© Wannes Cré

Leestijd 8 — 11 minuten

ERGENS – Schippers&VanGucht

Virtueel vrijblijvend

Op Theaterfestival Boulevard presenteren Schippers&VanGucht de VR-installatie ERGENS, een virtuele voorstelling die de grenzen tussen aan- en afwezigheid, nabijheid en afstand tracht te onderzoeken. Het werk ontvouwt zich in de (tussen)ruimte van de VR-bril, waarin werelden, bevolkt door een stoet bonte figuren, krimpen en zwellen. In haar vrijblijvende inhoud lijkt het stuk echter voornamelijk te reflecteren op het medium VR zelf, eerder dan de figuren of werelden daarbinnen: hoewel ERGENS de kijker midden in het gebeuren plaatst, blijft de inhoud inwisselbaar en slaagt het werk er ondanks haar immersieve aard nooit in werkelijk dichterbij te komen.

Een groep vastberaden uitziende mensen verzamelt rond een gesloten container op de Bossche Parade, het hart van het jaarlijks Theaterfestival Boulevard. Een dame vertelt ons dat de voorstelling die we zometeen zullen beleven over eenzaamheid en verbinding zal gaan. Verdeeld in twee kleine groepen stappen we de container binnen. Een minuut lang luisteren we, dicht opeen en in het donker, naar een eenvoudige melodie. De container opent zich langs de andere kant en we worden door het bruisende festivalplein naar binnen geleid, het theater in. Er wordt ons uitgelegd hoe de VR-bril werkt. En dat we te allen tijde op onze draaistoel moeten blijven zitten. Het zou helder moeten zijn waar te kijken, verzekert de dame ons. Zo niet, zullen de suppoosten ons een duwtje in de juiste richting geven. Ik voel me bij voorbaat als een kind dat op de vingers wordt getikt – je wordt bekeken. We overhandigen onze tassen. We worden binnengeleid in een scenografie die uit verschillende kleine kamers bestaat en nemen plaats op de draaistoelen, waarop de VR-brillen klaarliggen. Vervelend, bedenk ik terwijl ik de bril en koptelefoon opzet, geen notities dan maar. En dat ik eigenlijk niet weet of ik wacht op het vervolg of het begin van de voorstelling.

In de bril ontvouwt zich een virtuele ruimte die de dimensies van de materiële wereld oprekt: de omgeving waarin mijn blik wordt uitgenodigd, lijkt op de scenografie waarin we net plaatsnamen, maar is die nét niet. In de hoek: een jongen, zwaar ademend, de handen in het haar. Het is even wennen aan de vreemde nabijheid, die net als de virtuele omgeving akelig voelt in haar minimale, maar scherp voelbare verschil met de materiële wereld.

“In de VR-bril ontvouwt zich een virtuele ruimte die de dimensies van de materiële wereld oprekt: de omgeving waarin mijn blik wordt uitgenodigd, lijkt op de scenografie waarin we net plaatsnamen, maar is die nét niet.”

De kamers transformeren langzaam tot een onvoorspelbaar groeiende omgeving, af en toe een lijn eenvoudige muziek, veelal ijle strijkers. Het is moeilijk oriënteren in de uitdijende ruimten, die telkens rafelen aan de randen, verdwijnen en in verschillende hoeken opnieuw en anders vorm krijgen. De schuivende marges sturen de blik van de kijker doorheen de veranderlijke vertrekken, die al snel gaan brokkelen: er ontstaan openingen in de muren die ons naar plaatsen daarbuiten leiden. De weinige houvast die de vervormde virtuele kopie van de materiële ruimte bood, verdwijnt: we zijn in een bos op een kinderfeestje, een spaceshuttle, een barokke woonkamer met snoepbuffet. Een bont gezelschap aan figuren passeert de revue.

Het zijn echter de kruipende ruimten die de voornaamste focus lijken in ERGENS. De verschillende personages die ons daarin meenemen blijven niet al te lang dralen, lijken meer te functioneren als een vehikel om de blik te sturen: het kind in de hoek kijkt ons even aan, enkele figuren op de bovenranden van het decor of hoog in de bomen verleiden ons om met onze blik de ruimten te verkennen, het kind glimlacht uitnodigend en gebaart ons om te volgen. 

Er ontstaat een latente splitsing tussen hoe de figuren door de ruimte bewegen en hoe ik, ondanks de zogenaamd meer intense beleving die de bril me zou bieden, tegelijk een passieve(re) toeschouwer lijk te worden.”

Plichtsbewust draai ik mee op m’n kruk. In hoeverre is mijn persoonlijke perspectief ook effectief persoonlijk, vraag ik me af, is mijn blik echt vrij om te verkennen wanneer ik de ruimten enkel via het bewegen van de personages daarin beleef? Wanneer de werelden verdwijnen waar ik niet moet kijken? Via de figuren zie ik vooral een beleving van een beleving van de virtuele ruimte – of een suggestie van die beleving. Er ontstaat een latente splitsing tussen hoe de figuren door de ruimte bewegen en hoe ik, ondanks de zogenaamd meer intense beleving die de bril me zou bieden, tegelijk een passieve(re) toeschouwer lijk te worden: mijn blik wordt veelal gestuurd – weinig wordt aan het toeval, en al zeker niet aan mij, overgelaten. Zo lijkt het werk zich, doorheen de figuren, te beleven in mijn plaats. Zichzelf te bekijken. 

© Wannes Cré

Sommige werken, schrijft filosoof Robert Pfaller in zijn Interpassivity: The Aesthetics of Delegated Enjoyment (2017), lijken de beleving ervan in zichzelf te dragen: in tegenstelling tot interactieve werken die zichzelf (pas) realiseren in de participatie van de bezoekers, zijn zogenaamd ‘interpassieve’ werken ‘zelfvervullend’. Je zou kunnen zeggen dat ze zichzelf observeren en vermaken, of beter nog, ze vermaken zich, zoals Pfaller besluit, ‘namens ons’. Pfaller verwijst hier naar Žižeks gekende voorbeeld van de lachband: de tv-show lacht als het ware met zichzelf en ontslaat zo de kijker van die act. 

Waar Pfaller echter nog een soort bevrediging in het uit handen geven beschrijft – in dit geval het delegeren van de (kijk)ervaring – en het stuk die belofte ook initieel in zich lijkt te dragen, blijf ik bij ERGENS uiteindelijk toch op mijn honger zitten.

Allereerst omwille van de ongrijpbaarheid van de figuren: ondanks de mogelijkheden van VR om hen ‘dichterbij’ te brengen, ons hen in de ogen te doen kijken, lijken ze nooit écht vorm te krijgen. De ontmoetingen, ook tussen de virtuele gestalten onderling, blijven vluchtig, de figuren eerder figuranten dan personages. Nog belangrijker is dat daarnaast, en grotendeels daardoor, ook de relatie tussen de figuren en de ruimten nooit betekenisvol wordt, waardoor we die tenslotte nooit echt lijken te beleven. In haar onbepaaldheid – de figuren zijn steeds slechts ‘iemand’, we bevinden ons slechts ‘ergens’ – lijkt de installatie uiteindelijk ook zichzelf niet te verwezenlijken of (ver)maken. Het is (slechts) een voorstel van een plaats met een groep mensen. Eenzaamheid lijkt op die manier vooral te verwijzen naar het gebrek aan een betekenisvolle interactie. 

In haar vrijblijvendheid lijkt ERGENS de verantwoordelijkheid voor een betekenisvolle ervaring dus volledig bij de kijker zelf te leggen, terwijl het net diezelfde vrijblijvendheid is die het moeilijk maakt om (een betekenisvolle) ingang in het werk te vinden – ondanks dat het werk pretendeert ons midden in de ervaring te plaatsen. In die paradoxale positie is het nooit helder hoe ons te verhouden tot het werk, het schijnbare gebrek aan intentie gaat dan al snel vervelen. En waar de container op het plein – waarnaar in de virtuele wereld overigens nooit meer wordt verwezen – een inleiding lijkt te beloven, blijkt haar reële ruimte vooral te functioneren als contrast met het werk, eerder dan een toegang ertoe.

“In haar vrijblijvendheid lijkt ERGENS de verantwoordelijkheid voor een betekenisvolle ervaring volledig bij de kijker zelf te leggen, terwijl het net diezelfde vrijblijvendheid is die het moeilijk maakt om (een betekenisvolle) ingang in het werk te vinden.”

De interessantste momenten in ERGENS zijn dan ook de momenten waarop de installatie uitnodigt te reflecteren op de relatie tussen de materiële en de virtuele wereld, en zodoende de liminale positie van de toeschouwer daarin blootlegt: we bevinden ons niet volledig in de virtuele noch in de materiële wereld, maar juist in hun wringend samenvloeien. Die spanning wordt onder meer geactualiseerd wanneer de virtuele realiteit voortbouwt op de materiële, en die zodoende opentrekt, door bijvoorbeeld de materiële scenografie te herhalen en vervormen. Of wanneer wordt gespeeld met (onze verwachtingen van) de logica van de virtuele wereld: de boogstreken en vingerzettingen van de cellist komen niet overeen met de muziek die we horen. Het zijn deze ingrepen die reflecteren op het potentieel van VR om een performatieve ruimte open te breken, eerder dan er simpelweg een in zichzelf gekeerde realiteit naast te verbeelden. Die kortstondige momenten van frictie lijken echter de enige weerhaakjes, de enige momenten dat onze blik in het werk betekenisvol wordt.

Op die manier lijkt ERGENS dus vooral een reflectie te bieden op het medium VR zelf en hoe wij dat navigeren, en lijken de inhoud, de werelden en figuren daarbinnen, weinig rol te spelen – wat bij mij de vraag oproept hoe mediumspecifiek kunstkritiek dient te zijn, en wat bijgevolg de parameters voor dit soort voorstelling dan zouden zijn? In hoeverre projecteer ik de verwachtingen die de noemer ‘theater’ bij me schept op de ruimten die in de bril ontvouwen, op de figuren die daarin bewegen? Waarom verwacht ik bij dit ‘bewegend beeld’ meer ingang dan dat ik bijvoorbeeld in de context van film zou doen? En op welke manier werkt een voorstelling als ERGENS die verwachting dan weer zelf in de hand door ons er middenin te plaatsen? 

In elk geval wordt de belofte aan een voorstelling die reflecteert op eenzaamheid en verbinding enkel ingelost door de keuze met VR te werken, net omdat er op die manier een verlangen naar (meer) nabijheid en betekenis wordt gegenereerd. Op die manier schuift ERGENS het medium zelf naar voren als drager van die reflectie en verantwoordelijk voor een inhoud, waarbinnen alle (virtuele) werelden inwisselbaar kunnen worden geprojecteerd. Ik blijf achter met het gevoel dat ik dus net zo goed ergens anders had kunnen zijn.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 8 — 11 minuten

#179

01.03.2025

14.09.2025

Margot De Grave Loyson

Margot De Grave Loyson heeft een achtergrond in de beeldende kunsten (KASK, Gent), culturele studies (KU Leuven) en gender studies (Universiteit Utrecht). Via taal en beeld onderzoekt ze het potentieel van (feministische) artistieke praktijken en alternatieve vormen van kennisproductie in het verbeelden van verdrukte verhalen en het uitdagen van een dominant cultureel geheugen.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!