf in mijn eigen land.

©Miljan Vukićević

Vier jaar later zie ik hun nieuwste autobiografische voorstelling op YouTube. Het verhaal gaat over een bekende basketbalspeelster van het nationale team die pas na haar vlucht uit het land als lesbienne naar buiten durfde te komen. De video heeft 27.465 weergaven — 915 keer meer mensen dan er ooit in die koude garage aan de Zaretskayastraat 5 zaten. Echt underground kun je het niet meer noemen: gevlucht uit hun eigen land, heeft het gezelschap nu een eigen theaterstudio in het buitenland, subsidies en een publiek dat vrij in gezellige theaterzalen naar hun werk kan komen kijken. Toch proberen ze hun ziel, die twintig jaar in het land gevangen zat, niet te verliezen: om naar een voorstelling te komen kijken, moet je een Google-formulier invullen en pas daarna ontvang je het adres waar de voorstelling plaatsvindt. Deze keer is het een slechte voorstelling. Wat ooit kunst was, is nu een uitleg geworden, aan de westerse wereld gericht. Als je een empathische kijker bent, krijg je het gevoel dat het verschrikkelijk is om in zo’n regime te leven. Als empathie niet je sterkste punt is, heeft de voorstelling weinig te bieden. Ze roept geen verdere reflectie op en mist de artistieke diepgang en subtiliteit die mij vier jaar geleden zo heeft gefascineerd. Toch rollen de tranen over mijn wangen.

Vier jaar later, in een nieuw land dat langzaam als thuis begint te voelen — met mijn nieuwe favoriete theatergarages en podia, met felle lichten en luide nagesprekken in theatercafés — begint de illusie die ik zorgvuldig heb opgebouwd om het verlies van mijn land en mijn clandestiene theatergezelschap te verzachten, af te brokkelen. Zowel de makers als wij — miljoenen mensen die in mijn land gevangen zitten of in ballingschap leven — hebben gestreefd naar vrijheid in de laatste dictatuur van Europa2. Het theatergezelschap is eindelijk vrij om hun namen op de affiche te zetten, en ik ben vrij om de voorstelling vanuit mijn woonkamer te bekijken. Maar die vrijheid kost ons allebei een ballingschap zonder einddatum of toekomstperspectief. Een drang naar vrijheid heeft ons uiteengedreven over de wereld, en terwijl ik mijn televisie uitzet weet ik: ik ben enorm dankbaar en opgelucht dat ik nu in veiligheid ben, maar tegelijk zou ik er veel voor over hebben om gewoon in mijn eigen land naar het theater te kunnen gaan — zelfs als dat clandestien moet.

1Er heerst een bepaald paternalisme tegenover vrouwen in het land. Vrouwen, net als kinderen, moeten beschermd worden omdat ze zelf niet zouden weten wat voor hen het beste is. ‘Vrouwen in ons land zijn nog niet in staat het land te leiden door de zware last die op de schouders van de leider rust. Hoe kan een vrouw de last van de grondwet en al deze problemen dragen?’, zegt de machthebber van mijn land.2Dit was de officieuze bijnaam van mijn land in de jaren 2000. Tegenwoordig klopt die waarschijnlijk niet meer, want er is weer stevige concurrentie van andere Europese dictaturen.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 10 — 13 minuten

#180

15.09.2025

14.12.2025

Alina Savitskaya

Alina Savitskaya studeerde KMO-Management aan Karel de Grote Hogeschool. Nu zorgt ze voor de administratie van Etcetera en Het Bos.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!