De vader – Floris Devooght / één zee
Een steriel ziektebeeld
Jens Dewulf
Via zijn vierde lustrumboek vertelt het NTG hoe het zichzelf ziet, hoe het wil herkend worden. Van het NTG kan niet gezegd worden dat het daar niet over reflecteert, de overige repertoiretheaters achten het minder nodig er een discours aan te wijden. Hoe afficheert het NTG dan zichzelf?
Op de cover vindt men een foto van de gelauwerde Lysistrata-voorstelling. Niet Door de Liefde Verrast b.v. Deze vaststelling is belangrijk. Voor mij betekent het dat het NTG en zijn publiek zich voorlopig nog niet herkennen in de intellectualistische analyses van een regisseur als Gilis, maar des te meer in de spectaculaire en poëtisch-synthetische produkties van Doufexis, Marijnen, Claus, e.a. Gilis is het anti-discours in NTG. Claus is daarentegen prioritair. Dat blijkt uit de opname van een portret van de meester door Ton Lutz en het daaropvolgende gelegenheidsgedicht van Claus zelf. Een confrontatie van beiden zou mij erg boeien. Gilis die na Norén ook Claus regisseert!?
Terug naar het lustrumboek. In het zelfbeeld dat het NTG via het lustrumboek creëert zijn er vier pijlers, nl. zelfevaluatie, theateronderzoek, theaterpromotie en de NTG-geschiedenis. Onder het hoofdstukje zelfkritiek en evaluatie van het artistieke beleid vallen twee erg boeiende bijdragen: een interview van Pol Arias met de NTG-beleidsgroep (De Decker, Redant, Moeremans, Van den Berghe, Demedts) over beleidsstructuren, repertoire, scenografie en publiek en een kritisch onderzoek van Marianne Van Kerkhoven naar de functie van een repertoiretheater nu en in het verleden.
Interessant wordt het wanneer je als lezer merkt dat enkele aspecten van Van Kerkhovens conclusies ter sprake worden gebracht in Arias’ interview met de beleidsgroep: de moeizame opbouw van een homogeen creatief concept, het werken aan een artistiek collectief met een soepele organisatorische structuur en de omschakeling van assimilatie naar creatie van nieuwe tendenzen. Er is nog werk aan de winkel! De bijdrage van Marianne Van Kerkhoven overstijgt het occasionele belang van dit lustrumboek, het is een uitnodiging tot het schrijven van een geschiedenis van het Vlaamse repertoiretheater.
Besluiten dat het NTG wetenschappelijk onderzoek over theater stimuleert is wellicht overdreven, toch blijkt uit enkele artikels dat in de NTG-definitie van theater de historische informatie, de theoretische reflectie en de verzameling van documentatie (het artikel van Rik Lankrock is niet vrij te pleiten van enig particularistisch favoritisme) een belangrijke plaats hebben. Het essay van Jo De Vos gaat over de autonomie van de theaterwetenschap, in voorzichtige termen verwerpt het de kolonisatie van de opvoering door de dramatheorie, maar gaat niet zo ver de instrumenten voor de analyse van spel en scène zelf te expliciteren, laat staan te evalueren.
Een derde groep artikels behandelt de theaterpromotie, het NTG-management. Tekenend is hier dat de ideale interactie met het publiek (“public relations” in managertaal) niet wordt gedefinieerd als “naar de mond praten” of als het angstvallig behouden van het bestaande publiek (cf. KNS, KVS) maar als “geleidelijk een nieuw publiek vormen” (de woorden van PR-vrouw Anita Van den Bergh) of als “werken aan het publiek van morgen” (theaterpedagoge Chris de Bruyker).
Nog even iets over de historiografische preoccupatie van het NTG. Het is noodzakelijk dat het NTG een eigen geheugen (re)construeert, een eigen verhaal over zijn geschiedenis. Maar dat verhaal mag niet monologisch en autoritair zijn. Naast het belangwekkende materiaal dat in het lustrumboek wordt aangeboden (foto’s, personeelsgrafieken, rolbezettingen, …) zal de toekomstige historicus toch willen kijken achter de coulissen van de redacteurs en achter het zelfbeeld dat zij hanteren. Gelukkig zal de man pas zijn als hij naast het boek ook zijn primaire bronnen in een archief verzameld vindt en als hij verschillende visies/beelden kan confronteren.
Over het algemeen ontbreekt ook enige kritische begeleiding bij de grafieken, de repertoirelijsten en het fotomateriaal. Over de situering van de foto’s binnen het ensceneringsproces en over de relatie tussen de fotografische of scènebeschrijvende intenties blijft de lezer in het ongewisse. Het komt me voor dat sommige foto’s repetitiescènes afbeelden die in de voorstelling verdwenen waren.
Ten slotte wil ik nog wijzen op de rommelige structuur van het boek. Elke lezer moet maar zelf zijn ordening aanbrengen, het boek houdt het bij een mediale logica: vooraan leesboek, achteraan kijkboek. De citaten uit de stukken en de aforismen zijn kriskras over het boek verspreid en bedoeld als verluchting. Ook dat herken ik als typisch NTG: het oogt mooi, maar het glijdt soms af door nonchalance, door een gebrek aan radicalisme.
De actrice is bloot maar net niet bloot genoeg. Het boek is mooi, maar net niet mooi genoeg. Grondig, maar net niet grondig genoeg. Desondanks is dit lustrumboek een belangrijke gebeurtenis in het Vlaamse theater. De andere repertoiretheaters hebben een achterstand goed te maken. Ad multos annos NTG!
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.